[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. G.A. Verhoeven),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere
(gemachtigde: mr. J.H.S. Biervliet en K.K. Bahora).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een urgentieverklaring op sociale gronden vanwege een relatiebeëindiging.
Het college heeft de aanvraag met het besluit van 4 november 2024 afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de (algemene) voorwaarden voor urgentieverlening zoals vermeld in de Huisvestingsverordening Almere 2019 (de Huisvestingsverordening). Met het bestreden besluit van 28 april 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Is er sprake van spoedeisend belang?
1. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81 van de Awb een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Volgens het college is er geen sprake van onverwijlde spoed omdat eiser en zijn dochter van zes jaar niet dakloos zijn omdat zij op meerdere adressen bij vrienden en familie kunnen verblijven.
3. De voorzieningenrechter ziet voldoende spoedeisend belang. Gebleken is dat eiser en zijn dochtertje wisselend op verschillende adressen verblijven. Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 14 oktober 2024, volgt dat zij veel baat heeft bij stabiliteit, en dus bij een vaste woning. Gelet op dit rapport speelt bij de dochter van eiser, waarvoor hij op dit moment alleen de zorg draagt, meer dan ‘gemiddeld’. Dat maakt dat er spoed is bij het verkrijgen van duidelijkheid over de woonsituatie. De voorzieningenrechter zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.
Voldoet eiser aan de algemene voorwaarden uit de Huisvestingsverordening?
4. De voorzieningenrechter beoordeelt vervolgens of het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren eiser een urgentieverklaring te verlenen. Hij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat niet voldaan is aan de algemene voorwaarde dat eiser er alles aan heeft gedaan om het probleem op te lossen; andere oplossingen niet mogelijk of uitgeput zijn. Daarbij vindt het college gelet op het bestreden besluit het volgende van belang. Uit de bij de urgentieaanvraag overgelegde stukken blijkt dat de overwaarde van de verkoop van de voormalig gezamenlijke woning 50/50 verdeeld is en dat eiser een bedrag van € 147.034,12 heeft gekregen. Eiser heeft ervoor gekozen om de helft van de overwaarde, onder andere, te gebruiken voor het opstarten van een kapperszaak. Ook heeft hij ervoor gekozen om schulden bij familie en vrienden af te lossen. Daarnaast is gebleken dat eiser en zijn dochter inwonend zijn bij familie in [plaats] . Volgens het college zijn er andere mogelijkheden om het woonprobleem op te lossen. Daarbij geeft het college eiser mee om het zoekgebied voor het vinden van een passende woning te verruimen. Verder ziet het college geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.
4. Eiser betwist dat woningzoekenden in zijn situatie een andere oplossing kunnen
vinden. Met zijn huidige inkomen zijn er voor eiser geen andere oplossingen. De particuliere woningmarkt, een hotelkamer en een recreatiewoning voor zijn voor eiser als alleenstaande vader met een minimuminkomen geen oplossing. In anti-kraak, anti-sloop of onzelfstandige kamers worden kinderen niet toegestaan. Ook de verruiming van het zoekgebied is geen redelijke oplossing. Eiser en zijn dochter zijn geboren en getogen in [plaats] . De dochter van eiser gaat naar basisschool in [plaats] . De Raad voor de Kinderbescherming overweegt in haar rapport dat eisers dochter moet opgroeien in haar vertrouwde omgeving. De gehele familie en sociale kring van eiser woont in [plaats] . Bovendien is in geen regio in Nederland de druk op de woningmarkt zo klein dat eiser binnen een redelijk termijn een woning kan vinden.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het college werpt aan eiser tegen dat hij er niet zelf alles aan heeft gedaan om zijn woonprobleem op te lossen. Uit het bestreden besluit volgt echter niet duidelijk wat eiser concreet had moeten doen om zijn woonprobleem zelf op te lossen. In het bestreden besluit wordt voornamelijk verwezen naar de overwaarde die eiser zou hebben ontvangen na de verkoop van de woning en het mogelijk uitbreiden van het zoekgebied. Uit het bestreden besluit wordt echter niet duidelijk wat de conclusie is van het college over wat eiser had moeten doen met die overwaarde en of dat dan een redelijke mogelijkheid is. Over het uitbreiden van het zoekgebied heeft het college ter zitting duidelijk gemaakt dat de afwijzing op grond van artikel 11, vierde lid aanhef en onder f daar niet op is gebaseerd. Omdat het college de toepassing van de afwijzingsgrond onvoldoende heeft gemotiveerd, kan het bestreden besluit niet in stand blijven en is het beroep gegrond.
