[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Pool),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen
(gemachtigden: T. Bohm en mr. N.G.M. Valkering).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser dat gaat over zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
Eiser heeft eerder een Woo-verzoek gedaan bij het college over de plaatsing van dertig woonunits op de locatie [locatie] in Huizen ten behoeve van opvang van Oekraïners. Naar aanleiding van dit eerdere Woo-verzoek heeft eiser documenten gekregen. Uit deze documenten bleek volgens eiser dat aanvankelijk het gebouw van het voormalige ziekenhuis [naam] de voorkeur kreeg boven de woonunits op [locatie] .
Daarom dient eiser op 20 oktober 2023 nog een Woo-verzoek in. Het verzoek bestaat uit twee onderdelen:
Het college wijst dit verzoek op 16 november 2023 toe en legt een aantal documenten over. Eiser is het daar niet mee eens en maakt bezwaar, omdat volgens eiser documenten ontbreken.
Omdat het college niet tijdig op het bezwaar beslist, stuurt eiser een ingebrekestelling en vervolgens stelt hij op 26 april 2024 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
In het besluit van 29 april 2024 (het bestreden besluit) verklaart het college het bezwaar gegrond. Het college heeft een nieuwe, brede zoekslag uitgevoerd en de beschrijving en het resultaat ervan als bijlage aan het bestreden besluit toegevoegd. Daarnaast maakt het college nog twee documenten (gedeeltelijk) openbaar; een powerpoint-presentatie en een besluitenlijst.
Op 6 juni 2024 dient eiser zijn (inhoudelijke) gronden in tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
Tijdens de zitting op 1 april 2025 is met partijen afgesproken dat het college nog de gelegenheid kreeg om nadere informatie aan te leveren en dat eiser de gelegenheid kreeg om hierop te reageren. Beiden hebben dit gedaan.
Met de brief van 29 april 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Bij sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
1. Deze uitspraak gaat over de afhandeling van het eerste onderdeel van eisers Woo-verzoek. Eiser heeft namelijk geen bezwaar gemaakt tegen de afhandeling van het tweede onderdeel van zijn Woo-verzoek en ook op de zitting heeft hij bevestigd dat het beroep geen betrekking heeft op die afhandeling door het college.
Ontvankelijkheid van het (inhoudelijke) beroep en oordeel over het beroep niet-tijdig beslissen
2. Het college stelt zich allereerst op het standpunt dat eisers beroep niet-ontvankelijk is. Volgens het college kan er niet worden toegekomen aan de inhoudelijke behandeling van eisers beroep omdat eisers ingebrekestelling prematuur is. Daardoor is het ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen volgens het college niet-ontvankelijk en dat heeft volgens het college ook als gevolg dat het (inhoudelijke) beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
3. De rechtbank volgt deze redenering niet. Met het besluit van 29 april 2024 heeft het college alsnog op het bezwaar van eiser beslist. Uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege betrekking heeft op het alsnog genomen besluit tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. In dit geval is niet in geschil dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Daarom heeft dat beroep ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb, mede betrekking op het alsnog genomen besluit. Bovendien heeft eiser binnen zes weken na het reële besluit (inhoudelijke) gronden ingediend. Ook in zoverre is sprake van een tegen het bestreden besluit tijdig ingesteld beroep. De rechtbank zal dan ook het inhoudelijke beroep tegen het bestreden besluit behandelen.
4. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen wél niet-ontvankelijk. Vast staat dat het college een besluit heeft genomen op het bezwaar van eiser. Eiser heeft dus geen procesbelang meer bij een beoordeling van dat beroep.
Oordeel over het inhoudelijke beroep
5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Eiser krijgt gelijk omdat het college tijdens de beroepsprocedure alsnog een eerder gelakt deel van de powerpoint-presentatie alsnog openbaar heeft gemaakt. Dat betekent dat het bestreden besluit, voor zover openbaarmaking van dat deel aanvankelijk is geweigerd, onzorgvuldig is.
