RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2876 T2
1. [eiser sub 1], en
2. [eiser sub 2],
beiden uit [plaats] ,
samen eisers,
(gemachtigde van eiser 2.: eiser 1.),
en
(gemachtigde: mr. S. Aperloo).
Als derde partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] B.V. (vergunninghoudster) (gemachtigde: mr. C. Schipperus).
Partijen worden in deze uitspraak eisers, gedeputeerde staten en vergunninghoudster genoemd.
Procesverloop
1. In de tussenuitspraak van 14 oktober 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank gedeputeerde staten in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
2. Gedeputeerde staten kunnen het eerste geconstateerde gebrek herstellen door een op het bouwproject toegesneden motivering te geven van de kwalitatieve noodzaak van het project en de effecten daarvan op andere segmenten van de woningmarkt in de (regio) Soest. Daarnaast kunnen gedeputeerde staten het tweede geconstateerde gebrek herstellen door inzichtelijk te motiveren dat er geen andere bevredigende oplossingen bestaan die minder verstrekkende gevolgen hebben voor essentieel foerageergebied van de das. Voor het verdere procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
3. Bij brief van 5 december 2025 hebben gedeputeerde staten de rechtbank verzocht de in de tussenuitspraak gestelde termijn te verlengen. Na telefonisch contact tussen de griffier en de gemachtigde van gedeputeerde staten is gebleken dat het om vier weken gaat. Vergunninghouder is akkoord met het verlenen van uitstel aan gedeputeerde staten. Eisers hebben niet gereageerd op het uitstelverzoek.
Overwegingen
4. Gedeputeerde staten hebben het verzoek om verlenging van de termijn om de gebreken te herstellen gedaan binnen de oorspronkelijke termijn die de rechtbank hiervoor heeft gesteld in de tussenuitspraak.
5. Slechts in bijzondere gevallen willigt de rechtbank zo’n verzoek om verlenging van de in de tussenuitspraak gestelde termijn in. Het verzoek om verlenging moet daarom zijn gemotiveerd.
6. Gedeputeerde staten willen gebruik maken van de gelegenheid om de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De reden waarom gedeputeerde staten de rechtbank verzoekt om verlenging van de termijn is dat zij meer tijd nodig hebben voor het opstellen van een aanvullend rapport.
7. De rechtbank ziet in de onderbouwing van het verzoek – en nu niet is gebleken van zwaarwegende bezwaren van de andere partijen – aanleiding om de termijn uit de tussenuitspraak met vier weken te verlengen tot 6 januari 2026. Het verlengen van de termijn dient het doel van geschilbeslechting tussen partijen.
8. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.
Beslissing
De rechtbank:
- stelt gedeputeerde staten tot 6 januari 2026 in de gelegenheid om de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de eerste tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. P. Mendelts, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.