RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3398
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2025 in de zaak tussen
[eisers] , voor hun minderjarige kind [minderjarige] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. S.D. Kurz),
en
het bestuur van de Stichting Minkema College voor openbaar voortgezet onderwijs in Woerden en omstreken, het bestuur
(gemachtigde: mr. W. Brussee).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het bestuur [minderjarige] mocht verwijderen van school wegens ernstig wangedrag.
Op 17 februari 2023 heeft het bestuur besloten om [minderjarige] te schorsen en van school te verwijderen. Daar waren eisers het niet mee eens en maakten bezwaar. Tijdens de bezwaarprocedure hebben zij ook de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen zodat [minderjarige] weer naar school kon. Met de uitspraak van 31 maart 2023 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen omdat het bezwaar van eisers geen redelijke kans van slagen had. Volgens de voorzieningenrechter was het bestuur namelijk bevoegd om [minderjarige] van school te verwijderen en heeft het in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik mogen maken. De belangenafweging viel in het nadeel van [minderjarige] uit.
Met het bestreden besluit van 17 mei 2023 heeft het bestuur het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Het bestuur is bij het standpunt gebleven dat er sprake was van ernstig wangedrag van [minderjarige] . Anders dan in het primaire besluit zijn er drie incidenten (in plaats van vier) ten grondslag gelegd aan de besluitvorming. Volgens het bestuur zijn deze drie incidenten – ieder voor zich en in onderlinge samenhang – ernstig wangedrag.
Bovendien vonden de incidenten plaats in de context van een groot aantal eerdere incidenten waarbij [minderjarige] betrokken was. [minderjarige] is herhaaldelijk gewaarschuwd dat hij bij herhaling rekening diende te houden met een verwijdering. Ook heeft het bestuur ondersteuning en begeleiding aangeboden zodat [minderjarige] een overstap kon maken naar een andere school en kon [minderjarige] gebruik maken van de Bovenschoolse Onderwijs Zorgvoorziening en het huiswerkinstituut. Gelet daarop vond het bestuur, alles afwegend, het besluit tot verwijdering terecht.
Eisers zijn het daar niet mee eens en hebben beroep ingesteld. Het bestuur heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
Het bestuur heeft op 8 oktober 2024 stukken overgelegd met de mededeling als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat alleen de rechtbank van die stukken kennis mag nemen. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft beslist dat beperkte kennisneming van die stukken deels gerechtvaardigd is en stelt het bestuur in de gelegenheid om het verzoek nader te onderbouwen of (een deel van) de stukken opnieuw in te dienen als processtukken. Het bestuur heeft vervolgens de stukken opnieuw ingediend zonder de lakkingen die niet gerechtvaardigd waren. Eiser heeft de rechtbank geen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid van de Awb. Van de passages die het bestuur heeft mogen lakken, heeft de rechtbank daarom geen kennis kunnen nemen.
De rechtbank heeft het beroep op 10 oktober 2024 en 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het bestuur. Ook was namens het bestuur aanwezig: [A] .
Beoordeling door de rechtbank
1. Is er sprake van procesbelang?
Volgens het bestuur hebben eisers geen procesbelang meer bij dit beroep en dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. [minderjarige] was namelijk al met ingang van 31 oktober 2023 uitgeschreven bij de school en is per 1 november 2023 ingeschreven bij de [onderwijs instelling 1] in Houten.
De rechtbank is van oordeel dat eisers procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep. Weliswaar is op de zitting gebleken dat [minderjarige] inmiddels is ingestroomd op het [onderwijs instelling 2] in Houten en het daar naar zijn zin heeft, maar dat maakt niet dat er geen procesbelang meer aanwezig is. Namens eiseres is op de zitting voldoende toegelicht dat [minderjarige] ’s eer en goede naam in het geding is en dat het in belang is van zijn rehabilitatie om het verwijderingsbesluit van tafel te krijgen. Daarnaast maakt het verwijderingsbesluit onderdeel uit van zijn schooldossier en eisers willen dit opgeschoond hebben.
2. Waar richt het beroep van eisers zich tegen en wat is het oordeel van de rechtbank?
Op de zitting is vastgesteld dat het beroep van eisers zich enkel nog richt tegen het verwijderingsbesluit en niet tegen de schorsing van [minderjarige] . De rechtbank beoordeelt daarom de vraag of het bestuur [minderjarige] mocht verwijderen. Dat doet zij aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
De rechtbank oordeelt dat het bestuur [minderjarige] van school mocht verwijderen vanwege ernstig wangedrag. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Is het onderzoek voorafgaand aan de verwijdering van school zorgvuldig geweest?
Overleg met de leerplichtambtenaar
Eisers voeren aan dat het bestuur de voorgeschreven procedure niet heeft gevolgd door de leerplichtambtenaar niet in te schakelen.
