ECLI:NL:RBMNE:2025:7440

ECLI:NL:RBMNE:2025:7440

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 24-09-2025
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 16/197233-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Eindvonnis na tussenvonnis (ECLI:NL:RBMNE:2025:454). Strafoplegging: 6 maanden jeugddetentie met aftrek en een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een proeftijd van 18 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats: Utrecht

Parketnummers: 16/197233-24; 16/207783-24; 16/162971-24 (t.t.z. gevoegd)

Tegenspraak

Eindvonnis van de meervoudige kamer van 24 september 2025 in de strafzaak van:

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] in [plaats] ,

hierna: [minderjarige] .

1. Zitting

De strafzaak van [minderjarige] is inhoudelijk behandeld op de besloten zittingen van 31 januari 2025 en 10 september 2025.

Op 14 februari 2025 heeft de rechtbank in deze strafzaak een tussenvonnis gewezen waarin alle zes de ten laste gelegde feiten (feit 1, 2 en 3 onder parketnummer 16/197233-24, feit 1 en 2 onder parketnummer 16/207883-24 en het feit onder parketnummer 16/162971-24) bewezen zijn verklaard. De rechtbank vindt bewezen dat [minderjarige] zich schuldig heeft gemaakt aan een overval op een supermarkt, heling en vernieling van een scooter, diefstal met braak uit een auto, het afplakken van de kentekenplaat van zijn snorfiets en overtreding van de leerplichtwet.

De overwegingen en de conclusies van de rechtbank in het tussenvonnis over het bewijs, de strafbaarheid van de feiten, de strafbaarheid van [minderjarige] en het beslag worden in dit eindvonnis als herhaald en ingelast beschouwd. Het tussenvonnis is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De rechtbank had onvoldoende informatie om tot een juiste en passende beslissing in het kader van de straftoemeting te komen. Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: SAVE) en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) adviseerden een voorwaardelijke maatregel tot Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ-maatregel) aan [minderjarige] op te leggen, terwijl de psycholoog – kort gezegd - een PIJ-maatregel nog niet aan de orde vond. In het tussenvonnis heeft de rechtbank het onderzoek heropend om een rapport van de psychiater af te wachten om zich te laten voorlichten over de op te leggen straf en/of maatregel. Daarnaast heeft de rechtbank de officier van justitie opgedragen om een reclasseringsrapport uit te laten brengen over hoe de schorsing van [minderjarige] in de tussentijd is verlopen.

De rechtbank heeft op de zitting van 10 september 2025 kennis genomen van de (nieuwe) vordering en standpunten van de officier van justitie: mr. M.L.L. Kalsbeek en van wat [minderjarige] en de advocaat van [minderjarige] , mr. D.C. van den Heuvel, hebben gezegd. Op deze zitting waren ook aanwezig:

In aanvulling op dat wat de rechtbank in het tussenvonnis heeft overwogen, overweegt zij het volgende.

2. Straf en maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat [minderjarige] wordt veroordeeld tot:

- een jeugddetentie van zes maanden, met aftrek van het voorarrest;

- een taakstraf van 20 uur, te vervangen door 10 dagen jeugddetentie voor het overtreden van de leerplichtwet;

- een geheel voorwaardelijke PIJ-maatregel, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad, met uitzondering van de voorwaarde “meewerken aan het opvolgen van de adviezen die volgen vanuit het PO”. De voorwaarde van ITB Harde Kern moet volgens de officier van justitie ingaan vanaf de datum van het eindvonnis.

De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan.

Standpunt van de verdediging

De advocaat van [minderjarige] verzoekt de rechtbank om geen voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, omdat daartoe geen noodzaak bestaat. Een PIJ-maatregel moet als laatste redmiddel worden toegepast en er zijn nog andere mogelijkheden om de noodzakelijke behandeling van [minderjarige] op gang te brengen. De advocaat van [minderjarige] verzoekt de rechtbank om mee te wegen dat [minderjarige] lang heeft moeten wachten op een definitieve afdoening van deze zaak.

De advocaat van [minderjarige] stelt zich op het standpunt dat aan [minderjarige] een jeugddetentie kan worden opgelegd, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast kan een groot deel van de jeugddetentie voorwaardelijk worden opgelegd, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door SAVE en de Raad.

De advocaat van [minderjarige] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank over de eventuele oplegging van een taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [minderjarige] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [minderjarige] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

De rechtbank heeft zich in het tussenvonnis al uitgelaten over de ernst van de feiten, het strafblad van [minderjarige] en de adviezen van de psycholoog, de Raad en SAVE. Deze overwegingen worden als herhaald en ingelast beschouwd, zodat de rechtbank zich alleen nog zal uitlaten over het rapport van de psychiater, de aanvullende rapportages van de Raad en SAVE en de strafoplegging.

Het rapport van de psychiater

In het psychiatrisch rapport van 2 mei 2025, opgesteld door kinder- en jeugdpsychiater [D] , staat dat bij [minderjarige] sprake is van een oppositionele opstandige stoornis, een norm overschrijdende gedragsstoornis, zwakbegaafdheid en een bedreigde persoonlijkheids-ontwikkeling. Deze stoornissen waren ook aanwezig tijdens het plegen van de bewezenverklaarde feiten.

De psychiater adviseert om in ieder geval de bewezenverklaarde overval op de supermarkt en de heling en vernieling van een scooter in verminderde mate aan [minderjarige] toe te rekenen. Het is volgens de psychiater aannemelijk dat met [minderjarige] pathologie verweven egocentrische motieven een rol speelden bij het plegen van deze feiten, waarbij [minderjarige] zich vooraf onvoldoende rekenschap zal hebben gegeven van mogelijke gevolgen en zich onverantwoordelijk en dreigend gedroeg, met onvoldoende oog voor het welzijn van anderen, bij gebrek aan empathisch vermogen en een voldoende functionerend geweten. Ook zal [minderjarige] onvoldoende hebben aangevoeld dat er risico’s voor hemzelf en anderen waren, gegeven zijn beperkte mentaliserend vermogen. Daar komt bij dat [minderjarige] onvoldoende in staat is om zichzelf te sturen en hij mogelijk beïnvloed is door anderen. De vastgestelde pathologie krijgt meer invloed als de spanning oploopt en als situaties complexer voor [minderjarige] zijn.

Het risico op recidive op feiten met een agressieve component schat de psychiater als matig tot hoog en het risico op recidive op niet agressieve feiten als verhoogd. [minderjarige] is gericht op eigen voordeel, en doorvoelt onvoldoende wat het effect van zijn gedrag op de ander kan zijn, en reageert impulsief, zonder na te denken. Daarbij is hij voor de regulering van zijn gedrag voor een groot deel afhankelijk van sturing door anderen, waarbij inmiddels is gebleken dat hij zich behoorlijk moeilijk laat aansturen. Er zijn aanwijzingen voor beïnvloedbaarheid, maar het kan ook zijn dat [minderjarige] op sommige momenten zelfbepalend is in zijn agressie. Beschermende factoren moeten vooral van buitenaf komen, en betreffen vooral de invloeden van hulpverleners en andere professionals.

Om het recidiverisico te beperken is volgens de psychiater zeer intensieve begeleiding nodig, met maximale controle, veel toezicht en zo veel mogelijk observeren en direct aansturen van [minderjarige] . Daar zijn ambulant nog mogelijkheden voor, met onder andere zo intensief mogelijk begeleid wonen, intensief toezicht, coaching bij school/werk en een dagbesteding waarin hij op gedragsmatig vlak dingen leert. [minderjarige] zelf is niet gemotiveerd en denkt dat hij geen hulp nodig heeft. [minderjarige] zal door een gebrek aan hulpvraag maar ook gezien zijn cognitieve mogelijkheden, slechts in een langzaam tempo leren. Volgens de psychiater is daarom een langdurige interventie nodig met daarbij een stevige stok achter de deur en een voldoende vangnet voor als het ambulant toch niet lukt. De psychiater adviseert een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

Verklaring van de psycholoog op de zitting

De psycholoog heeft op de zitting verklaard dat het, gelet op de bevindingen van de psychiater, navolgbaar is dat er een waarborg moet zijn voor behandeling van [minderjarige] . Zij heeft daarbij wel het voorbehoud gemaakt dat zij niet gevraagd was om aanvullend te rapporteren en dus zelf geen nieuwe diagnose heeft kunnen maken op basis van de gegevens die nu bekend zijn.

Aanvullende rapportage van SAVE

[A] heeft namens SAVE op 2 september 2025 een aanvullend rapport over [minderjarige] opgesteld. Volgens het rapport en de toelichting op zitting was de schorsingsperiode een hobbelige weg. Aan de ene kant zijn er dingen goed gegaan: [minderjarige] is naar zijn behandelafspraken bij [instelling] gegaan, had een vorm van dagbesteding, ging naar de IPTA-coach en heeft zich – gelet op zijn mogelijkheden – grotendeels goed genoeg aan de afspraken en aanwijzingen heeft gehouden. Aan de andere kant heeft [minderjarige] onder andere meerdere keren de avondklok overtreden, had hij moeite met het (tijdig) opladen van zijn enkelband en het op tijd op afspraken komen en lukte het hem niet om de dagbesteding vol te houden. [minderjarige] heeft inmiddels geen positieve daginvulling en hangt in toenemende mate buiten. Hoewel er geen signalen zijn vanuit de politie van recidive of overlast, maakt SAVE zich daar wel zorgen over en zien zij risico’s in deze ontwikkeling.

Als schorsingsvoorwaarde gold ook dat [minderjarige] bij [instelling] moest verblijven, zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. Tegen het advies van de psychiater in, maar in afstemming met alle ketenpartners, is het besluit genomen om [minderjarige] weer thuis te laten wonen. [minderjarige] zat niet goed in zijn vel en de zorgen over zijn mentale gesteldheid namen tijdens het verblijf bij [instelling] toe, waardoor deze afweging is gemaakt.

Hoewel SAVE vindt dat er meer nodig is dan [minderjarige] nu krijgt qua ondersteuning vanuit ouders, heeft de plaatsing terug naar huis een positief effect gehad op [minderjarige] en zit hij beter in zijn vel. Daar staat tegenover dat [minderjarige] volgens SAVE niet volledig heeft geprofiteerd van de begeleiding van [instelling] . [minderjarige] had er meer uit kunnen halen als hij de hulp had geaccepteerd en zich had laten begeleiden bij het vinden van werk, sporten en een goede dagstructuur neerzetten. [minderjarige] heeft hier nog echt ondersteuning bij nodig.

Op alle domeinen zijn er nog steeds zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . SAVE ziet voornamelijk zorgen op de domeinen geestelijke gezondheid, gezin, vaardigheden, werk, vrije tijd en financiën. Het recidiverisico wordt geschat als hoog en dat zal zo blijven als er geen veranderingen worden gezien. SAVE adviseert overeenkomstig het eerdere advies om [minderjarige] een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, met de hierna genoemde bijzondere voorwaarden.

Aanvullende rapportage van de Raad

De Raad heeft op 3 september 2025 een aanvullend advies opgesteld. De Raad vindt nog steeds een voorwaardelijke PIJ-maatregel de meest passende en wenselijke afdoening voor [minderjarige] en de Raad sluit zich aan bij het advies van de psychiater. Door de diagnoses die over [minderjarige] gesteld zijn is hij onvoldoende in staat om zelfstandig te functioneren in de maatschappij en heeft hij langdurige behandeling en externe controle nodig die intensief en “outreachend” van aard moet zijn.

De Raad schat het recidiverisico (nog steeds) hoog in. Op bijna alle domeinen komen risicofactoren naar voren. De grootste zorgen zijn op dit moment gelegen in de domeinen geestelijke gezondheid, houding en vaardigheden. Ook zijn er veel zorgen op de domeinen school, werk, vrije tijd, financiën en relaties. De ouders van [minderjarige] zijn ondanks hun goede wil niet (meer) in staat de zorgen over (het gedrag van) [minderjarige] te verminderen. Zij hebben er moeite mee om hem (strenge) regels op te leggen en om (meer) toezicht op hem te houden. Positief is wel dat [minderjarige] na zijn schorsing in februari geen terugval in crimineel gedrag heeft laten zien.

Hoewel [minderjarige] sinds zijn huidige schorsing niet meer negatief in aanraking is gekomen met de politie, is daarmee zijn (persoonlijke) problematiek niet weggenomen. Het lukt [minderjarige] slechts op momenten en zeer moeizaam om zich aan de gestelde voorwaarden te houden, ondanks het intensieve jeugdreclasseringstoezicht en ondanks dat hij weet dat de consequentie hiervan is dat hij weer naar detentie terug zou moeten. [minderjarige] heeft anderen (externe sturing met strikt toezicht) nodig om de kans op herhaling te verminderen en zijn leven prosociaal vorm te kunnen geven, maar het ontbreekt [minderjarige] aan een intrinsieke motivatie om mee te gaan en blijven werken.

De Raad vindt daarom een voorwaardelijke PIJ-maatregel de meest passende en wenselijke afdoening voor [minderjarige] , met daarbij de hierna genoemde bijzondere voorwaarden. Het zware gevolg van een omzetting hiervan naar een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel zal als een stok achter de deur werken. Dit wordt door de Raad als noodzakelijk gezien voor [minderjarige] om zich aan de bijzondere voorwaarden te houden, en dus om de noodzakelijke behandeling een kans van slagen te geven. De Raad verwacht dat zonder een voorwaardelijke PIJ-maatregel de kans zeer groot is dat [minderjarige] zich niet gaat houden aan de voorwaarden. Volgens de Raad is het bovendien noodzakelijk dat als [minderjarige] wordt teruggemeld, de behandeling doorgang krijgt om toe te werken naar een positief toekomstbeeld. Met de voorwaardelijke PIJ-maatregel zal die noodzakelijk geachte behandeling altijd gegarandeerd zijn.

Gelet op de ernst van de feiten vindt de Raad naast de voorwaardelijke PIJ-maatregel een onvoorwaardelijke jeugddetentie, waarvan de hoogte gelijk is aan het voorarrest, passend.

Voor het schoolverzuim vindt de Raad een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf het meest passend.

Zowel SAVE als de Raad adviseren om bij de voorwaardelijke PIJ-maatregel – kort samengevat - de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen, namelijk dat [minderjarige] :

zich houdt aan aanwijzingen van SAVE in het kader van Toezicht & Begeleiding, waarvan 12 maanden in de vorm van ITB Harde Kern;

meewerkt aan de regels van elektronische monitoring, met een locatieverbod en een locatiegebod met elektronisch toezicht;

meewerkt aan behandeling bij [instelling] of een soortgelijke instelling;

meewerkt aan begeleiding vanuit een IPTA coach;

meewerkt aan het verkrijgen en behouden van dagbesteding;

meewerkt aan het verkrijgen en behouden van zinvolle vrijetijdsbesteding;

geen contact heeft met medeverdachten en slachtoffers;

meewerkt aan plaatsing op een begeleid/beschermd/behandel-voorziening, zolang SAVE dit nodig vindt, waar hij meewerkt aan begeleiding en behandeling van deze voorziening en zich houdt aan de (huis)regels van de voorziening.

Op zitting heeft SAVE toegelicht dat de in het rapport van de Raad opgenomen voorwaarde “meewerkt aan het opvolgen van adviezen die volgen vanuit het PO” verwerkt is in de overige voorwaarden en dus buiten beschouwing kan worden gelaten.

SAVE en de Raad adviseren om de bijzondere voorwaarden direct na de uitspraak van het vonnis in te laten gaan.

[minderjarige] heeft op zitting gezegd dat, ondanks dat hij het nut er niet van inziet, wel zal proberen mee te werken aan voorwaarden als deze aan hem worden opgelegd.

Oplegging straf (jeugddetentie)

Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het zwaartepunt van de straf in deze zaak ziet op de overval op de supermarkt. Het oriëntatiepunt voor minderjarigen gaat voor een overval op een winkel uit van een jeugddetentie vanaf 4 maanden. Daarnaast heeft [minderjarige] zich ook nog schuldig gemaakt aan vijf andere strafbare feiten.

Gelet op de aard en de ernst van met name de bewezenverklaarde overval op de supermarkt, is een onvoorwaardelijke jeugddetentie een passende straf. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat [minderjarige] de overval samen met anderen heeft gepleegd, een belangrijke rol heeft gehad bij de overval en dat hij degene is geweest die het mes tijdens de overval in zijn handen had en daarmee voor extra veel angst heeft gezorgd bij de aanwezigen.

De rechtbank neemt daarnaast de conclusies van de psychiater en psycholoog over ten aanzien van de toerekenbaarheid. Dit betekent dat de rechtbank de overval op de supermarkt, de heling van de scooter en vernieling van de scooter vanwege de stoornissen waar [minderjarige] aan lijdt, in verminderde mate aan hem toerekent.

Alles afwegend vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur zes maanden, met aftrek van de tijd die [minderjarige] in voorarrest heeft vastgezeten, passend en geboden. De rechtbank legt een kortere staf op dan de tijd dat [minderjarige] in voorlopige hechtenis heeft gezeten, wat betekent dat [minderjarige] niet opnieuw naar de jeugdgevangenis moet.

De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om daarnaast ook nog een taakstraf op te leggen. De rechtbank houdt er daarbij rekening mee dat aan [minderjarige] ook een voorwaardelijke PIJ-maatregel zal worden opgelegd, zoals hieronder verder wordt uitgelegd, en dat [minderjarige] zich al sinds zijn schorsing op 4 februari 2025 aan strenge voorwaarden moet houden. Anders dan in het volwassenstrafrecht verlangt de wet niet dat de rechtbank voor een overtreding een aparte straf oplegt. Artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht is namelijk niet van toepassing in het jeugdstrafrecht.

Oplegging maatregel (voorwaardelijke PIJ-maatregel)

De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke vereisten voor oplegging van een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel (vastgelegd in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)) is voldaan. Door de deskundigen is vastgesteld dat bij [minderjarige] ten tijde van het plegen van de feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of stoornissen. Bij [minderjarige] is volgens de psychiater namelijk sprake van een oppositionele opstandige stoornis, een norm overschrijdende gedragsstoornis, zwakbegaafdheid en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De psycholoog stelt bij [minderjarige] onder andere een gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis vast. Daarnaast is de bewezenverklaarde overval op de supermarkt in vereniging een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. De PIJ-maatregel is ook noodzakelijk voor de veiligheid van andere personen of goederen, nu door de deskundigen is beschreven dat het risico op recidive hoog is zonder de juiste behandeling. Tot slot is de oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [minderjarige] . Het is voor de maatschappij en voor [minderjarige] van belang dat [minderjarige] de juiste begeleiding en behandeling krijgt, zodat hij niet nogmaals strafbare feiten zal plegen.

Nu zowel een psychiater als een psycholoog, (afzonderlijk) hun bevindingen over [minderjarige] hebben vastgelegd en een advies hebben uitgebracht, is ook voldaan aan de voorwaarde zoals genoemd in artikel 77s, tweede lid Sr.

Gelet op de conclusies en adviezen van de psychiater, SAVE en de Raad komt de rechtbank tot het oordeel dat, naast oplegging van een jeugddetentie, het opleggen van de voorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk is. De voorwaardelijke PIJ-maatregel met daaraan gekoppeld de behandeling en begeleiding binnen een strak kader met veel structuur, is noodzakelijk om het recidiverisico voldoende terug te dringen en daarmee de veiligheid van de maatschappij te garanderen, maar is daarnaast ook in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [minderjarige] .

Uit de rapportages blijkt dat [minderjarige] niet intrinsiek gemotiveerd is en zelf van mening is dat hij geen hulp nodig heeft. [minderjarige] heeft op de zitting wel verklaard dat, hoewel hij het nut er niet van inziet, wel zal proberen mee te werken aan voorwaarden als deze aan hem worden opgelegd. De rechtbank vindt het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk als stevige stok achter de deur voor naleving van de bijzondere voorwaarden die aan [minderjarige] zullen worden opgelegd. Het kader van de PIJ-maatregel waarborgt ook de benodigd behandeling van [minderjarige] op de langere termijn op het moment dat [minderjarige] zich niet zou houden aan de voorwaarden. De rechtbank hoopt dat [minderjarige] deze kans aangrijpt, dat hij de hulp accepteert, tot een positieve gedragsverandering komt en zo zal werken aan zijn toekomst.

De rechtbank legt aan [minderjarige] een voorwaardelijke PIJ-maatregel op, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de Raad en SAVE, en zoals op zitting zijn toegelicht. De rechtbank zal aan de voorwaarde van elektronische monitoring een maximumduur van 12 maanden verbinden. De opgelegde (bijzondere) voorwaarden worden nader omschreven in het dictum van dit vonnis.

De rechtbank ziet aanleiding om een kortere proeftijd op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Dit is gelegen in het feit dat [minderjarige] zich al sinds zijn schorsing op 4 februari 2025 aan strenge voorwaarden moet houden, die grotendeels overeenkomen met de bijzondere voorwaarden die met dit vonnis worden opgelegd. [minderjarige] heeft zich daarbij grotendeels, gelet op zijn mogelijkheden en beperkingen, aan deze voorwaarden gehouden en is in deze periode niet opnieuw in aanraking gekomen met de politie. De rechtbank zal daarom een proeftijd vaststellen van 18 maanden.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, indien de voorwaardelijke PIJ-maatregel omgezet wordt in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, deze maatregel verlengd kan worden. Aangezien [minderjarige] wordt veroordeeld voor feiten die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, kan de PIJ-maatregel telkens met ten hoogste twee jaar verlengd worden, tot een maximum van zeven jaar (als bedoeld in artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering).

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op wat in de rapportages van de deskundigen is geschreven over het hoge recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [minderjarige] opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen als hij niet de goede behandeling en begeleiding krijgt. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden die bij de voorwaardelijke PIJ-maatregel zullen worden opgelegd en het toezicht door de jeugdreclassering, na het uitspreken van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).

Voorlopige hechtenis

Omdat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat aan [minderjarige] een vrijheidsbenemende maatregel kan worden opgelegd (namelijk door omzetting van de voorwaardelijke PIJ-maatregel in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel), heft de rechtbank de voorlopige hechtenis niet op en blijft de schorsing van de voorlopige hechtenis doorlopen. De rechtbank vindt het van belang dat [minderjarige] nu niet vast komt te zitten en door kan gaan met toezicht en begeleiding in het kader van de bijzondere voorwaarden. De rechtbank is zich er van bewust dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel niet mag worden omgezet in een PIJ-maatregel zolang het vonnis nog niet onherroepelijk is. Om een vangnet te creëren voor het geval [minderjarige] de aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel verbonden voorwaarden overtreedt in de periode waarin de uitspraak nog niet onherroepelijk is, zal de rechtbank het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis niet opheffen en zal zij de huidige voorwaarden die aan de schorsing zijn verbonden, wijzigen zodat deze voorwaarden gelijk zijn aan de voorwaarden die aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel verbonden zijn. Als [minderjarige] deze voorwaarden niet naleeft, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier worden de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen gewaarborgd. Bovendien is dit een stok achter de deur voor [minderjarige] om zich ook aan de voorwaarden te houden zolang het vonnis nog niet onherroepelijk is.

3. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen 47, 57, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 310, 311, 312, 350, 416 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 41 Wegenverkeerswet en artikel 4c Leerplichtwet.

4. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat [minderjarige] de feiten 1, 2 en 3 van parketnummer 16/197233-23, de feiten 1 en 2 van parketnummer 16/207783-24 en het feit van parketnummer 16/162971-24 heeft gepleegd, zoals in het tussenvonnis in paragraaf 6 is omschreven;

- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [minderjarige] daarvan vrij;

Strafbaarheid feit

- verklaart het in het tussenvonnis bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals in het tussenvonnis in paragraaf 7 is vermeld;

Strafbaarheid [minderjarige]

- verklaart [minderjarige] strafbaar voor het bewezenverklaarde;

Straf en maatregel

- veroordeelt [minderjarige] tot een jeugddetentie van zes (6) maanden

- bepaalt dat de tijd door [minderjarige] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- legt aan [minderjarige] op de maatregel van Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ-maatregel);

- bepaalt dat deze maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter laten anders gelast op grond van het feit dat [minderjarige] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd vast van achttien (18) maanden;

- als algemene voorwaarden gelden dat [minderjarige] :

- als bijzondere voorwaarden gelden dat [minderjarige] gedurende de proeftijd:

- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2002

- [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2005

- [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2005

- [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum] 2005,

- [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum] 2006,

zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt;

 op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met medeverdachten [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 en [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 2009, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt;

- waarbij de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland jeugdreclassering in Utrecht, opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [minderjarige] ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere waarden van de PIJ-maatregel en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn:

Voorlopige hechtenis

- wijzigt de schorsingsvoorwaarden, in die zin dat de schorsingsvoorwaarden gelijk worden gesteld aan de voorwaarden die in dit dictum zijn verbonden aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel;

Beslag

Parketnummer 16/207783-24, feit 1

- gelast de teruggave aan [minderjarige] van de volgende voorwerpen:

Parketnummer 16/197233-24, feit 1

- gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten de [supermarkt] Supermarkt ( [adres 2] , [postcode] [plaats] ), van het volgende voorwerp:

340 EUR (pagina 299 van het procesdossier);

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Schothorst, voorzitter, mr. N.P.J. Janssens en mr. C.E.M. Nootenboom-Lock, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2025.

Bijlage I: een kaart van het verboden gebied (locatieverbod)

Afbeelding verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.

Bijlage II: Tussenvonnis d.d. 14 februari 2025

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.M. Schothorst
  • mr. N.P.J. Janssens
  • mr. C.E.M. Nootenboom-Lock

Griffier

  • mr. G.S.M. van Duinkerken

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?