RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats: Utrecht
Parketnummer: 16/087311-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 oktober 2025 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [plaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 9 oktober 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 14 juni 2023 in Almere met [slachtoffer] , die in de leeftijd tussen de 12 en 16 jaar was, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] .
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd. Volgens de officier van justitie kunnen de ontuchtige handelingen onder het vierde gedachtestreepje (‘zijn penis doen/laten aanraken door [slachtoffer] ’) en het zevende gedachtestreepje (‘het duwen/brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] ’) bewezen worden en moet de verdachte gedeeltelijk vrijgesproken worden van de overige gedachtestreepjes, omdat daar onvoldoende bewijs voor is.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken onder paragraaf 3.3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit.
De advocaat van de verdachte voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.2.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het feit (ontucht, waaronder seksueel binnendringen, met een minderjarige tussen de 12 en 16 jaar) is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
De verklaring van de verdachte op de zitting van 9 oktober 2025, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 14 juni 2023 in Almere seks heb gehad met haar (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] , hierna [slachtoffer] ). Ik had iets langer dan een week contact met haar via Snapchat.
Wij reden met de auto naar een plekje. Op een gegeven moment ging zij mij aftrekken, zat zij op mijn schoot en heb ik mijn penis in haar vagina gedaan.
Een proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] namens [slachtoffer] , voor zover inhoudende:
Pleegdatum/plaats: 14 juni 2023, Almere.
[aangeefster] deed aangifte namens het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2010.
Een proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] als getuige, voor zover inhoudende:
Naam: [slachtoffer] .
Geboortedatum: [geboortedatum] 2010.
Ik was op 14 juni 2023 bij [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) in de auto gestapt. Toen waren we gestopt bij een afgelegen plek. Hij heeft mij gevraagd of ik achterin wilde zitten en ik heb dat gedaan. Toen begon hij aan mijn kont te zitten.
V: Heb je eerder met hem afgesproken? Eerder in het echt gezien?
A: Nee.
Toen daarna vroeg hij of ik op zijn schoot wilde zitten. Hij trok zijn kleding uit en forceerde mij om aan hem te zitten.
V: Hoe heeft hij jou geforceerd?
A: Gewoon met woorden. Mijn hand pakken.
V: Waar bracht hij jouw hand naar toe?
A: Op zijn geslachtsdeel.
Toen is hij naar een tankstation gaan rijden en daarna reed hij door naar een parkeerplaats in Almere. Toen heeft hij mijn shirt en mijn broek uitgetrokken en zelf zijn kleding uitgetrokken. Hij tilde mij op en zette mij op hem.
V: Je zat op zijn schoot en toen?
A: We hebben geslachtsgemeenschap gehad. In mijn vagina.
Bewijsoverwegingen
In deze zaak staat niet ter discussie of de verdachte en [slachtoffer] op 14 juni 2023 seks hebben gehad waarbij sprake was van seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . Zowel de verdachte als [slachtoffer] verklaren dit. Voor zover de advocaat betoogt dat de verklaringen van [slachtoffer] onbetrouwbaar zijn, lijkt het verweer niet te zien op de verrichte seksuele handelingen zoals ten laste gelegd. De rechtbank gaat wat betreft de bewezenverklaarde seksuele handelingen daarom uit van de verklaringen van [slachtoffer] . De advocaat van de verdachte stelt zich echter op het standpunt dat de verdachte niet wist dat [slachtoffer] minderjarig was en dat ieder (voorwaardelijk) opzet hiertoe ontbrak. Daarnaast stelt de advocaat van de verdachte zich op het standpunt dat de seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt. Daartoe wordt onder andere aangevoerd dat er sprake is geweest van vrijwillig (seksueel) contact tussen de verdachte en [slachtoffer] , zij al langere tijd contact met elkaar hadden en zij in geringe mate in leeftijd verschillen.
De rechtbank verwerpt beide verweren en legt hieronder uit waarom.
Leeftijd [slachtoffer]
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voldoende is dat komt vast te staan dat de minderjarige tussen de twaalf en zestien jaar oud was. De leeftijd in artikel 245 Sr is geobjectiveerd, zodat opzet of schuld daaromtrent niet is vereist. Voor een bewezenverklaring is daarom ook niet relevant of de verdachte wist dat [slachtoffer] minderjarig was. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] is geboren op [geboortedatum] 2010 en dat zij tijdens de ontmoeting met de verdachte op 14 juni 2023, waarbij zij seks met elkaar hebben gehad, net [leeftijd] jaar oud was. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee bewezen dat de verdachte seks heeft gehad met iemand jonger dan zestien jaar. Het had op de weg van de verdachte gelegen om meer onderzoek te verrichten naar de werkelijke leeftijd van [slachtoffer] , bijvoorbeeld door te vragen naar haar ID. De verdachte heeft dit niet gedaan.
Ontuchtige karakter van de seksuele handelingen
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verrichte seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, waardoor deze handelingen als ontuchtig aangemerkt kunnen worden. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat artikel 245 Sr (oud) strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd (tussen de twaalf en zestien jaar) in het algemeen geacht moet worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Dit artikel beschermt deze jeugdige personen ook tegen verleiding die mede van henzelf kan uitgaan.
Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Als maatstaf daarvoor geldt dat de handelingen niet in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en daarom aanvaardbaar worden geacht. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als die seksuele handelingen vrijwillig hebben plaatsgevonden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen en eventueel een affectieve relatie met elkaar hebben. Er moet dan sprake zijn van een zekere gelijkwaardigheid tussen de betrokken personen. De vraag of de handelingen ontuchtig zijn, moet steeds worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte ten tijde van de seksuele handelingen [leeftijd] jaar oud was (bijna [leeftijd] ) en [slachtoffer] nét [leeftijd] jaar oud. Het leeftijdsverschil tussen de verdachte en [slachtoffer] was dus ruim zes jaar. Dit leeftijdsverschil is niet aan te merken als een gering leeftijdsverschil op grond waarvan de seksuele integriteit van [slachtoffer] geen bescherming (meer) zou behoeven. Aangenomen moet worden dat een verschil van zes jaar in de betreffende levensfase een groot verschil in (seksuele) ontwikkeling betekent. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat volgens het reclasseringsrapport de verdachte leeftijdsadequaat en zelfstandig functioneert. Van een gelijkwaardige verhouding tussen de verdachte en [slachtoffer] kan onder deze omstandigheden dan ook geen sprake zijn.
Tussen de verdachte en [slachtoffer] was daarnaast ook geen sprake van een affectieve relatie. Zij kenden elkaar slechts een paar dagen via Snapchat en hadden elkaar nog nooit eerder ontmoet. Vrij snel tijdens de eerste ontmoeting heeft de verdachte seks met haar gehad. In de gegeven omstandigheden kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het handelen van de verdachte in deze omstandigheden in strijd is met de sociaal-ethische norm.
De stelling van verdachte dat [slachtoffer] het seksuele contact zou hebben geïnitieerd en dat het seksueel contact tussen hen vrijwillig tot stand is gekomen, maakt het voorgaande niet anders. Ook is het irrelevant of [slachtoffer] al dan niet seksuele ervaring had en de verdachte niet. Deze omstandigheden maken niet dat het ontuchtige karakter van de handelingen van de verdachte ontbreekt.
De seksuele handelingen zijn daarom als ontuchtig aan te merken in de zin van artikel 245 (oud). Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring zoals hieronder in paragraaf 4.4. opgenomen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 14 juni 2023 te Almere, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2010, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:
- het aanraken/betasten van de billen van die [slachtoffer] en
- het pakken van de hand van die [slachtoffer] en
- vervolgens zijn penis doen/laten aanraken door die [slachtoffer] en
- vervolgens het uitkleden van die [slachtoffer] en
- vervolgens) het op zijn schoot trekken van die [slachtoffer] en
- het duwen/brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Strafbaarheid feit en verdachte Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één (1) dag;
- een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van twee jaar;
- een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte gedurende de proeftijd een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sv) wordt opgelegd, te vervangen door één (1) week hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, met daarbij een maximum van vier maanden.
Subsidiair eist de officier van justitie dat het contactverbod als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd bij een (deels) voorwaardelijke straf.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, maar te volstaan met een taakstraf en eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe voert zij aan dat sprake is van een ouder feit, de verdachte een first offender is en ook in de inmiddels langdurige periode na het tenlastegelegde niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie.
De advocaat van de verdachte voert verder aan dat de beschuldiging ook veel impact op de verdachte heeft gehad. Verdachte sliep door de beschuldiging lange tijd slecht, kon niet meer werken en studeren en moest voor zijn klachten in therapie. Daarnaast moet de verdachte leven met het feit dat hij seks heeft gehad met een minderjarige.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij [slachtoffer] , waarbij hij het lichaam van [slachtoffer] ook seksueel is binnengedrongen. De verdachte was toen [leeftijd] jaar oud (en bijna [leeftijd] ), terwijl [slachtoffer] nog maar nét [leeftijd] jaar oud was. Zij kenden elkaar slechts enkele dagen en hadden alleen nog contact gehad via Snapchat. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een afspraak. De verdachte is met de auto naar Almere gereden, [slachtoffer] is bij hem in de auto gestapt en vervolgens zijn zij naar een parkeerplaats gereden waar zij seks hebben gehad in de auto.
De verdachte heeft met zijn handelen zijn lustgevoelens gevolgd en een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Ook als [slachtoffer] heeft ingestemd met de seksuele handelingen, of zelfs het initiatief daartoe zou hebben genomen, en de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat zij meerderjarig was, maakt dit niet anders. Zoals in 3.3.2. al is overwogen, is door de wetgever met artikel 245 Sr (oud) de lichamelijke en geestelijke integriteit van jeugdigen jonger dan zestien jaar uitdrukkelijk beschermd. Minderjarigen bevinden zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase en dienen op seksueel gebied beschermd te worden, ook tegen zichzelf. Het had dan ook op de weg van de verdachte gelegen om meer onderzoek te verrichten naar de werkelijke leeftijd van [slachtoffer] .
Dat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte een impact heeft gehad op [slachtoffer] , blijkt uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding en haar spreekrechtverklaring op de zitting. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken haar het strafblad van de verdachte van 6 september 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte, op een verkeersovertreding na, niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank weegt het strafblad daarom niet in het nadeel van de verdachte mee.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 26 november 2024 dat over de verdachte is opgemaakt, waaruit volgt dat er vanuit het reclasseringsonderzoek geen structurele problemen op het gebied van seksualiteit en/of andere problematische gedragspatronen naar voren zijn gekomen. De verdachte heeft, voor zover de reclassering daar zicht op heeft, zijn leven op orde en streeft maatschappelijk geaccepteerde doelen na. Ook zijn er geen zorgelijke signalen op het gebied van impulsiviteit, vrouwvijandigheid en/of afwijkende/deviante seksuele interesses. De reclassering schat de kans op herhaling in als laag en adviseerteen straf zonder bijzondere voorwaarden en reclasseringsinterventie. Tot slot adviseert de reclassering het volwassenenstrafrecht toe te passen, onder meer omdat er geen sprake is van een verstandelijke beperking en de verdachte zelfstandig en leeftijdsadequaat functioneert.
Strafkader
Het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar en rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een (deels) vrijheidsbenemende straf. Vanwege het taakstrafverbod zoals bepaald in artikel 22b eerste lid onder a Sr moet ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.
De rechtbank ziet in deze zaak echter aanleiding om de duur van deze onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot één dag. De rechtbank let daarbij in het bijzonder op de relatief jonge leeftijd van de verdachte en zijn – op een verkeersovertreding na - blanco strafblad. Het feit is ruim twee jaar geleden gepleegd en de verdachte is sinds dit voorval niet opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen, waardoor de rechtbank de indruk heeft dat dit om een weliswaar ernstig, maar eenmalig incident gaat. Ook de reclassering schat de kans op herhaling in als laag en vindt toezicht daarom niet noodzakelijk. De verdachte heeft zowel bij de politie als op de zitting verklaard enorm geschrokken te zijn van het feit dat [slachtoffer] minderjarig bleek te zijn, omdat hij dit niet wist. De rechtbank heeft gezien dat de verdachte oprecht lijkt te zijn in zijn gevoelens van spijt en schaamte.
De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de uitspraak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met 11 dagen. De rechtbank ziet geen reden voor strafvermindering vanwege de zeer beperkte overschrijding die bovendien te rechtvaardigen is. Het onderzoek heeft namelijk langer geduurd doordat de verdachte tijdens zijn eerste verhoren nog ontkende dat hij seksueel contact met [slachtoffer] heeft gehad, waardoor er nog DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden aan de onderbroek van [slachtoffer] . Daarnaast heeft de verdediging in november 2024 nog verzocht om [slachtoffer] als getuige te horen bij de rechter-commissaris, welk verzoek is toegewezen. Gelet op deze omstandigheden beperkt de rechtbank zich tot de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en zal hieraan geen verdere gevolgen verbinden.
Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank in het tijdsverloop wel reden om geen contactverbod op te leggen aan de verdachte. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat de verdachte in de afgelopen twee jaar op een of andere manier contact heeft gezocht met [slachtoffer] . Dit wordt op zitting ook bevestigd door de advocaat van de benadeelde partij. De rechtbank ziet dan ook geen meerwaarde in een contactverbod.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één (1) dag en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden op, met een proeftijd van twee jaar. Het voorwaardelijke strafdeel is bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden zich nog een keer schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Daarnaast legt de rechtbank, om de ernst van het feit te benadrukken, aan de verdachte een taakstraf van 200 uur op.
6. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich (via haar wettelijke vertegenwoordiger) gesteld als benadeelde partij en vordert een schadevergoeding van € 10.027,72. Dit bedrag bestaat uit € 27,72 voor vergoeding van materiële schade (reiskosten voor therapie bij [instelling] ) en € 10.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
Verder verzoekt de benadeelde partij om de schadevergoeding te verhogen met de wettelijke rente, de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en om bij toewijzing van de schadevergoeding een BEM-clausule op te nemen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde materiële schadevergoeding in zijn geheel kan worden toegewezen en dat de gevorderde immateriële schadevergoeding gedeeltelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-.
De officier van justitie vindt dat de schadevergoeding vermeerderd moet worden met de wettelijke rente, dat de schadevergoedingsmaatregel opgelegd moet worden en dat een BEM-clausule moet worden opgenomen.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte stelt zich primair op het standpunt dat de vordering moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak.
Subsidiair stelt de advocaat van de verdachte zich op het standpunt dat de vordering voor het immateriële deel gematigd moet worden. Ten aanzien van het materiële deel van de vordering refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade (€ 27,72) daarom geheel toe.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde partij onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade als zij als gevolg van het strafbare feit in haar persoon is aangetast. Gelet op de ernst van het strafbare feit liggen de nadelige gevolgen van het bewezenverklaarde strafbare feit zo voor de hand dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De verdachte heeft immers een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij.
Gelet op de onderbouwing van de vordering en bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 3.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe tot een bedrag van € 3.000,-. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Wettelijke rente
Voor zover de rechtbank de vordering toewijst, zal zij het toegewezen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan, tot de dag van volledige betaling. De ingangsdata van de wettelijke rente staan vermeld in het dictum.
Proceskosten
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 3.027,72, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als door de verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 40 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
BEM-clausule
Omdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank, zoals gevorderd, dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de wetsartikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
Straf
Onvoorwaardelijke gevangenisstraf
- veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag;
Voorwaardelijke gevangenisstraf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast;
- als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Taakstraf
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uur;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]
tot de dag van volledige betaling;
tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 40 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Pouw, voorzitter, mr. E.H.M. Druijf en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 juni 2023 te Almere, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2010, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:
- het kussen/zoenen van die [slachtoffer] en/of
- het aanraken/betasten van de billen van die [slachtoffer] en/of
- het pakken van de hand van die [slachtoffer] en/of
- vervolgens) zijn penis doen/laten aanraken door die [slachtoffer] en/of
- vervolgens) het uitkleden van die [slachtoffer] en/of
- vervolgens) het op zijn schoot trekken van die [slachtoffer] en/of
- het door hem en/of met behulp van die [slachtoffer] duwen/brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .