RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/223
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
(gemachtigden: drs. E.H. Siemeling en mr. M.P.M. van de Mortel).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing door het college van zijn verzoek om door hem aangeleverde documenten als brondocumenten te registreren in de Basisregistratie personen (brp).
Eiser is op 28 februari 2022 bij gemeente Utrecht aan de balie geweest met een verzoek om een aantal documenten uit [land] te gebruiken voor registratie in de brp, omdat hij de
Nederlandse nationaliteit wil aanvragen.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 29 juni 2023 afgewezen omdat – kort samengevat – door het college niet kan worden vastgesteld of de documenten van eiser inhoudelijk juist zijn.
Met het bestreden besluit van 3 december 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Ook de door eiser op 21 juli 2022 en op 7 november 2024 overgelegde documenten kunnen niet gebruikt worden voor registratie in de brp, omdat ze niet voldoende betrouwbaar zijn.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank beoordeelt de afwijzing door het college van de aanvraag om diverse door eiser aangeleverde documenten te registreren als brondocument in de brp. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunt van eiser
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en vindt dat er moet worden uitgegaan van de bewijskracht van de documenten die hij heeft overgelegd. Volgens eiser blijkt uit de documenten en uit de combinatie van die documenten dat de gegevens uit de documenten juist zijn. Daarom moeten de overgelegde documenten in de brp worden geregistreerd. Verder voert eiser aan dat ondeugdelijk is gemotiveerd waarom het college de geboorteakte uit 1968 niet heeft geregistreerd. Tot slot voert eiser aan dat ten aanzien van het afschrift van de geboorteakte van 24 juli 2023 niet nader is onderbouwd hoe dit document zou afwijken van beschikbaar referentiemateriaal.
Oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank overweegt dat op de zitting is gebleken dat het beroep van eiser gericht is tegen het niet registreren van (een) geboorteakte(s) en een paspoort als brondocument. Gedurende de procedure heeft eiser verschillende geboorteaktes aan het college verstrekt. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat het voor hem van belang is dat de gegevens zoals nu al in de brp zijn opgenomen, worden ontleend aan zijn paspoort en/of de geboorteaktes, omdat dit nodig is voor zijn naturalisatieproces.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet voorop worden gesteld dat de gegevens in de brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens over de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, heeft de wetgever in artikel 2.8 van de Wet brp een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een “lager” document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het tijdstip van inschrijving in redelijkheid geen “hoger” document kan worden overgelegd.
De geboorteaktes
6. De rechtbank is van oordeel dat het college op goede gronden heeft geweigerd om de geboorteakte van 24 oktober 2017 en de geboorteakte van 24 juli 2023, als brondocument, als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp, aan te merken. Daarbij vindt de rechtbank het volgende van belang. Het college heeft de geboorteaktes voorgelegd aan Bureau Documenten. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een door Bureau Documenten opgestelde verklaring van onderzoek een deskundigenadvies is waarvan het college in beginsel mag uitgaan. Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat het afschrift geboorteakte van 24 oktober 2017 gezien de verschijningsvorm, opmaak en afgifte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. De legalisatie van het Ministerie Buitenlandse Zaken van [land] is vals en de legalisatie van de [land] Ambassade te Brussel is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid frauduleus verkregen. Het afschrift geboorteakte van 24 juli 2023 is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt. Het document is niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. De legalisatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van [land] is frauduleus verkregen.
7. De vergewisplicht van het college strekt niet zo ver dat het college tot in detail aan eiseres inzichtelijk moet maken hoe de conclusies in het deskundigenrapport tot stand is gekomen. Specificaties over vastgestelde afwijkingen worden niet tot in detail vermeld, omdat dit (toekomstige) onderzoeksprocessen kan schaden. Van welk referentiemateriaal er gebruik is gemaakt en hoe dit er uitzag hoeft het college naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk te maken. Als het college dit openbaar zou maken, dan maakt dit het voor fraudeurs makkelijker om valse documenten zo echt mogelijk te laten lijken. Dit is een onwenselijke situatie. Het ligt op de weg van eiser om de conclusies uit het onderzoek van Bureau Documenten gemotiveerd te betwisten. Eiser heeft geen contra-expertise overgelegd. Daarom kon het college tot de conclusie komen dat deze documenten niet voldoen aan de vereisten uit artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp en mocht het college weigeren om deze documenten als brondocumenten in de brp op te nemen.
8. Ook de geboorteakte van [datum] 1968 heeft het college voorgelegd aan Bureau Documenten. Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat dit document mogelijk echt is. Er kan geen uitspraak worden gedaan over de opmaak en aangifte. Ook kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Omdat er geen uitspraak kan worden gedaan over de opmaak en de uitgifte van deze geboorteakte en deze geboorteakte ook niet is gelegaliseerd, kan niet worden vastgesteld dat dit document voldoet aan de vereisten uit artikel 2.8, tweede lid, onder d, van de Wet brp. Dit maakt dat het college ook deze akte terecht heeft geweigerd als brondocument.
Het paspoort
9. De rechtbank is van oordeel dat het college ook op goede gronden het paspoort van eiser, afgegeven op 16 maart 2021, heeft geweigerd om te registreren als brondocument. Bureau Documenten heeft over dit paspoort geconcludeerd dat dit paspoort weliswaar echt is, maar indien een valse geboorteakte (de geboorteakte van 24 oktober 2017) ten grondslag heeft gelegen aan het verkrijgen van het paspoort, dan is dit paspoort dus met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid frauduleus verkregen. Door eiser is niet weersproken dat de geboorteakte van 2017 is gebruikt voor de aanvraag van zijn paspoort. Het paspoort kan daarom niet als authentiek worden bestempeld. Dit maakt dat het college heeft mogen weigeren dit paspoort als brondocument in de brp op te nemen.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.