RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats: Utrecht
Parketnummer: 16/106611-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 september 2025 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] (Marokko),
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
nu gedetineerd in P.I. [plaats] , locatie [locatie] ,
hierna: de verdachte.
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 15 september 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 31 maart 2025 in Utrecht een fatbike heeft gestolen van [slachtoffer] door middel van braak en/of verbreking;
feit 2
op 31 maart 2025 in Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte beide feiten heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank de verdachte van feit 1 gedeeltelijk vrij te spreken, voor zover dit ziet op het stelen van de fatbike van specifiek [slachtoffer] . De advocaat verzoekt de rechtbank de verdachte volledig vrij te spreken van feit 2. De advocaat van de verdachte voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
De verklaring van de verdachte op de zitting van 15 september 2025:
Het klopt dat ik op 31 maart 2025 in Utrecht een fatbike heb gestolen. Ik had een slijptol bij me.
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik was op 31 maart 2025 met mijn vrienden in Overvecht. Ik had mijn fatbike omstreeks 18:00 uur geparkeerd op de Gloriantdreef. Toen ik omstreeks 19:00 uur terugkwam, zag ik mijn fatbike niet meer. Een vriend van mij kwam naar mij toe en zei dat hij zag hoe mijn fatbike gestolen was. Die vriend wist dat het mijn fatbike was want ik vertelde dat mijn fatbike op de Gloriantdreef ter hoogte van de Charlie Chiu's Restaurant gestolen was. Precies daar zag hij dat een man een fatbike aan het stelen was. Ik ging ondertussen met mijn vrienden terug naar de kermis en die ene vriend die zag dat mijn fatbike was gestolen zei opeens: 'dat is hem!'. Ik en mijn vrienden renden naar hem toe en toen zag ik dat de man met een slijptang (de rechtbank begrijpt: slijptol) twee fatbikes aan het open maken was. Ik hoorde dat een vriend de politie aan het bellen was. Ik zei de hele tijd woorden in de trant van 'stop, stop'. Ik en mijn vrienden liepen hem achterna. Ik hield hem nog steeds vast en hij probeerde weg te komen. Ik zag dat de gebalde vuist tegen mijn rechterwang aan kwam. Ik voelde toen hevige pijn aan mijn hoofd.
Het proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) hield hem tegen en die meneer heeft [slachtoffer] geslagen met een vuist op zijn kaak.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen
Diefstal van de fatbike van [slachtoffer] (feit 1)
Volgens de advocaat van de verdachte kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de fatbike van aangever [slachtoffer] heeft gestolen. De rechtbank komt tot een ander oordeel, gelet op het volgende.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer] zijn fatbike rond 18:00 uur parkeerde op de Gloriantdreef in Utrecht ter hoogte van restaurant Charlie Chiu . Hij ontdekte dat de fatbike weg was toen hij rond 19:00 uur terugkwam. Toen hoorde [slachtoffer] een vriend zeggen dat die had gezien dat de fatbike van [slachtoffer] gestolen was precies op de plek waar deze was geparkeerd. Deze vriend wees even later spontaan een man aan als de dief van de fatbike van [slachtoffer] . [slachtoffer] zag vervolgens dat deze man met een slijptol de sloten van twee (de rechtbank begrijpt: twee andere) fatbikes aan het openbreken was.
De verdachte bekent de diefstal van een fatbike. Volgens de advocaat van de verdachte kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de fatbike van specifiek [slachtoffer] heeft gestolen. Toen [slachtoffer] de verdachte vasthield was hij bezig een andere fatbike te stelen. Onduidelijk is van wie de fatbike is die de verdachte daarvoor had gestolen. Bovendien is algemeen bekend dat de verdachte niet de enige is die fatbikes steelt en er zijn geen specifieke kenmerken bekend van de fatbike die de verdachte wegnam.
De rechtbank oordeelt anders. Uit de aangifte volgt duidelijk dat is gezien dat de fatbike van [slachtoffer] werd gestolen door een man die even later door een vriend van [slachtoffer] werd aangewezen als de dader. Niet ter discussie staat dat de verdachte de persoon is die door de vriend werd aangewezen. Dat het om de fatbike van [slachtoffer] ging valt bovendien af te leiden uit de specifieke plek waar deze werd gestolen, namelijk bij Charlie Chiu ’s Restaurant. Op basis van deze omstandigheden en tegen de achtergrond van het korte tijdsbestek tussen de diefstal (gepleegd tussen 18.00 uur en 19.00 uur) en het aantreffen van de verdachte door [slachtoffer] in de buurt van de plek van het misdrijf (rond 19.00 uur), vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 31 maart 2025 de fatbike van [slachtoffer] heeft gestolen.
Mishandeling van [slachtoffer] (feit 2)
[slachtoffer] deed, naast aangifte van diefstal van zijn fatbike, ook aangifte van mishandeling. [slachtoffer] probeerde te voorkomen dat de man, die hij bezig zag met een slijptol bij twee andere fatbikes, wegvluchtte toen de politie was gebeld. Daarbij sloeg/stompte de man [slachtoffer] op zijn wang. Een vriend van [slachtoffer] bevestigde dit tijdens een verhoor door de rechter-commissaris.
De verdachte ontkent [slachtoffer] te hebben geslagen/gestompt. [slachtoffer] pakte hem wel vast, maar de verdachte kon wegkomen door weg te rennen. Volgens de advocaat van de verdachte kan de verklaring van de vriend van [slachtoffer] , getuige [getuige] niet voor het bewijs worden gebruikt. Niet uitgesloten is dat de verklaring is afgestemd op de verklaring van [slachtoffer] . Opvallend is in dit verband dat de politie die ter plaatse kwam de door [slachtoffer] beschreven worsteling niet heeft gezien. Daarnaast komt de verklaring van [getuige] op belangrijke punten niet overeen met de verklaring die zijn moeder, vóór het getuigenverhoor van [getuige] bij de rechter-commissaris, telefonisch aflegde tegenover een politieagent. Om die reden moet de verklaring van [getuige] als onbetrouwbaar worden aangemerkt. Daarnaast kan de foto van de rode wang van [slachtoffer] in het dossier ook niet als bewijs van mishandeling dienen. Er zijn meerdere alternatieve verklaringen denkbaar voor die rode wang, zoals stress of warmte.
De rechtbank komt tot een ander oordeel en overweegt als volgt. De politieagent die de moeder van [getuige] sprak heeft opgeschreven dat hij haar, op zijn vragen, aan [getuige] hoorde vragen of hij had gezien dat [slachtoffer] was geslagen. De agent hoorde [getuige] vervolgens zeggen: “ja hij heeft hem wel geslagen ja”. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige] over dit telefoongesprek verklaard dat hij zijn moeder hoorde bellen toen hij boven zat, maar niet kon horen waar het over ging. Zijn moeder riep hem naar beneden en vroeg hem iets, maar hij wist niet meer wat. Toen [getuige] beneden was had zijn moeder de telefoon al opgehangen.
Anders dan de advocaat van de verdachte naar voren brengt laat deze verklaring de mogelijkheid open dat [getuige] nog niet helemaal beneden was toen hij zei dat de man [slachtoffer] had geslagen. Een andere mogelijkheid is dat [getuige] zich heeft vergist in of zijn moeder al wel of niet de telefoon had opgehangen op het moment dat hij beneden kwam. In ieder geval vindt de rechtbank het niet perfect aansluiten van de verklaring van [getuige] bij de rechter-commissaris op het verslag van de politieagent niet zodanig dat zijn verklaring als niet betrouwbaar moet worden bestempeld.
Daarbij komt dat de aangifte en de verklaring van [getuige] steun vinden in de waarneming van de politieagent ter plaatse die omschrijft dat de wang van [slachtoffer] rood was van kleur. De politieagent heeft het daarbij over één en niet twee rode wangen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 31 maart 2025 te Utrecht een fatbike die aan [slachtoffer] toebehoort heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
feit 2
op 31 maart 2025, te Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] eenmaal (met gebalde vuist) in het gezicht te slaan en/of te stompen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1 : diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
feit 2 : mishandeling.
Strafbaarheid feiten en de verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte vraagt de rechtbank een geheel voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Dit licht de rechtbank hieronder toe.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een fatbike. Het 14-jarige slachtoffer sprak de verdachte hierop aan, terwijl de verdachte bezig was een andere fatbike te stelen. Het slachtoffer hield de verdachte vast om hem over te kunnen dragen aan de politie. Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer in zijn gezicht gestompt om te kunnen vluchten. De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het jonge slachtoffer en bij hem pijn, een rode wang en sterke gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt. Dit blijkt ook uit de toelichting van de vordering benadeelde partij waarin onder andere staat dat het slachtoffer angstig is geworden en nachtmerries heeft. Bovendien vond het geweld plaats op straat waardoor de verdachte ook bij omstanders (waaronder de aanwezige vrienden van het slachtoffer) gevoelens van onrust en onveiligheid heeft veroorzaakt. Tot slot geeft de verdachte met zijn handelen blijk van een gebrek aan respect voor andermans eigendommen. De verdachte heeft zich alleen maar laten leiden door geldelijk gewin, waarbij hij voorbij is gegaan aan de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank kijkt ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het strafblad van de verdachte van 9 juli 2025 blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar eerder is veroordeeld wegens het plegen van diefstallen. Op het moment dat de verdachte de diefstal en mishandeling pleegde liep de verdachte ook nog in een schorsing van de voorlopige hechtenis vanwege een andere verdenking voor vermogens- en geweldsfeiten. Dit alles heeft hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee in de op te leggen straf.
Op de zitting is een reclasseringsrapport van 6 februari 2025 besproken. Dit rapport is opgesteld in de zaak met parketnummer 16/370202-24. De zaak met voornoemd parketnummer wordt op een later moment inhoudelijk behandeld. Uit voornoemd rapport blijkt dat het de verdachte ontbreekt aan dagbesteding en inkomen. Bij een veroordeling in de zaak met parketnummer 16/370202-24 adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, zoals een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en medewerking aan schuldhulpverlening. De verdachte heeft zich op de zitting bereid verklaard aan deze voorwaarden te voldoen, ook als deze voorwaarden in onderhavige zaak aan hem zouden worden opgelegd.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. De rechtbank zoekt aansluiting bij het oriëntatiepunt voor diefstal van een elektrische fiets. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor diefstal van een elektrische fiets waarbij sprake is van recidive is een taakstraf voor de duur van 60 uren in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Daarnaast volgt uit het oriëntatiepunt voor mishandeling (met een klap) een geldboete van € 500,-.
De rechtbank in de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd reden om in strafverzwarende zin af te wijken van de landelijke oriëntatiepunten, omdat de verdachte geweld heeft gebruikt tegen een minderjarig slachtoffer en in een schorsing liep voor een soortgelijk feit.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf op van 70 uur, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 35 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert. De rechtbank vindt daarbij ook een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en noodzakelijk, om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en om de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank legt daarom op een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, met de algemene en bijzondere voorwaarden zoals hierna in de beslissing is vermeld.
6. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert een bedrag van € 6.200,-. Dit bedrag bestaat uit € 1.200,- materiële schade en € 5.000,- immateriële schade. De gevorderde materiële schadevergoeding ziet op het aanschafbedrag van de gestolen (en niet teruggevonden) fatbike. Hiertoe heeft de benadeelde partij een factuur van de aanschaf van de fatbike overgelegd, waaruit blijkt dat deze op 27 januari 2025 is aangeschaft.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevraagd de gevorderde materiële schade volledig toe te wijzen en de immateriële schade tot een bedrag van € 750,- toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier heeft gevraagd de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte stelt zich op het standpunt dat de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen en de gevorderde immateriële schade moet worden gematigd tot een bedrag van maximaal € 250,-.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde rechtstreekse schade heeft geleden.
Materiële schade
De rechtbank overweegt ten aanzien van de materiële schade dat de schadepost, namelijk het aanschafbedrag van de fatbike (€ 1.200,-), het rechtstreekse gevolg is geweest van het bewezenverklaarde (onder feit 1) en voldoende met bewijsstukken is onderbouwd. De rechtbank zal de gevraagde materiële schade van € 1.200,- daarom volledig toewijzen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor als sprake is van lichamelijk letsel. De rechtbank stelt op basis van de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing (zowel in zijn aangifte als in zijn vordering) en de bevindingen van verbalisant [verbalisant] (waarin zij beschrijft een rode plek op de wang van het slachtoffer waar te nemen) vast dat de benadeelde partij licht lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een rode plek op de rechterwang. Om die reden heeft het slachtoffer dus recht op een vergoeding voor immateriële schade.
Gelet op de motivering en onderbouwing van de immateriële schade en wat in vergelijkbare gevallen aan immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, is de rechtbank van oordeel dat de vordering zich, naar maatstaven van billijkheid, leent voor toewijzing tot een bedrag van € 250,-. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de benadeelde partij nog erg jong is.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 1.200,- aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade voor rekening van de verdachte komt en dus voor toewijzing in aanmerking komt. In totaal wijst de rechtbank een bedrag van € 1.450,- toe.
Veroordeling in de kosten
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Wettelijke rente
Voor zover de rechtbank de vordering toewijst, zal zij het toegewezen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten 31 maart 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan hem, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd. Deze maatregel houdt de verplichting tot betaling van het toegewezen bedrag aan de Staat in, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data zoals hierboven vermeld, tot de dag van volledige betaling.
Als door de verdachte niet wordt betaald, wordt deze verplichting aangevuld met het bijbehorende aantal dagen gijzeling zoals vermeld in het dictum, waarbij toepassing van gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
7. Toegepaste wetsartikelen
8. De beslissing
De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 300 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 70 uur;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet of niet goed uitvoert, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 35 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;
- als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte:
1. Meldplicht bij reclassering
zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte woud 2 , Utrecht. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2. Ambulante behandeling
zich laat behandelen door E25, de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra deze beschikbaar is. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
3. Meewerken aan schuldhulpverlening
meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van
het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1 en 2)
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.450,- bestaande uit
€ 1.200,- aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2025;
- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat
€ 1.450,- te betalen, bestaande uit € 1.200,- aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 24 dagen gijzeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Maas, voorzitter, mr. L.M.M. Heppe en mr. M.S. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Pronk, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2025.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
hij, op of omstreeks 31 maart 2025, te Utrecht, althans in Nederland, een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
en
feit 2
hij, op of omstreeks 31 maart 2025, te Utrecht, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met gebalde vuist) in/tegen het gezicht, althans het lichaam te slaan en/of te stompen.