De rechtbank stelt vast dat het bestuur volgens artikel 4.7, onder b, van het Leerlingenstatuut 2019-2023 (Leerlingenstatuut) over de definitieve verwijdering van een leerplichtige leerling overlegt met de leerplichtambtenaar. Op de zitting heeft het bestuur voldoende toegelicht dat dit overleg heeft plaatsgevonden, voordat het bestuur is overgaan tot de verwijdering van [minderjarige] van school. Dit is vervolgens door eisers niet weersproken. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het bestuur de voorgeschreven procedure heeft gevolgd.
Hoor en wederhoor en anonieme verklaringen
Daarnaast is er volgens eisers sprake van een onzorgvuldig onderzoek dat heeft geleid tot het verwijderen van [minderjarige] . [minderjarige] is na de incidenten niet direct gehoord door het bestuur over de incidenten en dat had in het kader van hoor en wederhoor wel gemoeten. Dat eisers een zienswijze hebben kunnen indienen naar aanleiding van het voornemen tot verwijdering, doet daaraan niet af want dat is pas in een later stadium. Bovendien houdt het bestuur de verklaringen en daarmee de grondslag voor het besluit geheim. Dit is in strijd met de onschuldpresumptie.
De rechtbank volgt eisers hierin niet. Het bestuur heeft uitgelegd waarom niet onmiddellijk na elk incident eisers, of in ieder geval [minderjarige] , is gehoord. Dit had namelijk te maken met de angst van de andere betrokken leerlingen voor repercussies op het moment dat duidelijk zou worden dat zij hadden ‘geklaagd’ over de bepaalde incidenten. Dit is ook de reden dat van deze leerlingen de verklaringen anoniem door het bestuur zijn overgelegd. De rechtbank kan die uitleg goed volgen. Bovendien hebben eisers, weliswaar in een later stadium, de gelegenheid gekregen om hun zienswijze te geven. Dit was voorafgaand aan het verwijderingsbesluit en vervolgens ook nog een keer tijdens de bezwaarfase. Dit is voldoende. Van onzorgvuldig onderzoek is geen sprake.
Daarnaast heeft het bestuur de verklaringen van anderen wel in de beroepsprocedure bij de rechtbank overgelegd, deels onder geheimhouding. Dat kan op basis van de wet, zolang die geheimhouding gerechtvaardigd is. Dat is hier door de rechtbank vastgesteld. Als eisers toestemming aan de rechtbank hadden gegeven om de documenten in te zien, dan had de rechtbank kunnen controleren of er in die documenten wel voldoende grondslag voor het besluit te vinden is. Op die manier wordt voorzien in rechtsbescherming, ook als een bepaalde partij een deel van de onderbouwing zelf niet kan zien. Nu de rechtbank die toestemming niet heeft, kan zij dat niet doen. Dat komt voor rekening en risico van eisers en betekent niet dat de documenten niet mogen dienen als grondslag voor het besluit. Van enige strijd met de onschuldpresumptie, voor zover die hier al speelt, is geen sprake.
4. Heeft het bestuur aannemelijk gemaakt dat sprake is van ernstig wangedrag dat een ernstige bedreiging vormt voor de orde, rust of veiligheid op school?
Eisers voeren verder aan dat het bestuur niet aannemelijk heeft gemaakt dat [minderjarige] ernstig wangedrag heeft vertoond en dus een ernstige bedreiging vormde voor de orde, rust of veiligheid op school. Incident 1 (de Efteling) wordt niet langer tegengeworpen. De verklaring over incident 2 (kleedkamer) is anoniem en kan daarom niet worden gebruikt. Bovendien is er over dit incident geen aangifte gedaan, is er geen bewijs van letsel en heeft [minderjarige] enkel geduwd, omdat daarvoor een goede reden was: hij werd namelijk gepest. Over incident 3 (dreigende taal) voeren eisers aan dat er nu weliswaar een verklaring (niet geanonimiseerd) door het bestuur is verstrekt, maar is dit incident anders verlopen dan wordt gesteld. Bovendien is wat er is gezegd niet bedreigend en daarom naar objectieve maatstaven niet als ernstig wangedrag aan te merken. Over incident 4 (seksueel overschrijdend gedrag) is eveneens een verklaring overgelegd door het bestuur en daarom wordt niet langer betwist door eisers dat dit is gebeurd. Zij betwijfelen echter of dit wel seksueel overschrijdend gedrag en dus ernstig wangedrag is. Dit soort uitlatingen zijn tegenwoordig gebruikelijk op (andere) scholen en social media. Eisers doen een bewijsaanbod om [minderjarige] en anderen te horen over de incidenten. Voor wat betreft de ernstige bedreiging voor de orde, rust of veiligheid op school, stellen eisers dat die er nooit is geweest. Als dit zo zou zijn, dan had het bestuur na de incidenten in november 2022 niet tot 17 februari 2023 gewacht met het verwijderingsbesluit.
De rechtbank stelt voorop dat in de Wet voortgezet onderwijs 2020 (Wvo) staat dat het bestuur een leerling van school kan verwijderen. Dit heet een discretionaire bevoegdheid, wat betekent dat het bestuur mag beoordelen of er aanleiding is om een leerling te verwijderen. Dat wil zeggen dat het bestuur een zekere mate van ruimte heeft om te beoordelen of een leerling moet worden verwijderd. De rechtbank toetst dit terughoudend. Uit de memorie van toelichting bij de Wvo volgt dat een leerling kan worden verwijderd als hij door zijn wangedrag een ernstige bedreiging vormt voor de orde, rust of veiligheid op de school. In het Leerlingenstatuut van de school heeft het bestuur opgeschreven dat een leerling onder meer definitief kan worden verwijderd van school als de leerling zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig wangedrag. Het gaat er daarbij om dat het bestuur aannemelijk maakt dat sprake is van ernstig wangedrag.
Hierna beoordeelt de rechtbank dus of het bestuur de incidenten voldoende aannemelijk heeft gemaakt en zo ja, of deze incidenten te kwalificeren zijn als ernstig wangedrag die een ernstige bedreiging vormen voor de orde, rust of veiligheid op school.
Incident 2 (kleedkamer)
De rechtbank vindt het voldoende aannemelijk dat [minderjarige] geweld heeft gebruikt in de kleedkamer tegen een andere leerling door hem tegen de muur te duwen, te schoppen en slaan. Om dit te onderbouwen heeft het bestuur productie 21 overgelegd. Dit betreft een verklaring van die leerling en de verklaring van diens moeder. Over dit document is door de geheimhoudingskamer geoordeeld dat geheimhouding gerechtvaardigd is. Alleen met toestemming van eisers mag de rechtbank kennis nemen van dit document. Eisers hebben de toestemming niet verleend, en dat betekent dat de rechtbank niet kan controleren of de verklaring overeenkomt met wat het bestuur daarover heeft opgenomen in de besluitvorming. Dit komt voor risico van eisers en de rechtbank gaat er dan vanuit dat het klopt wat het bestuur hierover in het besluit zegt. Dat het incident volgens [minderjarige] anders is verlopen, is onvoldoende om aan te nemen dat de weergave van het incident door het bestuur niet klopt. [minderjarige] heeft ook geen schriftelijke verklaring ingediend en is niet naar de zitting gekomen om uitleg hierover te geven. Dat er wellicht een aanleiding voor [minderjarige] ’s gedrag was, maakt niet dat zijn handelen gerechtvaardigd was. Er is namelijk sprake van fysiek geweld. Zelfs als dit al alleen duwen zou zijn geweest, zoals op de zitting is gezegd, dan is ook dat fysiek geweld. Het bestuur heeft het gedrag terecht aangemerkt als ernstig wangedrag. Het feit dat er door de leerling geen aangifte is gedaan of dat er geen letselverklaringen zijn maakt niet dat er geen sprake is van ernstig wangedrag.
Incident 3 (dreigende taal)
De rechtbank vindt ook aannemelijk dat [minderjarige] dreigende taal naar een andere leerling heeft geuit door tegen een medeleerling te zeggen dat hij "zijn kankerbek moet houden", dat hij anders zijn "kankertanden uit zijn bek zou slaan" en iets in de trant van "ik weet waar je woont". Daartoe heeft het bestuur productie 22 overgelegd. Dit betreft een e-mail tussen twee medewerkers van de school over het incident en bevat de verklaring van een docent, waaruit dit blijkt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de stelling van eisers dat dit incident anders is verlopen. De rechtbank vindt verder dat de geuite tekst van [minderjarige] over tanden uit iemands bek slaan en dat hij weet waar iemand woont, in die context en ook zonder scheldwoorden, dreigend is. Deze dreigementen kwalificeren dan ook als ernstig wangedrag.
Incident 4 (seksueel overschrijdend gedrag)
Tot slot vindt de rechtbank ook dat het aannemelijk is dat incident met betrekking tot seksueel overschrijdende opmerkingen heeft plaatsgevonden. Het bestuur heeft ter onderbouwing een e-mail overgelegd tussen medewerkers van de school. Uit deze e-mail volgt dat [minderjarige] naar twee meisjes zeer opgepaste seksuele opmerkingen heeft gemaakt. Dat [minderjarige] de opmerkingen heeft gemaakt, staat ook niet ter discussie, alleen of die opmerkingen (seksueel) grensoverschrijdend zijn. De rechtbank vindt dat dit zo is en dat valt ook onder ernstig wangedrag. Dat dit soort opmerkingen volgens eisers gebruikelijk zijn op (andere) scholen en op social media, maakt niet dat het geen wangedrag is.
Bewijsaanbod
Het bestuur heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de drie incidenten hebben plaatsgevonden en dat dit ernstig wangedrag oplevert. Dit betekent dat er geen reden is om nog getuigen te horen.
Ernstige bedreiging voor orde, rust of veiligheid op school
Het bestuur heeft toegelicht welke impact het gedrag van [minderjarige] op andere leerlingen heeft gehad. Dat, samengenomen met drie gevallen van ernstig wangedrag in korte tijd, is voldoende om te spreken van een ernstige bedreiging voor de orde, rust of veiligheid op school. Gelet daarop, had het bestuur de bevoegdheid om [minderjarige] van school te verwijderen.
5. Heeft het bestuur de bevoegdheid tot verwijdering mogen aanwenden?
Ander doel dan waarvoor de bevoegdheid tot verwijdering is verleend?
Volgens eisers heeft het bestuur [minderjarige] van school verwijderd omdat zij een klacht hebben ingediend tegen de school/het bestuur. Eisers kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat de klacht bij het bestuur in het verkeerde keelgat is geschoten. Daarna is er volgens eisers gericht toegewerkt naar de verwijdering.
De rechtbank is niet gebleken dat het bestuur de bevoegdheid tot verwijdering heeft gebruikt voor aan ander doel dan het herstellen van de orde, rust en veiligheid op de school. Daarbij vindt de rechtbank het van belang dat twee van de incidenten zich hebben voorgedaan na de klacht en vervolgens het voornemen tot verwijdering naar eisers is gestuurd. Bovendien heeft dit geschil een lange voorgeschiedenis waarbij [minderjarige] door het bestuur ook is gewaarschuwd voor de mogelijke consequenties van zijn aanhoudende gedrag.
Heeft het bestuur van de bevoegdheid tot verwijdering gebruik mogen maken?
Eisers vinden dat het bestuur te weinig rekening heeft gehouden met de belangen van [minderjarige] . Het geboden onderwijsalternatief is niet geschikt. De Bovenschoolse Onderwijs Zorgvoorziening staat namelijk bekend als een onderwijsvoorziening waarop een hoop minderjarigen zitten met ernstige gedragsproblemen. Dat is dus geen geschikte plek voor [minderjarige] .
De rechtbank vindt dat de belangen van het bestuur om [minderjarige] van school te verwijderen, gelet op de aan het besluit ten grondslag gelegde incidenten en de voorgeschiedenis, zwaar wegen. Verder ziet de rechtbank dat het bestuur sinds medio 2022 bezig is geweest met een maatwerktraject voor [minderjarige] als laatste poging zodat [minderjarige] op de school kon blijven. Toen dit niet lukte heeft het bestuur [minderjarige] een plek aangeboden in de Bovenschoolse Onderwijs Zorgvoorziening. Niet is gebleken dat dit geen geschikte plek zou zijn voor [minderjarige] . Eisers hebben hun stelling daarover onvoldoende onderbouwd. Maar ook het huiswerkinstituut kon worden voortgezet voor [minderjarige] . Daarnaast heeft het bestuur begeleiding aangeboden bij het maken van de overstap naar een andere school. Daarom mocht het bestuur gebruik maken van de bevoegdheid tot het verwijderen van [minderjarige] van de school. Dat [minderjarige] geen gebruik wilde maken van de geboden alternatieven, maakt niet dat de belangenafweging anders zou moeten uitpakken.
6. Maken de overige standpunten dat [minderjarige] niet van school verwijderd mocht worden?
Tot slot ziet de rechtbank dat eisers nog het volgende naar voren hebben gebracht. Eisers menen dat [minderjarige] anders wordt behandeld dan andere leerlingen, het bestuur institutioneel discrimineert en verzuimt op te treden tegen racisme en pesten. Daarnaast zou er sprake zijn van wangedrag door docenten waar het bestuur niet tegen optreedt. Ook in dit verband vragen eisers de rechtbank om getuigen te horen om het handelen en het gedrag van de school vast stellen.
De rechtbank stelt voorop dat zij het verwijderingsbesluit beoordeelt en niet het beleid, de praktijk of de omgang van de school met [minderjarige] in algemene zin. Daarvoor is deze procedure niet bedoeld. Deze (niet onderbouwde) standpunten van eisers zijn daarom niet relevant voor het oordeel van de rechtbank. Voor het horen van getuigen bestaat geen aanleiding.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen dus geen gelijk. Dat betekent dat het bestuur [minderjarige] als leerling van de school mocht verwijderen. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.