[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: M. van Mourik).
Inleiding
1. Eiseres ontvangt sinds 7 november 2006 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op 15 september 2016 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een toeslag op haar WIA-uitkering op grond van de Toeslagenwet (TW). Met het besluit van 21 september 2016 heeft het Uwv aan eiseres per 9 december 2015 een toeslag op haar WIA-uitkering toegekend van € 20,- per dag, gebaseerd op de norm voor gehuwden. Eiseres is in de aanvraag en het besluit tot toekenning van de toeslag gewezen op de verplichting om wijzigingen in haar situatie aan het Uwv door te geven.
2. Op 25 januari 2023 ontvangt het Uwv een interne melding dat de partner van eiseres zelfstandig ondernemer is. In de periode van juni 2023 tot en met mei 2024 heeft het Uwv via de Belastingdienst en via eiseres diverse pogingen gedaan om informatie te achterhalen over de inkomensgegevens van de partner van eiseres. In juni 2024 is eiseres door het Uwv uitgenodigd voor een gesprek om de invloed van inkomsten op het recht op de toeslag te bespreken. Eiseres heeft niet gereageerd op de informatieverzoeken van het Uwv en is niet ingegaan op de uitnodiging van het Uwv om haar financiële situatie te bespreken.
3. Met het besluit van 10 juli 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv besloten dat het recht, de duur en de hoogte van de toeslag op de WIA-uitkering van eiseres niet kan worden vastgesteld vanwege een gebrek aan informatie over de inkomensgegevens van haar partner. Met het primaire besluit heeft het Uwv vastgesteld dat eiseres daarom geen recht heeft op toeslag over de periode van 9 december 2015 tot en met 29 februari 2024. De uitbetaalde toeslag over deze periode ter hoogte van € 50.370,45 wordt door het Uwv teruggevorderd. Eiseres is het niet eens met het primaire besluit en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
4. Met de beslissing op bezwaar van 5 december 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Dit betekent dat de terugvordering van de toeslag in stand blijft. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
5. Het beroep van eiseres is behandeld op de zitting van 9 oktober 2025. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich op 8 oktober 2025 afgemeld voor de zitting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van het besluit
6. Het Uwv heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat recht op toeslag bestaat als de inkomsten van eiseres en haar partner lager zijn dan het sociaal minimum. Dit volgt uit artikel 2 van de TW. Om het recht op toeslag te kunnen beoordelen heeft het Uwv daarom informatie nodig over de inkomsten van eiseres en haar partner. Omdat eiseres aan het Uwv geen informatie heeft verstrekt over de inkomsten van haar partner handelt zij in strijd met de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 12 van de TW. Het niet nakomen van de inlichtingenplicht leidt ertoe dat het Uwv niet kan vaststellen of de inkomsten van eiseres en haar partner nog onder het sociaal minimum liggen en of dus nog recht op toeslag bestaat. Het Uwv heeft daarom op grond van artikel 11a, eerste lid, onder c, van de TW het recht op toeslag over de periode van 9 december 2015 tot en met 29 februari 2024 herzien.
Beoordeling door de rechtbank
7. Eiseres voert aan dat het recht op toeslag in de betreffende periode door het Uwv kan worden vastgesteld op basis van de beschikbare informatie. Als die informatie niet volstaat zou het recht op toeslag door het Uwv schattenderwijs vastgesteld moeten worden.
