[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. R. Jethoe),
en
Dienst Toeslagen, verweerder,
(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 5 juli 2021 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Op 23 januari 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft op 30 november 2025 aanvullende gronden van beroep ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigden van verweerder.
Overwegingen
Is de aanvraag ingetrokken?
1. In deze zaak gaat het om de vraag of eiseres haar verzoek om herbeoordeling heeft ingetrokken. Eiseres kan namelijk alleen een beroep niet tijdig indienen, wanneer verweerder nog verplicht is een besluit te nemen op de aanvraag van eiseres. Als die aanvraag is ingetrokken, hoeft verweerder geen besluit meer te nemen.
2. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres zich op 5 juli 2021 telefonisch heeft gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire. De vraag is of eiseres in het telefoongesprek van 10 mei 2022 haar aanvraag om integrale herbeoordeling vervolgens weer heeft ingetrokken.
3. Verweerder wijst er in dit verband op dat op 10 mei 2022 een notitie is gemaakt van een telefoongesprek met eiseres, kort gezegd inhoudende dat eiseres haar aanvraag intrekt omdat zij tevreden is met het toegekende bedrag van € 30.000,-. Bij brief van 17 juni 2022 heeft verweerder vervolgens aan eiseres bevestigd dat de aanvraag om integrale herbeoordeling verder niet in behandeling zal worden genomen. Verweerder heeft stukken overgelegd om te onderbouwen dat deze brief daadwerkelijk is verzonden (per gewone post).
4. Eiseres erkent dat zij op 10 mei 2022 telefonisch contact heeft gehad met verweerder. Ze verklaart dat zij in dit telefoongesprek heeft aangegeven dat zij het gesprek over de integrale herbeoordeling op dat moment wilde stoppen, omdat zij herbelevingen kreeg. Ze voert aan niet de bedoeling te hebben gehad om haar aanvraag in te trekken. De brief van 17 juni 2022 zegt eiseres nooit te hebben ontvangen.
5. De rechtbank stelt voorop dat het in dit geval aan verweerder is om aannemelijk te maken dat eiseres haar aanvraag heeft ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daar niet in geslaagd. Daartoe wordt het volgende overwogen.
6. Verweerder probeert het contact met gedupeerden van de toeslagenaffaire zo laagdrempelig mogelijk te maken. Om die reden kunnen aanvragen telefonisch worden gedaan en wordt er verder ook veel telefonisch gecommuniceerd. Dat is op zich een mooie service aan gedupeerden. Keerzijde daarvan is dat, anders dan bij correspondentie per brief of e-mail, achteraf onduidelijkheid en meningsverschillen kunnen ontstaan over wat er in die telefonische gesprekken is besproken. Naar het oordeel van de rechtbank mag dit ‘bewijsprobleem’ niet in het nadeel van (mogelijk) gedupeerden uitvallen. Dat betekent niet dat een aanvraag niet telefonisch kan worden ingetrokken, maar wel dat daar zeer zorgvuldig mee wordt omgegaan.
7. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Van het telefoongesprek op 10 mei 2022 is slechts een zeer korte notitie gemaakt door de betreffende medewerker. Het is daarom voor de rechtbank onmogelijk om te beoordelen of het gevoerde telefoongesprek ook kan passen bij de uitleg die eiseres daar nu over geeft. Dat komt voor rekening en risico van verweerder, omdat die verantwoordelijk is voor de verslaglegging van het telefoongesprek. De rechtbank heeft daarom twijfels bij de vraag of eiseres haar aanvraag heeft ingetrokken op 10 mei 2022. Dat eiseres vervolgens niet heeft gereageerd op de schriftelijke bevestiging van haar ‘intrekking’, maakt dit niet anders. De aanvraag kan namelijk alleen worden ingetrokken door een ‘actieve’ handeling van eiseres, niet door het niet reageren op een brief.
8. Omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat eiseres haar aanvraag heeft ingetrokken, gaat de rechtbank er bij de verdere beoordeling van dit beroep van uit dat de aanvraag niet is ingetrokken en verweerder gehouden is daar nog op te beslissen.
Het beroep niet tijdig is gegrond
9. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
10. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden. Verweerder is op 20 december 2024 door eiseres in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 14 januari 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek.
11. Het beroep is gegrond.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
12. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
13. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wettelijke beslistermijn te kort is om een besluit te nemen. Over de vraag welke beslistermijn wel realistisch is, heeft de rechtbank op 25 oktober 2024 uitspraak gedaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag om integrale herbeoordeling de door de Afdeling in haar uitspraak van 23 augustus 2023 gestelde termijnen nog steeds voldoen aan het criterium dat de termijn niet onnodig lang en niet onrealistisch kort mag zijn. De Afdeling heeft in die uitspraak bepaald dat in zaken waarin verweerder een besluit moet nemen op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen, een nadere beslistermijn geldt van twaalf weken na de datum van het verweerschrift om een schriftelijke vooraankondiging als bedoeld in artikel 6.7 van die wet te doen. Van deze twaalf weken moeten ten minste zes weken zijn gelegen na de dag van verzending van de uitspraak op het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als de twaalf weken ten tijde van de uitspraak op dat beroep al zijn verstreken of als verweerder geen verweerschrift heeft ingediend, geldt een termijn van zes weken na de dag van verzending van de uitspraak om een vooraankondiging te doen. Vervolgens moet verweerder binnen twee weken na ontvangst van een zienswijze op de vooraankondiging of binnen twee weken na het verstrijken van de termijn van zes weken om te reageren op de vooraankondiging een besluit om (aanvullende) compensatie bekendmaken. Door snel een zienswijze in te dienen of mee te delen dat geen zienswijze wordt ingediend, kan een aanvrager deze tweede termijn zo kort als mogelijk maken.
14. Omdat er inmiddels twaalf weken zijn verstreken sinds verweerder het verweerschrift heeft ingediend, stelt de rechtbank de termijn waarop verweerder een vooraankondiging moet doen op uiterlijk zes weken na verzending van deze uitspraak.
15. In de uitspraak van 25 oktober 2024 heeft de rechtbank verder overwogen dat in zaken zoals deze een dwangsom zal worden bepaald van € 50,- per dag voor iedere dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijnen niet haalt met een maximum van € 15.000,-. Evenals de Afdeling bepaalt de rechtbank dat de dwangsom begint te lopen op het moment dat verweerder de eerste termijn voor het doen van een vooraankondiging overschrijdt en deze loopt door tot het moment dat de vooraankondiging is verzonden. Als verweerder vervolgens ook de tweede termijn voor het nemen van een besluit om (aanvullende) compensatie overschrijdt, gaat de dwangsom weer verder lopen tot het moment dat verweerder dat besluit bekendmaakt.
Bestuurlijke dwangsom
16. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.
17. De rechtbank is van oordeel dat in onderhavig dossier geen bestuurlijke dwangsom is verbeurd, omdat verweerder onredelijk laat in gebreke is gesteld. Zij licht dit als volgt toe. Ingevolge artikel 4:17, lid 6, letter a, Awb is geen dwangsom verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. Of daarvan sprake is, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Eiseres heeft haar aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag ingediend op 5 juli 2021. De ingebrekestelling is door eiseres verzonden op 20 december 2024. Dit is bijna 3.5 jaar later dan de aanvraag. De rechtbank is van oordeel dat de gedingstukken geen omstandigheden naar voren brengen die rechtvaardigen dat de ingebrekestelling pas zoveel jaar na de aanvraag is verzonden. De rechtbank kent eiseres daarom geen bestuurlijke dwangsom toe.
Proceskosten en griffierecht
18. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid bij de zitting met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 907,-.
18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk zes weken na verzending van deze uitspraak een vooraankondiging te doen en een besluit bekend te maken binnen twee weken na ontvangst van de zienswijze dan wel binnen twee weken na het ongebruikt verstrijken van de termijn van zes weken om te reageren op de vooraankondiging; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
de griffier is buiten staat tete ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: