[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
(gemachtigde: mr. C. Ligthart).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen het verkeersbesluit inhoudende de aanwijzing van twee parkeerplaatsen aan de [straat] (ter hoogte van de zijgevel van [adres] ) in [plaats] als parkeergelegenheid uitsluitend te gebruiken voor het opladen van elektrische voertuigen.
Met het bestreden besluit van 16 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de twee parkeerplaatsen aan de [straat] mag aanwijzen als parkeergelegenheid uitsluitend te gebruiken voor het opladen van elektrische voertuigen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Het college heeft bij besluit van 16 augustus 2024 de verkeersmaatregel vastgesteld waarbij twee parkeerplaatsen zijn aangewezen uitsluitend bestemd voor het opladen van elektrische voertuigen (bord E8c, volgens bijlage I van het RVV 1990) met onderbord OB504 in de [straat] , ter hoogte van zijgevel [adres] .
3. Eiseres is het hier niet mee eens en voert – samengevat – aan dat er in de straat al beperkt parkeerplekken zijn en dat er met dit verkeersbesluit nog twee parkeerplaatsen worden weggehaald. De parkeerplaatsen waar ze met haar betaalde parkeervergunning gebruik van kan maken, worden nog verder verminderd. Ook vindt eiseres dat het college de noodzaak om deze twee parkeerplaatsen aan te wijzen onvoldoende heeft onderbouwd. Het is haar niet duidelijk waarom het noodzakelijk is dat bestelverkeer en taxi's in haar straat zouden moeten komen laden. Ook is het niet duidelijk waarom een parkeerverbod voor andere (dan elektrische) auto’s nodig zou zijn. Daarbij geeft eiseres aan dat vrijwel iedereen in de straat niet op deze twee parkeerplaatsen parkeert, tenzij er in het vergunningsgebied geen andere parkeerplaatsen beschikbaar zijn.
4. Het college heeft beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen genoemd in de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994). Het college moet dit naar behoren motiveren. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld welke verkeersbelangen naar zijn oordeel bij het besluit moeten worden betrokken, moet het die belangen tegen elkaar afwegen. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
5. Het college heeft aan het verkeersbesluit van 16 augustus 2024 onder andere ten grondslag gelegd: het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik (artikel 2, tweede lid, onder a, van de Wvw 1994. Het verkeersbesluit benoemt onder meer dat met het stimuleren van elektrisch (schoon) vervoer de leefbaarheid en luchtkwaliteit verbeterd wordt. Daarnaast staat in het verkeersbesluit dat door het plaatsen van de laadpaal voor één of meerdere elektrische auto’s er een verschuiving optreedt in de beschikbaarheid van het type parkeerplaats. Het aantal parkeerplaatsen blijft ongewijzigd. Verder wordt de weg minder bruikbaar voor algemeen gebruik, maar beter bruikbaar voor de elektrische autobezitter. De rechtbank acht dit niet onredelijk en het college heeft dit aan het verkeersbesluit ten grondslag mogen leggen.
6. De rechtbank zal hierna beoordelen of het college de betrokken belangen voldoende tegen elkaar heeft afgewogen. In het bestreden besluit heeft het college nader toegelicht – samengevat weergegeven – dat uit het beleidsplan ‘Actieplan Schoon vervoer (2015-2020) en het Strategisch laadinfrastructuur ‘Utrecht laadt op voor 2023’ volgt dat er wordt gestreefd naar schoner verkeer in de toekomst. Om aan het groeiende aantal elektrische auto's in de stad te voldoen, worden er ongeveer 30 laadpalen per maand geplaatst. Er worden ook soms meer laadpalen geplaatst dan volgens de huidige bezettingsgraad nodig is, zodat er een buffer is om in de toekomst aan de vraag te kunnen voldoen. Daarnaast is de parkeerdruk geen criterium meer bij het plaatsen van laadpalen omdat er anders te weinig laadpalen geplaatst kunnen worden. Door het verkeersbesluit verandert de beschikbaarheid van het type parkeerplaats. Het totale aantal parkeerplaatsen blijft hetzelfde. Dat de parkeerplek niet meer voor iedereen beschikbaar is, betekent niet dat er parkeerplekken verdwijnen. Op de zitting licht het college verder nog toe dat zij het van belang vindt dat er optimaal gebruik gemaakt moet kunnen worden van de laadpalen. Daarom is het nodig om met dit verkeersbesluit de parkeerplaatsen uitsluitend te laten gebruiken voor het opladen van elektrische voertuigen.
7. De rechtbank vindt de toelichting van het college waarom er laadpalen nodig zijn op deze locatie en dat deze parkeerplaatsen uitsluitend gebruikt mogen worden voor het opladen van elektrische auto’s voldoende. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat het college een ruime beoordelings- en beleidsruimte heeft waar het gaat over dergelijke verkeersbesluiten. Het college mag bepalen dat zij het belangrijk vindt dat de laadpalen optimaal worden gebruikt door elektrische voettuigen en daarom dit verkeersbesluit nemen. Eiseres ondervindt daarvan weliswaar nadeel, omdat er in haar vergunningsgebied minder reguliere parkeerplaatsen beschikbaar zijn, maar dit nadeel is niet onevenredig groot ten opzichte van het (algemene) doel dat met het verkeersbesluit wordt gediend, omdat niet is gebleken dat eiseres geen gebruik meer zou kunnen maken van haar parkeervergunning. Gelet op het hiervoor weergegeven kader, is het geen vereiste dat het college aantoont dat het nu (al) noodzakelijk is om het verkeersbesluit te nemen. Het is redelijk dat het college wil voorkomen dat er te weinig laadpalen beschikbaar zijn, juist omdat het college elektrisch rijden wil stimuleren.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.E. Pruntel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.