RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummers:
C/16/602340 / JE RK 25-1695
C/16/604270 / JE RK 15-1907
C/16/603611 / FO RK 25-1538
Datum uitspraak: 16 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken, verlenging van de ondertoezichtstelling, wijziging van de gecertificeerde instelling en benoeming van een bijzondere curator
in de zaken met nummers C/16/602340 / JE RK 25-1695 en C/16/604270 / JE RK 15-1907 van:
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
en in de zaak met nummer C/16/603611 / FO RK 25-1538 van:
[moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H.E. Brokers-Van Dijk,
tegen
[vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. A.D.J. van Ruyven.
In deze zaken zijn alle partijen over en weer belanghebbende.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
C/16/602340 / JE RK 25-1695
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 11 november 2025.
C/16/603611 / FO RK 25-1538
het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 4 december 2025;
het verweerschrift van de vader, ontvangen op 15 december 2025.
C/16/604270 / JE RK 15-1907
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 17 december 2025.
De vader heeft de kinderrechter verzocht om de behandeling van het verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten, aan te houden. De kinderrechter heeft dit verzoek toegewezen en de behandeling op voorhand aangehouden. De verzoeken van de vader die gaan over het gezag en de informatieregeling hangen met dit verzoek van de moeder samen en de behandeling daarvan is daarom ook op voorhand aangehouden.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
[A] , een vertegenwoordiger van de GI;
[B] , een vertegenwoordiger van de Raad.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Aan het einde van de zitting heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van deze beslissing.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
Bij beschikking van 6 januari 2021 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van Samen Veilig Midden Nederland. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 6 januari 2026.
Bij beschikking van 20 december 2022 heeft de kinderrechter de zorgregeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de vader geschorst met ingang van 20 december 2022 voor de duur van twee weken, tot 3 januari 2023.
Bij beschikking van 30 december 2022 heeft de kinderrechter de door de rechtbank Almelo op 30 april 2019 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd in die zin dat de moeder de volledige zorg draagt en er onbegeleide omgang tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] plaatsvindt, op een neutrale plek zonder de aanwezigheid van anderen, zolang de GI dat in bet belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig vindt en waarbij een uitbreiding in vorm, frequentie en duur nader in te vullen en op te bouwen is door de GI.
De kinderrechter heeft hierna bij beschikking van 5 juli 2023 de zorgregeling tussen de kinderen en de vader geschorst en heeft bepaald dat de GI de volledige regie heeft over het proces van contactherstel tussen de kinderen en de vader, in die zin dat de GI de frequentie, duur en vorm van het contact bepaalt.
3. De verzoeken
De GI verzoekt de door de kinderrechter op 5 juli 2023 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in die zin dat er geen omgangsregeling meer tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geldt en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarnaast verzoekt de GI om de ondertoezichtstelling voor een periode van 2 maanden te verlengen.
De moeder verzoekt de rechtbank om de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen.
De vader voert verweer tegen het verzoek van de GI tot wijziging van de omgangsregeling en verzoekt de kinderrechter om het verzoek af te wijzen. Verder verzoekt de vader om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van twaalf maanden. Daarbij verzoekt de vader om de uitvoering van de ondertoezichtstelling met ingang van de nieuwe termijn op te dragen aan de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering of een andere instelling. Ook verzoekt de vader (subsidiair) om een bijzondere curator te benoemen op grond van artikel 1:250 BW.
4. De standpunten
De moeder is het eens met de wijziging van de zorgregeling. De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder verzoekt de verzoeken van de vader voor het overige af te wijzen.
De vader is het niet eens met de wijziging van de zorgregeling. Daarnaast is de vader van mening dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd voor de duur van twaalf maanden, en dat de uitvoering daarvan overgedragen moet worden aan een andere GI.
5. De beoordeling
De beslissing
De kinderrechter wijzigt de eerder vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat er geen omgang meer zal zijn tussen de vader en de kinderen. De kinderrechter wijst daarnaast het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van twee maanden toe. De kinderrechter wijst de verzoeken van de vader, om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van twaalf maanden en om de uitvoering van de ondertoezichtstelling over te dragen aan een andere GI, af. Ook wijst de kinderrechter het verzoek van de vader om een bijzondere curator te benoemen af.
Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissingen neemt.
Verzoek van de GI: Wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De kinderrechter wijst het verzoek van de GI toe. Dat betekent dat er geen omgangsregeling meer geldt tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is.
De toelichting
In 2024 en 2025 heeft het NIFP onderzoek gedaan naar de gezinssituatie van beide ouders. Het NIFP-onderzoek is in juli 2025 afgerond. In het rapport wordt geadviseerd om op dit moment geen zorgregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De jongens ervaren op dit moment relatieve rust en willen geen contact met hun vader. Het NIFP stelt dat zolang het de ouders niet lukt om hun gevoelens ten aanzien van elkaar te neutraliseren, contactherstel nog niet aan de orde is.
Het NIFP schrijft het volgende over het gedrag van de ouders:
“Geen van de betrokken ouders heeft (voldoende) besef van en oog voor het effect van het eigen aandeel in de conflicten met de ander(en) en het effect van de beschuldigingen en woede naar elkaar op het welzijn van de kinderen. Zij zien zichzelf als slachtoffer van (de) ander(en) en realiseren zich niet of onvoldoende dat zij elkaar spiegelen en op dezelfde wijze en van dezelfde aspecten de schuld geven. Ze zijn overmatig gericht op wat de ander doet en welk nadelig effect zij daar zelf van ondervinden. Met hun houding, gedrag en gehanteerde uitgangspunten berokkenen alle ouders schade aan de kinderen. Ze hebben geen of (zeer) weinig oog voor het negatieve effect dat hun eigen beschuldigingen aan het adres van de ander in het verleden, nu en toekomst op de kinderen heeft en hoe het hun ontwikkeling en relatie met de andere ouder beïnvloedt.”
De situatie die is ontstaan is volledig te wijten aan beide ouders en de kinderen zijn hier al jarenlang het slachtoffer van. Nadat er zeven jaar verschillende hulpverlening is ingezet, is het de kinderrechter nu duidelijk dat de situatie tussen de ouders niet meer gaat veranderen door een interventie van (weer) een andere hulpverlenende instantie. Het is niet meer in het belang van de kinderen om weer contactherstel op gang te brengen. Ook de Raad heeft tijdens de zitting geadviseerd om de zorgregeling stop te zetten. Volgens de Raad hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nu juist rust nodig om aandacht te kunnen geven aan hun identiteitsontwikkeling, sociale ontwikkeling en emotionele ontwikkeling. Van belang is dat nu de wensen (van met name [minderjarige 1] ) gerespecteerd worden. Zij hebben beiden aangegeven dat zij geen behoefte hebben aan contactherstel. Het is nu belangrijk dat het stressniveau van [minderjarige 1] daalt zodat hij zich goed kan ontwikkelen. Alle onrust die [minderjarige 1] nu ervaart, zal hij negatief linken aan zijn vader en dat zal het beeld van zijn vader niet positief veranderen. De kinderrechter hoopt dat de rust ervoor zal zorgen dat de kinderen uiteindelijk uit zichzelf nieuwsgierig worden naar hun vader en dat zij dan zelf de stap naar contact zullen zetten. Het is dan aan de moeder om open te staan voor deze wens van de kinderen en om hen hierin te ondersteunen.
De kinderrechter begrijpt dat deze situatie heel erg verdrietig is voor de vader, maar het belang van de kinderen staat voorop. De kinderrechter ziet ook dat deze beslissing niet zonder risico’s is gelet op onder meer de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hun vader is immers ook onderdeel van wie zij zijn. Als de kinderen last krijgen van deze situatie, is het aan de moeder om dit te signaleren, hen te helpen en om zo nodig hulp in te schakelen.
Verzoek van de moeder: wijziging van de zorgregeling
De kinderrechter wijst het verzoek van de moeder om wijziging van de zorgregeling af. Omdat de kinderrechter al een beslissing heeft genomen op het verzoek van de GI over de wijziging van de zorgregeling, heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoek. Op grond van artikel 1:253a, tweede lid, onder a, BW dan wel artikel 1:377a, tweede lid, BW loopt deze regeling immers door, ook als besloten mocht worden dat de ondertoezichtstelling moet eindigen.
Verzoek van de vader: verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden en wijziging van de GI,
en;
verzoek van de GI: verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van twee maanden.
De kinderrechter wijst de verzoeken van de vader af en het verzoek van de GI toe. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt verlengd voor de duur van twee maanden, dus tot 6 maart 2026. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissingen neemt.
Wettelijk kader
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 BW de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft. Als deze gecertificeerde instelling niet tot een verzoek overgaat, is een ouder ook bevoegd tot het doen van een verzoek.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:259 BW de gecertificeerde instelling die belast is met de ondertoezichtstelling over de minderjarige vervangen door een andere gecertificeerde instelling. Als de gecertificeerde instelling niet overgaat tot een verzoek tot wijziging, is ook de met gezag belaste ouder bevoegd tot het doen van een verzoek.
De toelichting
De vader heeft een verlenging van de ondertoezichtstelling verzocht, en daarbij gevraagd om een andere GI aan te wijzen om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Uit het rapport van het NIFP blijkt volgens de vader dat de werkrelatie met de huidige jeugdbeschermer ernstig verstoord is waardoor starten met een schone lei, dat wil zeggen een andere GI, van belang is. De GI is van plan om de ondertoezichtstelling af te sluiten. Op de zitting heeft de GI op advies van de Raad verzocht om een verlenging voor de duur van twee maanden omdat hierdoor de toetsingstafel over het voornemen tot beëindigen van de ondertoezichtstelling afgewacht kan worden. De GI denkt dat het aanstellen van een nieuwe jeugdbeschermer geen nut heeft omdat het de strijd bij de ouders enkel zal doen oplaaien.
De kinderrechter is het eens met de Raad en de GI dat het belangrijk is om, voor een beslissing volgt over het einde van de ondertoezichtstelling, eerst de toetsing van de Raad af te wachten en verlengt daarom de ondertoezichtstelling tot 6 maart 2026.
De kinderrechter vindt het niet in belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om van GI te wisselen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten dan weer opnieuw kennismaken met een andere jeugdbeschermer. Dat zou betekenen dat zij alles wat er gebeurd is en wat zij vinden en voelen weer van voor af aan moeten vertellen aan iemand die zij nog niet kennen. Dat is niet in hun belang. De kinderrechter weegt hierbij ook de reactie van [minderjarige 1] tijdens het kindgesprek mee. Tijdens het gesprek raakte [minderjarige 1] van slag bij het idee dat hij weer opnieuw zijn verhaal moet doen en dat hij in zijn beleving weer opnieuw iemand moet gaan overtuigen van zijn verhaal. Daarbij is hij bang dat hij weer te horen krijgt dat het aan hem ligt. De kinderrechter gunt [minderjarige 1] rust en vindt het niet in zijn belang om een andere GI aan te wijzen.
De vader stelt dat een nieuwe GI vooral nodig is om het contactherstel in goede banen te leiden. Hieruit volgt dat de vader nog steeds niet onderkent dat voor aan contactherstel zelfs maar toegekomen kan worden, eerst de ouders moeten veranderen. Dat standpunt volgt duidelijk uit het rapport van het NIFP. Zoals de kinderrechter hierboven al heeft uitgelegd, ligt het probleem niet bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het probleem ligt bij de ouders. Een nieuwe GI zou daarom (opnieuw) aan de slag moeten gaan met de ouders, maar de kinderrechter verwacht na zeven jaar aan intensieve hulpverlening niet dat in de situatie tussen en bij de ouders nog verandering aangebracht kan worden.
Verzoek van de vader: benoeming van een bijzondere curator
De kinderrechter wijst het verzoek van de vader tot benoeming van een bijzondere curator af. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
De vader heeft de kinderrechter (subsidiair) verzocht om een bijzondere curator te benoemen. De vader vindt dat de bijzondere curator moet toezien op de uitvoering van het gezag en de informatieplicht, bindend moet adviseren of beslissen als de ouders het oneens zijn over een gezagskwestie en monitoren of er sprake is van sabotage door de vader, dan wel uitsluiting door de moeder.
Deze door de vader geformuleerde opdracht gaat de taakomschrijving en de geldelijke vergoeding die een bijzondere curator ontvangt voor zijn of haar werkzaamheden ver te buiten. De kinderrechter is het eens met de vader dat het belangrijk is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun stem kunnen laten horen, maar ziet dat zij die al op verschillende manieren hebben kunnen laten horen, zowel bij de GI als bij de onderzoekers van het NIFP als bij de kinderrechter.
Behandeling van de overige verzoeken
De behandeling van de overige verzoeken van de moeder en de vader, over het eenhoofdig gezag en de informatieregeling, wordt aangehouden tot de zitting van 30 januari 2026. Als de toetsing van de Raad leidt tot een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, dan wordt dit verzoek ook op de zitting van 30 januari 2026 besproken.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Kindbrief
Tot slot vindt de kinderrechter het belangrijk om te laten weten dat aan [minderjarige 1] tegelijkertijd met de beschikking een brief is gestuurd, waarin de beslissing is uitgelegd. In deze brief is het volgende opgenomen:
“Beste [minderjarige 1] ,
Op 16 december hebben wij met elkaar gepraat op de rechtbank. Ik moest een beslissing nemen op het verzoek van de GI over de wijziging van de zorgregeling tussen jou en je broer en je vader. Ook moest ik een beslissing nemen op het verzoek van jouw vader over de verlenging van de ondertoezichtstelling en over de wijziging van de GI.
Op 16 december heb ik met de jeugdbeschermer, iemand van de Raad voor de Kinderbescherming en met jouw ouders en hun advocaten gepraat. Ik heb aan de mensen die er waren verteld wat jij vindt van de situatie, zoals we dat aan het einde van ons gesprek met elkaar hadden afgesproken. Zij hebben verteld hoe zij er tegenaan kijken.
Na de zitting heb ik jou een e-mail gestuurd met mijn beslissing, zoals we dat in ons gesprek hadden afgesproken. We spraken ook af dat ik je op een later moment nog een uitleg zou sturen over waarom ik deze beslissing heb genomen. Daarom schrijf ik je nu deze brief.
Zoals je weet, heb ik beslist dat er geen omgangsregeling meer vastligt tussen jou en je broer en jullie vader. Het NIFP heeft onderzoek gedaan naar het gezin van jouw vader en jouw moeder. Uit dat onderzoek is de conclusie gekomen dat het op dit moment niet in jullie belang is om contact te hebben met jullie vader. Jij en je broertje hebben mij ook duidelijk verteld dat jullie op dit moment geen behoefte hebben aan contact met jullie vader. Ik vind het belangrijk dat jullie rust gaan krijgen en dat jullie wens om geen contact te hebben wordt gerespecteerd. Mogelijk voel jij in de toekomst, nadat je meer rust hebt gehad, meer ruimte om wel weer contact te hebben met je vader. Als dat zo is dan kun je dat aangeven aan je moeder. Ik heb met haar besproken dat zij dan met jou samen moet kijken wat je het beste kunt doen.
Ik heb het verzoek van jouw vader om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van 12 maanden en om daarbij de GI te wijzigen afgewezen. Ik vind het niet in jullie belang om weer opnieuw kennis te moeten maken met een nieuwe jeugdbeschermer. In ons gesprek gaf jij duidelijk aan dat jij het niet fijn vindt om weer een nieuw persoon te moeten overtuigen van jouw verhaal. Jij bent bang dat er, zoals in het verleden is gebeurd met vorige jeugdbeschermers, niet goed naar jouw mening wordt geluisterd. Ik heb dit zeker meegewogen in mijn beslissing. Ik gun jou rust en vind het niet in jouw belang dat er weer een andere jeugdbeschermer komt.
Ik heb wel het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van 2 maanden toegewezen. Dat betekent dat de jeugdbeschermer, mevrouw [A] , nog in ieder geval tot 6 maart 2026 bij jullie gezin betrokken blijft. Ik heb dit verzoek toegewezen, omdat de Raad voor de Kinderbescherming nog moet toetsen of de ondertoezichtstelling beëindigd kan worden. Ik vind het belangrijk dat de Raad hier ook naar kijkt voor er iets verandert.
Tijdens ons gesprek heb ik je al verteld dat het verzoek van jouw moeder om met het eenhoofdig gezag over jou en je broertje belast te worden en het verzoek van jouw vader om informatie over jullie te krijgen op een ander moment behandeld worden. In mijn brief schreef ik je al dat deze verzoeken op de zitting van 30 januari 2026 behandeld gaan worden. Ik heb van jou inmiddels begrepen dat jij voor die zitting graag nog een keer met mij wilt praten. Jij hebt hiervoor als het goed is al een uitnodiging gekregen.
Ik hoop dat ik duidelijk heb uitgelegd waarom ik deze beslissing heb genomen. En ik wens jou in de tussentijd veel succes op school.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt dat er geen zorgregeling geldt tussen vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 6 maart 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing over het eenhoofdig gezag en de informatieregeling aan en roept de GI, de Raad, de vader en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van mr. R.M. Maliepaard van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, in het gerechtsgebouw aan Vrouwe Justitiaplein 1 te Utrecht, op 30 januari 2026 te 11:00 uur;
wijst alle overige verzoeken van de vader en de moeder af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 9 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.