RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/034435-23 (P)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudig kamer van 19 juni 2025
in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres:
[adres] , [postcode] in [plaats] ,
hierna: de verdachte.
1. ZITTING
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 5 juni 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
2. TENLASTELEGGING
De officier van justitie beschuldigt de verdachte er samengevat van dat hij:
feit 1:
op 28 januari 2023 in Rhenen als beginnend bestuurder een auto heeft bestuurd, terwijl hij onder invloed was van alcohol;
feit 2:
primair:
op 28 januari 2023 in Rhenen als beginnend bestuurder van een auto een verkeersongeval heeft veroorzaakt door, terwijl hij onder invloed reed, ongeveer 30 kilometer per uur te hard te rijden, afgeleid te raken, met zijn auto deels de berm in te rijden en vervolgens een zó krachtige stuurbeweging te maken dat hij de controle over zijn auto verloor en hierdoor tegen een boom is gebotst, waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (zwaar) lichamelijk letsel hebben opgelopen;
subsidiair
op 28 januari 2023 in Rhenen als bestuurder van een auto op de hiervoor beschreven manier zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden en waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel kon ontstaan;
meer subsidiair:
op 28 januari 2023 in Rhenen als bestuurder van een auto gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.
3. BEWIJS EN DE BEWEZENVERKLARING
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2, primair, van de beschuldiging heeft gepleegd.
Voor de mate van schuld van de verdachte aan het verkeersongeluk (feit 2) gaat de officier van justitie uit van de categorie ‘zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag’. Daarnaast vindt zij dat het letsel van de slachtoffers moet worden gezien als ‘zwaar lichamelijk letsel’.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen bewijsverweer gevoerd en heeft de beoordeling van het bewijs aan de rechtbank overgelaten.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De verdachte heeft bekend dat hij feit 1 en feit 2 van de beschuldiging heeft gepleegd, zoals deze onder 3.4 bewezen zijn verklaard. Door de advocaat is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de door haar gebruikte bewijsmiddelen.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen hieronder worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan:
de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 5 juni 2025 wat betreft feit 1 en feit 2;
een proces-verbaal van rijden onder invloed, inclusief bijlage uitslag van de ademanalyse;
- een proces-verbaal van forensisch onderzoek;
- een letselverklaring over het letsel van [slachtoffer 2];
- een letselverklaring over het letsel van [slachtoffer 1];
- een proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 1] .
Bewijsoverweging feit 2, primair
Het eenzijdige verkeersongeval op 28 januari 2023
Op grond van het dossier en wat er tijdens de zitting is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 28 januari 2023 heeft er rond 02:30 uur op de [straat] in Rhenen een eenzijdig ongeval plaatsgevonden, waarbij een door de verdachte bestuurde auto tegen een boom is gebotst. Door deze botsing hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] letsel opgelopen.
Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, maar uit het forensisch onderzoek blijkt dat de verdachte vlak voor het ongeval 110 kilometer per uur reed. Na het ongeval kwam de politie ter plaatse en heeft de verdachte meegewerkt aan een ademanalyseonderzoek. Uit dit onderzoek bleek dat de verdachte een hoeveelheid van 685 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht in zijn bloed had. Dit is bijna acht keer de toegestane hoeveelheid. Verdachte was een beginnend bestuurder en volgens de wet mag het alcoholgehalte in het bloed bij beginnende bestuurders niet hoger zijn dan 88 microgram per liter.
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij die avond met twee vrienden in de auto is gestapt, nadat hij meerdere glazen alcohol had gedronken in de kroeg. Tijdens het rijden raakte hij afgeleid door een telefoon die was gevallen en die hij probeerde te zoeken. Toen zou hij met twee banden in de berm zijn gereden. Omdat zijn bijrijder vervolgens riep dat hij moest uitkijken, gaf de verdachte naar eigen zeggen een ruk aan het stuur, waarna hij de macht over het stuur kwijt raakte en tegen een boom botste.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden
De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden, is of de verdachte schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (WVW) heeft gehad aan het ongeval. Voor de beantwoording van deze vraag moet volgens de rechtspraak van de Hoge Raad worden gekeken naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en naar de overige omstandigheden van het geval. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën van schuld, namelijk aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend, zeer onvoorzichtig of onoplettend en roekeloos rijgedrag. Roekeloosheid is de zwaarste vorm van schuld.
Bij de beoordeling van de mate van schuld die de verdachte aan het verkeersongeval heeft, zijn de vastgestelde feiten en omstandigheden van belang.
De verdachte is als beginnend bestuurder na het gebruik van alcohol in zijn auto gestapt. Het is een feit van algemene bekendheid dat de rijvaardigheid negatief wordt beïnvloed na het gebruik van alcohol. Door na gebruik van alcohol de auto in te stappen, heeft de verdachte zichzelf (opzettelijk) in een toestand gebracht waarin hij feitelijk niet meer in staat was de auto te besturen. De verdachte reed onder invloed van bijna acht keer de toegestane hoeveelheid alcohol. Daar komt bij dat de verdachte, terwijl het donker was, harder reed dan ter plaatse was toegestaan en zijn aandacht niet op de weg heeft gehouden doordat hij tijdens het rijden een telefoon probeerde te zoeken die was gevallen in de auto.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met deze combinatie van gedragingen zonder meer zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.
De verdachte wordt vrijgesproken van roekeloos rijgedrag
Roekeloosheid is de zwaarste gradatie van schuld. Hiervan is sprake als iemand zich buitengewoon onvoorzichtig heeft gedragen waardoor een zeer ernstig gevaar is ontstaan, en hij zich daarvan ook bewust was of had moeten zijn. Om vast te stellen dat sprake is van roekeloos rijgedrag, is onder andere nodig dat de verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden én dat hij dit opzettelijk heeft gedaan. Daarvan is sprake bij ernstig gevaarlijk verkeersgedrag, bijvoorbeeld het opzettelijk meerdere keren of voor langere tijd schenden van een of meerdere verkeersregels, waarbij het bewijs daarvoor moet worden afgeleid uit feiten en omstandigheden die wat kunnen zeggen over de algehele instelling van de verdachte over zijn deelname aan het verkeer in dit geval.
De rechtbank komt net als de officier van justitie tot het oordeel dat het rijgedrag van de verdachte deze juridische lat (net) niet haalt. Dat komt doordat niet kan worden vastgesteld hoe lang de snelheidsovertreding en het gevaarlijke rijgedrag van de verdachte hebben geduurd. Ook kan het afgeleid zijn op de weg in dit geval niet worden aangemerkt als het opzettelijk en in ernstige mate schenden van de verkeersregels. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van roekeloos rijgedrag.
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen
Beide slachtoffers hebben aan het ongeval letsel overgehouden. Bij de beoordeling of juridisch gezien sprake is van zwaar lichamelijk letsel zijn de ernst, de noodzaak en aard van (eventueel) medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel gezichtspunten die van belang zijn. Ook kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat volgens algemeen spraakgebruik zo kan worden genoemd.
[slachtoffer 2] heeft aan het ongeval longkneuzingen (longcontusie beiderzijds), een klaplong (apicale pneumothorax links en zeer minimaal rechts) en een gebroken dijbeen (femur fractuur rechts) overgehouden. Uit de letselverklaring van een traumachirurg blijkt dat hij dezelfde dag nog is geopereerd aan de breuk in zijn dijbeen. Vanwege de aard van het letsel en het feit dat medisch ingrijpen nodig was, komt de rechtbank tot het oordeel dat het letsel in juridische zin moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
[slachtoffer 1] heeft bij het ongeval longkneuzingen (longcontusie beiderzijds), klaplongen (pneumothorax beiderzijds), gebroken ribben (ribfracturen beiderzijds), een gebroken borstbeen (sternumfractuur), een buikwandbreuk (buikwandruptuur RC), meerdere darmletsels, een gescheurde milt (miltlaceratie) en een gescheurde nier (nierlaceratie) opgelopen. Ook heeft [slachtoffer 1] een zogeheten seatbelt sign over zijn buik en borstkas. Dat houdt in dat zich een verkleuring op de buik en borstkas bevindt wat kan duiden op ernstige letsels aan de interne organen als gevolg van de kracht die tijdens het ongeluk op de buik of borstkas is uitgeoefend door de veiligheidsgordel.