6. Daarnaast vindt de rechtbank de zoekslag onzorgvuldig en constateert zij gebreken bij het toepassen van de weigeringsgronden uit de Woo. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Zoekslag
7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat er meer documenten moeten zijn dan die nu verstrekt zijn door het college. Daarbij wijst eiser naar de collegevergadering op 20 juni 2023 en stelt hij dat het college in principe nooit zonder een ambtelijk voorstel met onderbouwing, motivering en argumenten vergadert. Verder wijst eiser op het overleg dat heeft plaatsgevonden op 27 juni 2023 met degenen die de unitbouw moesten opzetten. Daarover is geen informatie verstrekt door het college maar volgens eiser kan het niet zo zijn dat een dergelijk overleg in het luchtledige plaatsvindt.
8. De rechtbank stelt voorop dat het vaste rechtspraak is dat het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. Om te beoordelen of het geloofwaardig is dat er niet meer documenten aanwezig zijn bij het bestuursorgaan, ziet de rechtbank zich dan ook eerst voor de vraag gesteld of zorgvuldig is gezocht door het bestuursorgaan.
9. De rechtbank overweegt dat de bezwaarschriftencommissie heeft geconstateerd dat het college naar aanleiding van het bezwaarschrift slechts heeft gezocht naar twee door eiser aangeleverde voorbeelden (stukken rondom de collegevergadering van 20 juni 2023 en stukken rond een uitvoeringsoverleg op 27 juni 2023), zonder de originele zoekslag te herhalen. De zoekslag in de bezwaarfase is daarom volgens de bezwaarschriftencommissie te beperkt geweest. Vervolgens doet het college een nieuwe zoekslag en zet deze uiteen in een memo van 25 april 2025. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met deze memo niet duidelijk of het college in de juiste periode heeft gezocht naar de gevraagde documenten. Er wordt namelijk in de memo geen periode vermeld.
Daarnaast wordt in dezelfde memo uiteengezet dat per e-mail specifieke zoekvragen zijn uitgezet in de organisatie. Deze zoekvragen zijn volgens het college gebaseerd op het Wooverzoek. Een voorbeeld van deze e-mail is als bijlage toegevoegd aan de memo. In deze e-mail staat het volgende:
“Verzoek 1: Het gaat hier om een verzoek om aanvullende informatie, binnen de Wel Open
Overheid, over de juridische onderbouwing en de noodwet, alle documenten,
correspondentie etc. omtrent de juridische onderbouwing c.q. houdbaarheid van het beroep
op dwingende spoed bij de aanbesteding van de bouw en levering van de units en de
argumentatie waarom de gemeente Huizen van oordeel is dat aan de voorwaarden voor een
beroep op dwingende spoed is voldaan;
Verzoek 2: Graag ontvang ik in aanvulling op de reeds ontvangen stukken alle documenten,
correspondentie etc omtrent de juridische onderbouwing c.q. houdbaarheid van het beroep
op dwingende spoed bij de aanbesteding van de bouw en levering van de units en de
argumentatie waarom de gemeente Huizen van oordeel is dat aan de voorwaarden voor een
beroep op dwingende spoed is voldaan.”
10. Hoewel in deze e-mail ‘verzoek 1’ en ‘verzoek 2’ worden genoemd, constateert de rechtbank dat deze vragen – gelet op de formulering – eerder aansluiten bij het tweede onderdeel van eisers Woo-verzoek en niet bij het eerste onderdeel waar deze procedure over gaat. Het college licht toe dat de e-mail bij de memo slechts een voorbeeld is en dat er waarschijnlijk e-mails zijn verzonden met de juiste specifieke vragen die zien op het tweede onderdeel van eisers Woo-verzoek. De rechtbank vindt dat deze verklaring niet strookt met hoe er in de memo wordt verwezen naar de e-mail, aangezien in de memo wordt verwezen naar de ‘specifieke zoekvragen die zijn gebaseerd op het Woo-verzoek’. Daarbij komt dat het college niet alsnog de e-mail heeft overgelegd die volgens hem wel is verstuurd én die aansluit bij het eerste onderdeel van het Woo-verzoek.
Verder wordt uit de memo duidelijk aan welke personen een e-mail hebben gehad met specifieke zijn gestuurd, maar uit de memo kan niet worden opgemaakt dat zij zijn gevraagd om te zoeken in hun systemen op de relevante trefwoorden.
11. De rechtbank is van oordeel dat de zoekslag niet zorgvuldig is geweest. Daarom vindt de rechtbank de mededeling van het college dat er niet meer documenten zijn, niet geloofwaardig. Dit betekent dat het college opnieuw moet zoeken en deze zoekslag inzichtelijk moet maken.
Weigeringsgronden
12. Verder voert eiser aan dat het college onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij de desbetreffende weigeringsgronden heeft toegepast. Ook is het onvoldoende duidelijk voor welk onderdeel van de documenten welke weigeringsgrond is ingeroepen.
13. De rechtbank stelt voorop dat uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat het bestuursorgaan per onderdeel dient te motiveren welke weigeringsgrond van toepassing is. Daarbij past niet dat ten aanzien van hele pagina’s meerdere weigeringsgronden worden ingeroepen door het college. Ten aanzien van twee pagina’s van de powerpoint-presentatie met de kop Financiën opvang Oekraïners en Business case BMW: 1e globale raming worden vier weigeringsgronden genoemd, namelijk:
- Artikel 4.5, tweede lid, van de Woo (reeds beschikbaar);
- Artikel 5.2, eerste tot en met het vierde lid, van de Woo (persoonlijke beleidsopvattingen);
- Artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo (concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens);
- Artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo (de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen).
14. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de twee pagina’s van de powerpoint-presentatie onvoldoende kenbaar op welk onderdeel welke weigeringsgrond betrekking heeft. Dit betekent dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd welke weigeringsgronden op welke (passages van de) documenten van toepassing zijn. De rechtbank vindt daarbij verder van belang dat het vermelden van artikel 4.5, tweede lid, van de Woo ziet op informatie die reeds openbaar is. Dit brengt verwarring met zich mee over de vraag in hoeverre de gelakte informatie op die pagina’s openbaar zijn en waar deze dan vindbaar zou zijn. Op de zitting is door het college ook geconcludeerd dat deze weigeringsgrond niet van toepassing is en ten onrechte is opgenomen. Ook vindt de rechtbank van belang dat de overige drie weigeringsgronden allen een eigen afwegingskader hebben. Voor zowel de weigeringsgrond ‘concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens’ als de weigeringsgrond ‘persoonlijke beleidsopvattingen’ geldt dat de motivering ten aanzien van de (onderdelen van de) pagina’s onduidelijk is. Dit klemt temeer omdat door de bezwaarschriftencommissie is opgemerkt dat er in de powerpoint-presentatie geen sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen. Door het college wordt in het bestreden besluit niet toegelicht waarom er in weerwil van dit oordeel van de bezwaarschriftencommissie wél sprake zou zijn van persoonlijke beleidsopvattingen. Met toepassing van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb heeft de rechtbank van de (ongelakte) presentatie kennisgenomen. Ook de rechtbank ziet geen aanknopingspunten dat deze pagina’s of onderdelen daarvan zouden zijn aan te merken als persoonlijke beleidsopvattingen als bedoeld in de Woo.
Conclusie en gevolgen
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Daarnaast moet het college de reiskosten van eiser voor het bijwonen van de zitting vergoeden. Deze reiskosten bedragen € 17,36. Daarmee bedraagt het totale bedrag van de proceskostenvergoeding € 1.831,36. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het besluit van 29 april 2024;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.831,36 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.