6. Desgevraagd heeft het college op de zitting ook niet duidelijk kunnen toelichten wat eiser had moeten doen om zelf zijn woonprobleem op te lossen. Wel is aangevoerd dat eiser de overwaarde had moeten gebruiken om zelf een andere woning te huren of kopen. Het college heeft echter niet gereageerd op hetgeen eiser daarover heeft aangevoerd in bezwaar en ter zitting, kort gezegd inhoudende dat hij een groot deel van de overwaarde moest gebruiken om schulden af te lossen en dat het restant onvoldoende was om een woning mee aan te schaffen. Daarnaast was zijn inkomen onvoldoende om in de particuliere sector te huren, nu verhuurders naar inkomen kijken en niet naar vermogen. Gelet hierop kunnen de rechtsgevolgen niet in stand blijven met de aanvullende motivering die het college ter zitting heeft gegeven.
7. Verder komt op de zitting voor het eerst naar voren dat het college zich tevens op het standpunt stelt dat eiser de woning die hij met zijn ex-partner bezat, had moeten proberen te behouden en dat dit volgens het college financieel mogelijk had moeten zijn voor eiser. Dit lijkt meer te zien op de algemene voorwaarde dat eiser de situatie niet zelf veroorzaakt of had deze niet kunnen voorkomen en is niet in het bestreden besluit ten grondslag gelegd aan de afwijzing. Ter zitting heeft eiser gemotiveerd uiteen gezet waarom het voor hem niet mogelijk was zijn ex-partner uit te komen, omdat het een nieuwe motivering betreft heeft eiser dat niet direct met stukken kunnen onderbouwen. Bij deze stand van zaken kunnen ook met deze nieuwe afwijzingsgrond de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand worden gelaten.
8. Ook wijdt het college in het besteden besluit een passage aan het vinden van een woning buiten de regio [plaats] . Dit terwijl uit de stukken naar voren komt dat het in het belang is van eisers dochter dat zij juist nu een vertrouwde omgeving heeft. Op de zitting is door het college aangevoerd dat het zoeken buiten de regio slechts een suggestie is en het niet aan eiser wordt tegengeworpen, maar ook is door het college aangevoerd dat het wel meeweegt bij de beoordeling van de hardheidsclausule. Dat dit bij de beoordeling van de hardheidsclausule een rol heeft gespeeld, volgt echter niet uit het bestreden besluit. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat het zoeken naar een woning buiten de eigen regio niet aan eiser kan worden tegengeworpen, niet in het licht van de algemene weigeringsgronden, maar ook niet in het kader van de hardheidsclausule. Eiser en zijn dochter hebben een sterke binding met de gemeente [.] en het zou niet goed zijn voor de dochter van eiser wanneer zij uit haar vertrouwde omgeving moet vertrekken. Ook op dit punt is het bestreden besluit dus onvoldoende gemotiveerd.
9. In meer algemene zin heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd waarom de hardheidsclausule in het geval van eiser niet kan worden toegepast. Het college heeft in het bestreden besluit weliswaar rekening gehouden met het gegeven dat eiser een jonge dochter heeft, maar onduidelijk is in hoeverre de specifieke en kwetsbare situatie van de dochter, zoals volgt uit een overgelegd rapport en andere stukken, in dit concrete geval is betrokken bij de beoordeling.
10. Ondanks de gebrekkige motivering van het bestreden besluit door het college ziet de voorzieningenrechter in het dossier niet wat eiser wél heeft geprobeerd om aan een woning te komen in [plaats] . Enkel stukken aanleveren van woningcorporaties waaruit volgt dat er een inkomenseis is voor bepaalde woningen, is onvoldoende. Het is weliswaar moeilijk om een particuliere betaalbare (huur)woning te bemachtigen in [plaats] maar dat betekent niet dat eiser het niet kan proberen. Uit het rapport van de Raad van de Kinderbescherming komt naar voren dat eiser, sinds de relatie beëindiging, geen ander mogelijkheden heeft onderzocht dan het verkopen van de woning en dan een urgentieverklaring te vragen.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit. Het college zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter stelt hiervoor een termijn van zes weken.
Ondanks deze beslissing, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Immers, als de door eiser gevraagde voorziening wordt toegewezen, is dat eigenlijk geen voorlopige maatregel. Eiser zou met (voorlopige) urgentieverklaring namelijk een huurovereenkomst gesloten kunnen worden en eiser zou in een sociale huurwoning kunnen gaan wonen. Als het college met het nieuwe besluit wederom het bezwaar van eiser ongegrond verklaart, is die woonsituatie echter mogelijk feitelijk onomkeerbaar. Andere woningzoekenden worden daardoor dan benadeeld. De voorzieningenrechter zal daarom in een zaak als deze alleen een voorlopige voorziening treffen als nagenoeg zonder twijfel kan worden gezegd dat urgentie moet worden verleend. De voorlopige voorzieningenrechter vindt dat aan deze maatstaf vooralsnog niet is voldaan. Daar komt bij dat de belangen van eiser weliswaar groot zijn, maar het niet zo is dat hij en zijn dochtertje op korte termijn op straat komen te staan.
Omdat beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 388,- (€ 194,- + € 194,-) aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2025.
de griffier is niet in de
gelegenheid om de uitspraak
te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.