Dit letsel kan vanwege de aard van het letsel, maar ook naar algemeen spraakgebruik, worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1 op 28 januari 2023 te Rhenen als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 685 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven;
feit 2, primair op 28 januari 2023 te Rhenen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden door de aldaar toegestane maximumsnelheid te overschrijden met ongeveer 30 kilometer per uur, en hij door andere personen en/of losliggende voorwerpen afgeleid raakte en door met het door hem bestuurde motorrijtuig eerst (deels) de berm in te rijden en vervolgens een zó krachtige stuurbeweging te maken dat hij de controle over zijn motorrijtuig verloor en hierdoor tegen een boom is gebotst, waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten bij [slachtoffer 2] een long contusie beiderzijds, een apicale pneumothorax links en zeer minimaal rechts, en een 2-etage femur fractuur rechts en bij [slachtoffer 1] een seatbelt sign over buik en thorax, longcontusie beiderzijds, pneumothorax beiderzijds, ribfracturen beiderzijds, sternumfractuur, buikwandruptuur RC, meerdere darmletsels, miltlaceratie, nierlaceratie, werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994.
Het overige wat in de beschuldiging staat kan niet bewezen worden. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. KWALIFICATIE EN STRAFBAARHEID
Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
Overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (685 microgram)
Feit 2, primair
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. DE STRAF EN MAATREGEL
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
voor feit 1 en feit 2, primair
- een gevangenisstraf van een (1) maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van één (1) jaar;
- een taakstraf van 200 uur, te vervangen door 100 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
voor feit 2, primair
- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 365 dagen, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd of ingehouden is geweest, waarvan een gedeelte van 275 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van één (1) jaar.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte nog niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie. De verdachte is schuldbewust en geeft (vanaf het begin) openheid van zaken.
Daarnaast merkt de advocaat op dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met vijf maanden, en zij verzoekt de rechtbank om met deze termijnoverschrijding in het voordeel van de verdachte rekening te houden bij de strafoplegging.
Verder verzoekt de advocaat om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waarbij wordt benadrukt dat de verdachte niet alleen binnen het gezin, maar ook binnen het familiebedrijf een belangrijke en onmisbare rol vervult.
Gelet op deze omstandigheden verzoekt de advocaat om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar ook geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, omdat de verdachte zijn rijbewijs dagelijks nodig heeft voor de uitvoering van zijn werk in het familiebedrijf.
Een voorwaardelijke gevangenisstraf om te voorkomen dat de verdachte dit nog een keer zal doen, is niet passend, omdat de verdachte zich al volledig bewust is van de ernst van zijn fout en de afgelopen 2,5 jaar ook niet met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Volgens de advocaat zou een taakstraf van 160 uur passend zijn en een ontzegging van de rijbevoegdheid, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de periode dat de verdachte zijn rijbewijs al kwijt is geweest.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van deze straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een eenzijdig verkeersongeval door zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, waarbij twee vrienden van hem zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.
De verdachte was een beginnend bestuurder en is, ondanks dat hij bijna acht keer de toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken, in de auto gestapt en gaan rijden. Daarbij heeft hij twee vrienden met hem mee laten rijden. De verdachte reed op enig moment 30 kilometer per uur te hard, lette niet goed op de weg omdat hij tijdens het rijden een gevallen telefoon aan het zoeken was, is met twee banden in de berm gereden en is vervolgens na een krachtige stuurbeweging de macht over het stuur verloren en tegen een boom tot stilstand gekomen. Met dit rijgedrag heeft de verdachte de inzittenden en de verkeersveiligheid op onacceptabele wijze in gevaar gebracht. De verdachte en de inzittenden mogen van geluk spreken dat het niet (nog) erger is afgelopen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 6 mei 2025. Daarin staat dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Ook na dit verkeersongeval is de verdachte niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. De rechtbank weegt dit niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.
Strafoplegging
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van ‘ernstige schuld’, terwijl de verdachte in deze mate onder invloed is van alcohol en waarbij een slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaar als uitgangspunt genomen.
De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om in het voordeel van de verdachte van dit uitgangspunt af te wijken en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hierbij kijkt de rechtbank in het bijzonder naar de jonge leeftijd van de verdachte en het feit dat het om een eenzijdig verkeersongeval gaat, waarbij zijn vrienden gewond zijn geraakt en omdat hij vanaf het begin open kaart heeft gespeeld en zich heel erg bewust is van zijn schuld aan het ongeval.
Gelet op deze omstandigheden vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend, maar een forse taakstraf wel want de verdachte moet ook nu nog voelen dat hij een grote fout heeft gemaakt.