8. De rechtbank gaat er voor de beoordeling van deze beroepsgrond vanuit dat eiseres stelt dat er geen aanleiding is om het recht op toeslag te herzien omdat met de beschikbare informatie het recht op toeslag wel kan worden vastgesteld. Volgens eiseres zou er in dat geval geen grondslag zijn voor herziening van het recht op toeslag op grond van artikel 11a, eerste lid, onder c, van de TW. De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze beroepsgrond voorop dat eiseres in beroep geen inkomensgegevens van zichzelf of haar partner heeft overgelegd en heeft nagelaten om te concretiseren op basis van welke reeds beschikbare informatie het Uwv het recht op toeslag had kunnen vaststellen.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht vastgesteld dat op basis van de beschikbare informatie het recht op toeslag van eiseres niet kan worden vastgesteld. Uit het dossier volgt dat bij het Uwv bekend is dat de partner van eiseres op 1 juni 2010 een eenmanszaak is begonnen ( [bedrijf 1] ) en op 8 maart 2019 een B.V. heeft opgericht ( [bedrijf 2] B.V.). Uit contact met de Belastingdienst volgt echter dat over de jaren 2010 tot en met 2022 geen winst uit deze ondernemingen is opgegeven. Het Uwv heeft bij eiseres en haar partner om jaarstukken van deze ondernemingen gevraagd, maar deze informatie is niet overgelegd. Het Uwv heeft wel vastgesteld dat de partner van eiseres vanaf 1 juli 2023 betalingen ontvangt uit de onderneming [bedrijf 2] B.V., maar deze inkomsten zijn niet bij het Uwv gemeld. Aan de partner van eiseres is verder over de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 maart 2021 een uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers uitgekeerd. Ten slotte is bij het Uwv bekend dat met ingang van 14 maart 2024 en 27 maart 2024 twee faillissementen zijn uitgesproken van bedrijven waar de partner van eiseres bestuurder was. De rechtbank stelt vast dat deze beschikbare informatie geen inzicht geeft in gegenereerde inkomsten of winst uit ondernemingen. Bovendien hebben eiseres en haar partner ook na diverse verzoeken van het Uwv daartoe, geen concrete informatie over hun inkomenssituatie beschikbaar gesteld. Gelet op het voorgaande kon met de beschikbare informatie het recht op toeslag niet worden vastgesteld. Voor het schattenderwijs vaststellen van het recht op toeslag bestaat geen bevoegdheid. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Eiseres voert verder aan dat er dringende redenen zijn om van terugvordering van de toeslag af te zien omdat de tekortkomingen in de boekhouding zien op bedrijven van haar partner en er al sprake is van problematische schulden.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv in redelijkheid vastgesteld dat er geen sprake is van dringende redenen om van de terugvordering af te zien. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de dringende reden als open norm wordt gezien waarbij het Uwv de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Het Uwv heeft deze rechtspraak van de CRvB betrokken bij de beoordeling van het beroep van eiseres op de aanwezigheid van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het Uwv betrekt bij die afweging dat de oorzaak van de terugvordering volledig bij eiseres ligt, omdat zij – samen met haar partner – geen inzage heeft gegeven in inkomensgegevens van haar partner. Ook niet na veelvuldig verzoek van het Uwv daartoe. De rechtbank kan deze afweging van het Uwv volgen en overweegt dat uit het dossier niet is gebleken dat het handelen of nalaten van het Uwv heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de terugvordering. Ook de hoogte van de terugvordering en de aanwezigheid van problematische schulden vormen geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Het Uwv heeft bij de invordering de betalingsregeling afgestemd op de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit van eiseres. De financiële situatie van eiseres laat op dit moment in het geheel geen ruimte voor terugvordering zodat het Uwv met het besluit van 5 december 2024 heeft vastgesteld dat eiseres het Uwv voorlopig niet hoeft terug te betalen. Gelet op het voorgaande vormen de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen dringende reden om van terugvordering af te zien. De beroepsgrond slaagt niet.
12. Eiseres voert subsidiair aan dat de terugvorderingsperiode moet worden beperkt. Volgens eiseres moet de terugvordering pas aanvangen op 18 maart 2019 omdat op dat moment het bedrijf [bedrijf 3] B.V. is opgericht.
13. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Uit de informatie in het dossier en de door het Uwv gegeven toelichting volgt dat de partner van eiseres al in 2010 een eenmanszaak is begonnen waarover vanaf 2015 geen inkomensgegevens (meer) bekend zijn. Onder andere over deze onderneming, en de ondernemingen die daarna zijn opgericht, heeft het Uwv bij eiseres en haar partner inkomensgegevens opgevraagd. Deze gegevens zijn niet verstrekt, zodat het recht op toeslag vanaf 9 december 2015 niet kan worden vastgesteld. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de periode van terugvordering moet worden beperkt. De beroepsgrond slaagt niet.
14. Eiseres voert ten slotte aan dat het Uwv in de besluitvorming het terugvorderingsbedrag onvoldoende inzichtelijk heeft opgebouwd.
15. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. De bijlage bij het primaire besluit bevat een vergelijking van de bedragen die in de periode van 1 december 2015 tot en met 29 februari 2024 aan eiseres zijn uitgekeerd en waar zij volgens het Uwv recht op had. Het gaat dan om een vergelijking tussen het uitgekeerde bedrag aan WIA-uitkering inclusief toeslag, met de WIA-uitkering na herziening van het recht op toeslag. Het verschil betreft het maandelijks onterecht ontvangen bruto bedrag aan toeslag. Aan het eind van het overzicht is het totaal aan onverschuldigd ontvangen toeslag opgenomen.
Conclusie en gevolgen
16. Uit deze uitspraak volgt dat het Uwv terecht is overgegaan tot herziening en terugvordering van de aan eiseres uitgekeerde toeslag op haar WIA-uitkering over de periode van 9 december 2015 tot en met 29 februari 2024. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het beroep van eiseres is daarom ongegrond. Dit betekent dat de herziening en terugvordering van € 50.370,45 in stand blijven. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, voorzitter, mr. J.W. Veenendaal en mr. W. Altenaar, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2025.
(De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.)
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.