Vanwege de aard en de ernst van het strafbare feit is ook een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen (rijontzegging) op zijn plaats. De rechtbank heeft bij de oplegging van deze maatregel rekening gehouden met het feit dat het strafbare feit inmiddels al enige tijd geleden heeft plaatsgevonden en dat de redelijke termijn is overschreden. Dit betekent dat het te lang heeft geduurd voordat de strafzaak is behandeld. Als uitgangspunt geldt namelijk dat binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis moet worden gewezen. In deze zaak gaat de rechtbank uit van het moment waarop de verdachte is aangehouden als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen, namelijk 28 januari 2023. Tussen die datum en de datum van het vonnis ligt een periode van ongeveer 5 maanden die de redelijke termijn overschrijdt. De rechtbank zal daar in strafverminderende zin rekening mee houden.
Alles afwegende legt de rechtbank aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van twee maanden en met een proeftijd van twee jaar.
Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf op voor de duur van 240 uur. Als de verdachte de taakstraf niet (goed) uitvoert, wordt de straf vervangen door 120 dagen hechtenis.
Om de verkeersveiligheid te waarborgen en te bewerkstelligen dat de verdachte zich niet nogmaals schuldig zal maken aan verkeersdelicten, zal de rechtbank daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijvoertuigen te besturen opleggen. De rechtbank zal deze ontzegging, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, deels voorwaardelijk opleggen. De duur van het onvoorwaardelijke deel zal gelijk zijn aan de periode waarin de verdachte al zijn rijbewijs kwijt is geweest, met een proeftijd van twee jaar. Deze bijkomende straf wordt opgelegd met het doel om de verdachte (blijvend) te motiveren om voorzichtig en oplettend te zijn in het verkeer.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie en komt tot een hogere straf, omdat zij de ernst van het feit zwaarder laat wegen.
6. TOEGEPASTE WETSARTIKELEN
De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
7. DE BESLISSING
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 en 2, primair, van de beschuldiging heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2, primair, bewezenverklaarde;
straf en maatregel
- veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 en 2, primair tot een gevangenisstraf van 2 maanden;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 en 2 tot een taakstraf van 240 uur;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis;
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mr. L.C. Michon en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage: De tenlastelegging (de beschuldiging)
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 28 januari 2023 te Rhenen als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 685 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven;( art 8 lid 3 ahf/sub a onder 2° Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 3 ahf/sub a onder 3° Wegenverkeerswet 1994 )
2hij op of omstreeks 28 januari 2023 te Rhenen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk gevalzeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden door de aldaar toegestane maximumsnelheid te overschrijden met ongeveer 30 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en/ofhij (door andere personen en/of losliggende voorwerpen) afgeleid raakte en/of werd afgeleid en/of door met het door hem bestuurde motorrijtuig eerst (deels) de berm in te rijden en vervolgens een zó krachtige stuurbeweging te maken dat hij de controle over zijn motorrijtuig verloor en hierdoor tegen een boom is gebotst, waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten bij [slachtoffer 2] een long contusie beiderzijds, een apicale pneumothorax links en zeer minimaal rechts, en een 2-etage femur fractuur rechts en bij [slachtoffer 1] een seatbelt sign over buik en thorax, longcontusie beiderzijds, pneumothorax beiderzijds, ribfracturen beiderzijds, sternumfractuur, buikwandruptuur RC, meerdere darmletsels, miltlaceratie, nierlaceratie, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;( art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994, art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 januari 2023 te Rhenen, althans in Nederland als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [straat] , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door de aldaar toegestane maximumsnelheid te overschrijden met ongeveer 30 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en/of hij (door andere personen en/of losliggende voorwerpen) afgeleid raakte en/of werd en/of door met het door hem bestuurde motorrijtuig eerst (deels) de berm in te rijden en vervolgens een zó krachtige stuurbeweging naar links te maken dat hij de controle over zijn motorrijtuig verloor en hierdoor tegen een boom is gebotst, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was( art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 28 januari 2023 te Rhenen, althans in Nederland als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [straat] , de aldaar toegestane maximumsnelheid heeft overschreden met ongeveer 30 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en/of hij (door andere personen en/of losliggende voorwerpen) afgeleid raakte en/of werd en/of door met het door hem bestuurde motorrijtuig eerst (deels) de berm in te rijden en vervolgens een zó krachtige stuurbeweging naar links te maken dat hij de controle over zijn motorrijtuig verloor en hierdoor tegen een boom is gebotst, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )