ECLI:NL:RBMNE:2025:7508

ECLI:NL:RBMNE:2025:7508

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 08-04-2025
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer 16-259468-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. De verdachte wordt veroordeeld voor tweemaal afpersing in vereniging, diefstal met geweld in vereniging, poging tot afpersing in vereniging en diefstal in vereniging. Aan de verdachte wordt een voorwaardelijke PIJ-maatregel en een jeugddetentie van 86 dagen (met aftrek van het voorarrest) waarvan 50 dagen voorwaardelijk opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/259468-23 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 april 2025

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [postcode] te [plaats] ,

hierna: [verdachte] .

1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 maart 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A. Drogt en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.M.R. van Ginneken, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van hetgeen mr. P.M.A.C. van de Wouw, advocaat te Utrecht, als gemachtigde van de benadeelde partijen [slachtoffer1] , [slachtoffer2] en [slachtoffer3] naar voren heeft gebracht.

2. TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] :

Feit 1

op 5 oktober 2023 in Utrecht (Griftpark), samen met (een) ander(en), door middel van (bedreiging met) geweld een paar Apple Airpods en/of een doosje van [slachtoffer4] heeft afgeperst;

Feit 2

op 5 oktober 2023 in Utrecht (Griftpark), samen met (een) ander(en), door middel van (bedreiging met) geweld een horloge van [slachtoffer4] en/of een tasje met inhoud van [slachtoffer5] heeft gestolen;

Feit 3

op 5 oktober 2023 in Utrecht (Wilhelminapark), samen met (een) ander(en), door middel van (bedreiging met) geweld een iPhone X en/of een iPhone 11 en/of een identiteitskaart en/of een rugzak met inhoud (headset, huissleutels, een of meerdere pasjes, een bankpas en/of een

brillenkoker) van [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] heeft

afgeperst;

Feit 4

in de periode van 5 oktober 2023 tot en met 6 oktober 2023 in Utrecht

(Maarschalkerweerdpad), samen met (een) ander(en), door middel van (bedreiging met) geweld heeft geprobeerd een tas van [slachtoffer6] af te persen;

Feit 5

in de periode van 5 oktober 2023 tot en met 6 oktober 2023 in Utrecht

(Maarschalkerweerdpad), samen met (een) ander(en), een fiets van [slachtoffer6] heeft gestolen.

3. VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dit betekent dat er geen formele belemmeringen zijn om de zaak inhoudelijk te behandelen.

4. WAARDERING VAN HET BEWIJS

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. [verdachte] was de hele avond met de medeverdachten, wist dat deze groep van plan was om berovingen te plegen, is bij alle berovingen aanwezig geweest en heeft zelf ook bijgedragen aan het toepassen van geweld en/of het wegnemen van goederen. [verdachte] heeft bekend dat hij aangever [slachtoffer4] tegen een heg heeft geduwd en de fiets van aangever [slachtoffer6] heeft gestolen. Uit de verklaringen van de aangevers en getuigen blijkt echter dat [verdachte] ook betrokken was bij het wegnemen van het tasje van aangever [slachtoffer5] en bij het toepassen van geweld op aangevers [slachtoffer3] en [slachtoffer6] . Hiernaast blijkt uit de telefoon van [verdachte] dat hij kort na de beroving in het Griftpark het merk van het horloge van aangever [slachtoffer4] heeft opgezocht en dat hij kort na de beroving in het Wilhelminapark een foto van de schoolpas van aangever [slachtoffer3] heeft gemaakt. Gelet op deze omstandigheden kan [verdachte] als medepleger van alle berovingen worden aangemerkt. Voor zover van belang worden de standpunten van de officier van justitie hieronder besproken bij het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 2, feit 3 en feit 5 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit omdat het medeplegen niet kan worden bewezen. Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] enige bijdrage heeft geleverd aan het afhandig maken van de Airpods van aangever [slachtoffer4] . Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit omdat het medeplegen niet kan worden bewezen. [verdachte] bekent dat hij de fiets van aangever [slachtoffer6] heeft gestolen (feit 5), maar ontkent dat hij ook bij het geweld richting [slachtoffer6] betrokken is geweest (feit 4) en uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] hier wel bij betrokken is geweest. Voor zover van belang worden de standpunten van de raadsvrouw hieronder besproken bij het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Feit 1 en 2 (Griftpark)

De verklaring van [verdachte] ter terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In het Griftpark zag ik dat iemand van mijn groep een pistool toonde en hoorde ik dat er om spullen werd gevraagd. Iemand wilde zijn spullen niet geven en ik heb die persoon [de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer4]] toen meegenomen. Ik zei tegen hem dat deze jongens gek zijn en dat hij beter zijn spullen kon geven. Toen heb ik hem tegen een heg aan gezet. Iemand anders heeft toen zijn horloge gepakt.

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer4] van 6 oktober 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben de eigenaar van Apple Airpods in een doosje. Op 5 oktober 2023 was ik met vrienden in het Griftpark. Ik zag dat er drie jongens om mij heen kwamen staan. Ik hoorde een jongen aan mij vragen: “Heb je Airpods?” Hierop zie ik: “Nee.” Vervolgens hoorde ik hem zeggen: “Als wij in je zakken voelen, heb je dan nog steeds geen Airpods?” Ik zag dat de lange jongen uit een tasje een zwart pistool pakte. Ik hoorde de jongen op luide en dwingende toon iets zeggen in de trant van: “Als ik deze op je hoofd zet dan…” Terwijl hij dit uitsprak, zag ik dat de jongen dreigend met zijn bovenlichaam naar voren boog. Doordat ik mij zeer bedreigd voelde gaf ik mijn Airpods aan de jongen.

Toen ik bij mijn fiets stond, voelde ik dat ik stevig werd vastgepakt bij beide

bovenarmen. Ik voelde dat ik tegen de heg werd aangeduwd. Terwijl ik tegen de heg

aan stond hoorde ik 1 van de jongens zeggen: “We willen ook je horloge”. Ik zag en voelde dat 1 van de jongens mijn horloge van mijn linkerpols afhaalde en wegnam. Ik kan die jongen als volgt omschrijven: huidskleur lichtgetint, 16-17 jaar, 1,75 meter, zwart, kort haar, postuur beetje gezet.

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer5] van 6 oktober 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 5 oktober 2023 was ik met mijn vrienden in het Griftpark in Utrecht .

Persoon 4:- Man;- ongeveer 17 jaar oud;- licht getinte huidskleur;- ongeveer 175 centimeter lang;- gezet postuur;- kort zwart haar met zijkant opgeschoren;- zwarte broek.

Ik zag dat persoon 1 links voor mij kwam staan. Ik zag dat hij een voorwerp uit zijn tas haalde. Ik herkende dit voorwerp direct als een vuurwapen. Ik zag dat persoon 4 achter mij stond. Ik voelde dat persoon 4 mijn tasje over mijn hoofd deed en deze pakte. Ik zag dat persoon 4 mij mijn tasje weer teruggaf. Ik voelde gelijk aan het tasje dat het helemaal leeg was. Ik zag dat persoon 4 mijn vriend beetpakte en zei: ‘Geef die kankerhorloge, geef die kankerhorloge.’ Ik zag dat mijn vriend tegen de heg aan werd gezet en dat zijn horloge van zijn arm werd gehaald.

De verklaring van getuige [getuige 1] van 6 oktober 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zag dat twee jongens het tasje van [slachtoffer5] aanraakten. Ik hoorde dat een van de jongens aan [slachtoffer5] vroeg wat hij in zijn tasje had. Ik zag dat de jongens het tasje vervolgens leeg maakten. Ik zag dat deze twee jongens door gingen naar [slachtoffer4] en dat zij in zijn zakken gingen voelen.

De verklaring van getuige [getuige 2] van 6 oktober 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Persoon 2:Geslacht: man;haarkleur: zwart;haardracht: lichte slag en bovenop iets langer;leeftijd: rond de 19 jaar;gelaatskleur: licht getint en een slechte huid;postuur: dik;lengte: ongeveer 180 centimeter tot 185 centimeter;vervoersmiddel: of op de fiets of achterop op de scooter;kleding: volledig in het zwart gekleed.Rol: Hij initieerde het afpakken van het horloge. Hij heeft het slachtoffer tegen het hek geduwd.

Feit 3 (Wilhelminapark)

De verklaring van [verdachte] ter terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In het Wilhelminapark heb ik hem [de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer3]] weggetrokken. Ik heb tegen hem gezegd dat de deze jongens net in het Griftpark hetzelfde hadden gedaan en dat ze met hem gaan vechten als hij zijn spullen niet zou geven.

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer2] van 6 oktober 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 5 oktober 2023 was ik samen met mijn vrienden [slachtoffer1] [de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer1]] en [slachtoffer3] [de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer3]] in het Wilhelminapark te Utrecht . Ik hoorde dat verschillende jongens riepen dat wij onze spullen af moesten geven. Ik zag dat verschillende jongens aan het duwen en trekken waren aan onze vriend [slachtoffer3] . Ik zag dat jongen 4 een vuurwapen op het achterhoofd van [slachtoffer3] richtte. Ik zag dat hij het vuurwapen tegen het hoofd van [slachtoffer3] hield. Ik zag dat jongen 2 zei dat we onze zakken leeg moesten maken. Ik zag dat verschillende jongens aan onze zakken in onze trui zaten. Ik gaf de jongens mijn telefoon. Mijn telefoon betreft een Apple Iphone 11 met een zwart hoesje. In mijn hoesje zat mijn identiteitskaart. Ik zag dat [slachtoffer1] en [slachtoffer3] hun spullen ook aan de jongens gaven.

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer1] van 6 oktober 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 5 oktober 2023 was ik samen met mijn vrienden [slachtoffer2] [de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer2]] en [slachtoffer3] in het Wilhelminapark te [plaats] . Ik hoorde dat verschillende jongens riepen dat wij onze spullen af moesten geven. Ik zag dat verschillende jongens aan het duwen en trekken waren aan onze vriend [slachtoffer3] . Ik zag dat jongen 4 een vuurwapen op het achterhoofd van [slachtoffer3] richtte. Ik zag dat hij het vuurwapen tegen het hoofd van [slachtoffer3] hield. Ik zag dat jongen 2, met de schroevendraaier, zei dat we onze zakken leeg moesten maken. Ik zag dat verschillende jongens aan onze zakken in onze trui zaten. Ik gaf de jongens mijn telefoon. Mijn telefoon betreft een Apple iPhone X. Ik zag dat [slachtoffer2] en [slachtoffer3] hun spullen ook aan de jongens gaven.

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer3] van 6 oktober 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 5 oktober 2023 was ik samen met mijn vrienden [slachtoffer1] en [slachtoffer3] [de rechtbank

begrijpt: [slachtoffer2]] in het Wilhelminapark. Een persoon kwam op mij aflopen. Deze persoon richtte een op echt lijkend pistool op mijn achterhoofd en zei tegen mij dat ik mijn tas aan hem moest afstaan. Ik draaide me vervolgens om en kon duidelijk zien dat het om een pistool ging. Doordat ik bedreigd werd, stond ik mijn rugtas af. In deze rugtas zaten de volgende tot mij behorende goederen:

zwarte Sony XN4 headset;

huissleutels;

rode kaarthouder met meerdere pasjes;

bankpas;

brillenkoker.

Ik werd door een jongen beetgepakt en tegen mijn wil meegesleurd richting het veldje achter de bank waar ik op zat. Deze jongen ken ik qua gezicht aangezien hij wel vaker in het Wilhelminapark zit. Ik kan deze jongen als volgt omschrijven: fors postuur, ongeveer 20 jaar oud.

De politieagent die na de beroving ter plaatse was liet mij een foto zien van een van

de verdachten die zij kennelijk op het oog hadden. Ik herkende de persoon op deze

foto voor de volle 100% als zijnde de forse jongen die mij tegen mijn wil mee sleurde

en die ik dus wel vaker in het Wilhelminapark zie.

Proces-verbaal van bevindingen van 6 oktober 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Gezien de ernst van het incident, de gebruikmaking van een mogelijk vuurwapen én de

grote kans op nog een beroving besloot ik, teneinde vast te stellen of de dadergroep

van deze beroving dezelfde was als die van de eerste beroving van diezelfde avond, om

[slachtoffer3] een foto van de verdachte [verdachte] te tonen. Ik zag dat [slachtoffer3] , na

het zien van de foto, direct reageerde en hoorde hem zeggen: “Ja dit is hem, duizend

procent zeker”.

Feit 4 (Maarschalkerweerdpad)

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer6] van 6 oktober 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 6 oktober 2023 reed ik op mijn fiets op het Maarschalkerweerdpad te Utrecht . Ik zag een

groep jongens staan, verspreid over de breedte van de weg. Toen ik de groep was genaderd hoorde ik een jonge mannenstem roepen: "Meneer heeft u verstand van scooters?" Toen ik langs de jongens fietste voelde ik dat ik door een van hen van mijn fiets werd geduwd. Door de duw viel ik hard op het wegdek. Ik voelde dat ik werd geschopt.

Naast de jongen die mij van mijn fiets had geduwd, werd ik geschopt door een jongen

die ik als volgt kan omschrijven:

-afkomst: onbekend

-huidskleur: lichtgetint

-leeftijd: 17-18 jaar

-lengte: 1.75 meter

-postuur: iets gezet

-kleding: zwarte hoodie

-haar: zwart

-accent: licht accent, onbekend welke

Ik voelde dat ik geraakt werd op mijn heup, schouder, kaak en op mijn rug. Ik zag dat een jongen op mij af kwam lopen en een mes in zijn hand had. Ik zag dat de jongen het mes met de punt in mijn richting wees. Ik hoorde een van de jongens zeggen: “Geef je tas!” Ik zag dat een van de jongens mijn fiets oppakte en wegnam.

De verklaring van getuige [getuige 3] van 11 oktober 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

A: Ik zag dat 2 personen [slachtoffer6] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer6]] van zijn fiets aftildendoor hem bij zijn armen vast te pakken.A: Een van deze jongens was de jongen die eerder het meest rechts stond. Jongen 1 was de grootste van iedereen. Hij droeg een zwarte hoodie met witte schoenen. Verder was hij helemaal in het donker gekleed en hij had een breed postuur. V: Wat gebeurde er met [slachtoffer6] ?A: Ik zag dat [slachtoffer6] op de grond lag voor de scooter en dat de jongens hem trapten. Dat was jongen 1. Ik zag dat hij [slachtoffer6] in zijn zij en in zijn buik trapte.

De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] van 7 oktober 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Later in de avond [de rechtbank begrijpt: van 5 oktober 2023] reden mijn vriend en

ik naar de Koningsweg. Er kwam een groep jongens naar ons toe. Even later zag ik dat jongens van de groep met een man vochten. Met een groepje van ongeveer 6 personen haalden ze een man van zijn fiets op het fietspad.

Ik hoorde van jongen 1 dat ze wat hadden gestolen van een man op het fietspad. Hij vertelde mij ook dat ze bij het Griftpark en Wilhelminapark waren geweest.

Deze jongen vertelde ook dat ze daar van iemand wat hadden geroofd.

Ik wil nog aanvullen dat de gehele groep die werd aangehouden betrokken was bij de

diefstal op het fietspad. Ik zag dat de man van zijn fiets getrokken werd en dat de

gehele groep er bovenop dook.

Een proces-verbaal ter terechtzitting van medeverdachte [medeverdachte 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[medeverdachte 2] verklaart het volgende:

‘Er was een plan om spullen te stelen van mensen in het Griftpark. In het Griftpark kwamen wij de groep van slachtoffers tegen. Het plan was om spullen van die groep af te pakken.

In het Wilhelminapark waren wij met dezelfde groep als in het Griftpark. Ik had wel kunnen weten dat wij nogmaals spullen zouden afpakken van mensen.

Na het Wilhelminapark kwamen wij twee andere jongens tegen. Er werd toen afgesproken om in de buurt van het Maarschalkerweerdpad af te spreken. Het doel was om iemand te beroven.’

Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Alle screenshots zijn van beelden op donderdag 5 oktober 2023.

21:52:26 [medeverdachte 3] loopt de Albert Heijn in.

21:52:29 [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] lopende Albert Heijn in.

21:52:34 [verdachte] [de rechtbank begrijpt: [verdachte]] komt de Albert Heijn binnen.

21:52:37 [medeverdachte 2] komt de Albert Heijn binnen.

Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Signalement verdachte [verdachte]Geslacht: manHuidskleur: licht getintLeeftijd: 17 jaarLengte: 1,81 meterPostuur: gezetHaardracht: golvend/krullend zwart haarGezichtsbeharing: geenBovenkleding: zwartBroek: Zwarte trainingsbroek met witte strepen en wit Adidas logoSchoenen: Witte schoenen met zwart Nike logo.

Feit 5 (Maarschalkerweerdpad)

Feit 5 is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 5 ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

de bekennende verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van 25 maart 2025;

het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer6] op 6 oktober 2023

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit

of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige

onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of

meerdere feiten.

Bewijsoverwegingen

Feit 1 en 2 (Griftpark)

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] wel als medepleger van (ook) de onder 1 ten laste gelegde afpersing kan worden aangemerkt. Uit de verklaringen van de aangevers blijkt dat eerst aangever [slachtoffer5] is beroofd van (de inhoud van) zijn tasje en dat daarna aangever [slachtoffer4] is beroofd van achtereenvolgens zijn Airpods en zijn horloge. [slachtoffer5] verklaart dat een verdachte een vuurwapen aan hem toonde en dat een andere verdachte (‘persoon 4’) van achteren zijn tasje heeft afgepakt. Het signalement van deze persoon 4 komt overeen met de uiterlijke kenmerken van [verdachte] , zoals de politie die na zijn aanhouding genoteerd heeft. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] het tasje van [slachtoffer5] heeft gepakt en daarmee als medepleger van de diefstal met geweld jegens [slachtoffer5] kan worden aangemerkt (onderdeel 2 van feit 2). Uit de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt dat dezelfde jongens die eerst aangever [slachtoffer5] vasthadden, daarna op aangever [slachtoffer4] zijn afgegaan om hem zijn Airpods afhandig te maken. Hieruit leidt de rechtbank af dat [verdachte] één van de jongens is geweest die ook bij het afhandig maken van de Airpods (feit 1) betrokken is geweest. Uit de verklaring van getuige [getuige 2] blijkt dat ‘persoon 2’, wiens signalement overeenkomt met de uiterlijke kenmerken van [verdachte] , het initiatief nam om na de Airpods ook het horloge (onderdeel 1 van feit 2) van aangever [slachtoffer4] af te pakken en [slachtoffer4] daartoe tegen een heg heeft geduwd. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [verdachte] ter zitting, inhoudende dat hij een van de jongens tegen de heg geduwd heeft en tegen die jongen heeft gezegd dat hij maar beter zijn spullen kon geven. Aangever [slachtoffer5] heeft verklaard dat de persoon die aangever [slachtoffer4] tegen de heg duwde, dezelfde persoon is die eerder het tasje van [slachtoffer5] had gepakt. Uit deze verklaringen, in samenhang bezien, en de volgordelijkheid van de feiten die bovendien in een kort tijdsbestek hebben plaatsgevonden, volgt dat [verdachte] nauw en bewust samenwerkte met de anderen van de groep waarvan hij deel uitmaakte, zowel bij het afhandig maken van de Airpods (feit 1) als het horloge en het tasje met inhoud (feit 2). De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] ook als medepleger bij de onder 1 ten laste gelegde afpersing van [slachtoffer4] betrokken is geweest.

Feit 3 (Wilhelminapark)

Aangevers verklaren dat zij met elkaar in het Wilhelminapark zaten en door een groep zijn lastiggevallen en hun bezittingen moesten afgeven. [verdachte] maakte deel uit van die groep. Uit de verklaring van [medeverdachte 2] blijkt dat de groep het plan had om mensen te beroven. Eerst in het Griftpark, maar toen dezelfde groep daarna naar het Wilhelminapark ging, was volgens [medeverdachte 2] wel duidelijk wat daar zou gebeuren. Bij de afpersingen die vervolgens hebben plaatsgevonden in het Wilhelminapark speelt [verdachte] vervolgens een significante rol. Aangever [slachtoffer3] verklaart dat hij op enig moment werd vastgepakt en meegesleurd door een forsere verdachte die hij vaker in het Wilhelminapark heeft gezien. Aan [slachtoffer3] is een foto van [verdachte] getoond en [slachtoffer3] herkende hem als de persoon door wie hij was meegesleurd. Ter zitting heeft [verdachte] bevestigd dat hij [slachtoffer3] heeft vastgepakt. [verdachte] heeft bovendien verklaard dat hij op dat moment tegen [slachtoffer3] heeft gezegd dat er met hem gevochten zou worden als hij zijn spullen niet zou geven. [slachtoffer3] heeft vervolgens zijn spullen afgegeven. Ook de andere aangevers, [slachtoffer2] en [slachtoffer1] , hebben zich door de gedragingen en uitlatingen van de groep, onder wie dus ook [verdachte] , genoodzaakt gevoeld hun spullen af te geven. Gelet op het van tevoren besproken plan en de handelwijze van [verdachte] in het samenstel van gebeurtenissen is de rechtbank van oordeel dat er een voldoende nauwe en bewuste samenwerking was tussen [verdachte] en de medeverdachten gericht op het afpersen van [slachtoffer3] , [slachtoffer2] en [slachtoffer1] . De bijdrage die [verdachte] heeft geleverd is van voldoende gewicht is om hem als medepleger van deze afpersingen aan te merken.

Feit 4 (Maarschalkerweerdpad)

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] ook als medepleger van de onder 4 ten laste gelegde poging tot afpersing kan worden aangemerkt. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] blijkt dat de groep waarvan [verdachte] deel uitmaakte in de buurt van het Maarschalkerweerdpad had afgesproken met het doel om iemand te beroven. [verdachte] ontkent dat hij betrokken was bij het geweld dat op aangever [slachtoffer6] is uitgeoefend, maar de rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. In de verklaringen van de aangever en getuige [getuige 3] komt naar voren dat aangever getrapt is door een licht getinte, gezette respectievelijk brede jongen met zwart haar, die een zwarte hoodie en witte schoenen droeg. Dit signalement komt overeen met de uiterlijke kenmerken van [verdachte] ten tijde van zijn aanhouding enkele minuten na het incident op het Maarschalkerweerdpad. Om deze reden concludeert de rechtbank dat [verdachte] niet alleen de fiets van aangever [slachtoffer6] heeft weggenomen (feit 5), maar ook een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het op [slachtoffer6] toegepaste geweld. Daarmee acht de rechtbank ook het ten laste gelegde medeplegen van de poging tot afpersing (feit 4) bewezen.

5. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1

op 5 oktober 2023 te Utrecht (Griftpark)

tezamen en in vereniging met een anderen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door bedreiging met geweld

[slachtoffer4] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar Apple Airpods en een

doosje, die geheel aan [slachtoffer4] toebehoorden,

door:

- met meerdere personen om die [slachtoffer4] heen te gaan staan,

- aan die [slachtoffer4] te vragen: "Heb je Airpods?" en "Als we in je zakken voelen

heb je dan nog steeds geen Airpods?",

- met zijn handen richting de broekzak van die [slachtoffer4] te gaan,

- een tasje voor het hoofd van die [slachtoffer4] te houden en daaruit gedeeltelijk een vuurwapen, althans eenop een vuurwapen gelijkend voorwerp te pakken,

- tegen die [slachtoffer4] te zeggen: "als ik deze op je hoofd zet dan..."

en

- dreigend met zijn bovenlichaam naar voren te buigen richting die [slachtoffer4] ;

2

op 5 oktober 2023 te Utrecht (Griftpark)

tezamen en in vereniging met anderen

een horloge dat geheel aan [slachtoffer4] toebehoorde

heeft weggenomen met het oogmerk om zich dat wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door

- die [slachtoffer4] stevig vast te pakken bij beide bovenarmen,

- die [slachtoffer4] tegen een heg aan te duwen,

- tegen die [slachtoffer4] te zeggen: "We willen ook je horloge", en

- een horloge van de pols van die [slachtoffer4] af te halen

en

de inhoud van een tasje die geheel aan [slachtoffer5] toebehoorde

heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk

toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer5] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door

- vóór die [slachtoffer5] te gaan staan, zijn heuptas van zijn rug naar zijn buik te

draaien, deze heuptas open te maken en/of een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp gedeeltelijk uit deze heuptas te halen

en

- een tasje van die [slachtoffer5] over zijn hoofd te doen en de inhoud van dit tasje weg te

nemen;

3

op 5 oktober 2023 te Utrecht

tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer1] en [slachtoffer2] en [slachtoffer3] heeft gedwongen tot de afgifte van een iPhone X en een iPhone 11 en een identiteitskaart en een rugzak met inhoud (headset, huissleutels, een of meerdere pasjes, een bankpas en een brillenkoker), goederen die geheel of ten dele aan die [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] toebehoorden, door:

- die [slachtoffer3] te duwen en beet te pakken,

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen en op het hoofd van die [slachtoffer3] te richten, en

- daarbij te zeggen dat die [slachtoffer1] en/of die [slachtoffer2] en/of die

[slachtoffer3] hun spullen moesten afstaan en daarbij aan de zakken te voelen;

4

op 06 oktober 2023 te

Utrecht (Maarschalkerweerdpad)

tezamen en in vereniging met anderen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en bedreiging met geweld

[slachtoffer6] te dwingen tot de afgifte van zijn tas, die geheel aan [slachtoffer6] toebehoorde,

door die [slachtoffer6] :

- de weg te hebben versperren,

- van de fiets te duwen, waardoor die [slachtoffer6] op de grond is gevallen,

- meermalen tegen zijn heup, schouder, kaak en rug, te schoppen,

- een mes te tonen en de punt van het mes op die [slachtoffer6] te richten, en

- ( daarbij) te zeggen 'geef je tas!',

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5

op 06 oktober 2023 te Utrecht

(Maarschalkerweerdpad) tezamen en in vereniging met anderen

een fiets, die geheel aan [slachtoffer6] toebehoorden heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [verdachte] wordt hiervan vrijgesproken.

6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 en feit 2: de voortgezette handeling van:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 3: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 4: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 5: diefstal door twee of meer verenigde personen.

7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.

8. OPLEGGING VAN STRAF

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie sluit zich aan bij de conclusie van de deskundigen dat [verdachte] verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Zij heeft gevorderd om [verdachte] te veroordelen tot:

- een jeugddetentie van 86 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met de slachtoffers (gedurende de proeftijd), een contactverbod met de medeverdachten (zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt) en een gebiedsverbod voor het Griftpark en het Wilhelminapark (gedurende de proeftijd);

- de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel), geheel voorwaardelijk en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming in het rapport van 21 maart 2025.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd om de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft opgemerkt dat zij de voorwaardelijke PIJ-maatregel een zwaar middel vindt, maar heeft toch verzocht om de strafeis van de officier van justitie te volgen, met uitzondering van de gevorderde gebiedsverboden voor het Griftpark en het Wilhelminapark.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen plegen van meerdere berovingen. Hij maakte deel uit van een groep jongens die in een kort tijdsbestek bij willekeurige slachtoffers spullen heeft afgepakt en daarbij geweld heeft gebruikt of daarmee heeft gedreigd. Aan twee slachtoffers is een vuurwapen getoond, één slachtoffer kreeg dit vuurwapen tegen zijn achterhoofd gedrukt en een ander slachtoffer is uit het niets van zijn fiets geduwd, geschopt en met een mes bedreigd. [verdachte] heeft bij alle feiten een belangrijk aandeel gehad door geweld te gebruiken en/of spullen weg te nemen. Het moet voor de slachtoffers, die ’s avonds met vrienden in een park waren of gewoon over straat fietsten, zeer beangstigend zijn geweest om uit het niets door een overtal aan jongens omsingeld en beroofd te worden. In de vorderingen van de benadeelde partijen komt duidelijk naar voren dat zij veel last hebben van wat hen is overkomen en dat zij zich nog steeds niet veilig voelen op straat. De rechtbank rekent het [verdachte] aan dat hij geen rekening heeft gehouden met deze nare gevolgen voor de slachtoffers en dat hij bij alle berovingen een substantiële en soms ook initiërende rol heeft gespeeld.

De persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel uit de Justitiële Documentatie (het strafblad) van [verdachte] van 12 februari 2025. Hieruit blijkt dat [verdachte] in het verleden eenmaal voor bedreiging en belediging is veroordeeld.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een Pro Justitia rapportage over [verdachte] , bestaande uit:

- een rapport van 8 oktober 2024, opgemaakt door A.M. de Jong, psychiater;

- een rapport van 4 oktober 2024, opgemaakt door G.H.J. Friedrichs-Groenendaal, kinder- en jeugdpsycholoog.

De deskundigen concluderen beiden dat er bij [verdachte] psychische stoornissen aanwezig zijn, namelijk een licht verstandelijke beperking, een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis, matig van ernst. Beide deskundigen zijn van oordeel dat de stoornissen hebben doorgewerkt in de ten laste gelegde feiten. Het denken van [verdachte] is sterk gericht op de korte termijn en hij is onvoldoende in staat om de gevolgen van zijn handelen te overzien. [verdachte] heeft daarnaast moeite om zich in de gevoelens van anderen te verplaatsen en is erg vatbaar voor groepsdruk en beïnvloeding door mensen die betekenisvol voor hem zijn. Onder invloed van deze problematiek is bij [verdachte] niet het idee opgekomen en/of is hij onvoldoende in staat geweest om zich aan de dynamiek van de groep te onttrekken. Het gebruik van cannabis heeft de drempel om over te gaan tot strafbaar handelen mogelijk verlaagd en het maken van eigen, afgewogen keuzes voor [verdachte] (verder) bemoeilijkt. Door het samenspel tussen de psychische stoornissen en de beperkingen die hieruit voortvloeien, heeft [verdachte] een verminderde keuzevrijheid gehad om anders te handelen dan hij heeft gedaan. De deskundigen adviseren daarom om alle feiten in verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen.

De rechtbank neemt de conclusies en de adviezen van de deskundigen op de daartoe in hun

rapporten genoemde gronden over. De rechtbank concludeert dat de bewezenverklaarde

feiten in verminderde mate aan [verdachte] kunnen worden toegerekend.

Ten aanzien van de strafrechtelijke afdoening wordt door beide deskundigen geadviseerd om behandeling en begeleiding op te leggen in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. De deskundigen schatten het risico op recidive als matig tot hoog in en vinden dat er een strak kader van behandeling en begeleiding nodig is om dit risico te verminderen en de verdere ontwikkeling van [verdachte] te bevorderen. Andere juridische kaders, zoals bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke jeugddetentie en/of een gedragsbeïnvloedende maatregel, zijn volgens de deskundigen niet toereikend om deze doelen te bereiken. Binnen deze kaders is namelijk het risico aanwezig dat de behandeling volledig wordt stopgezet als [verdachte] op enig moment niet meer aan de behandeling zou willen meewerken of als hij zich niet aan de voorwaarden houdt en de voorwaardelijke jeugddetentie ten uitvoer moet worden gelegd. Gelet op de kwetsbaarheden en de beperkte copingvaardigheden van [verdachte] , dient de voortzetting van zijn behandeling juist zoveel mogelijk gewaarborgd te worden en een voorwaardelijke PIJ-maatregel is daarvoor het meest geschikte kader.

De rechtbank heeft tot slot kennisgenomen van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 21 maart 2025, opgesteld door [A] , raadsonderzoeker. Hierin komt naar voren dat de Raad de kans op herhaling als heel hoog inschat. De grootste risicofactoren zijn volgens de Raad gelegen in de domeinen gezin, geestelijke gezondheid, middelengebruik en vaardigheden. Volgens de Raad is het pleeggezin waarin [verdachte] momenteel woont onvoldoende ondersteunend in de gewenste positieve gedragsverandering. [verdachte] ervaart veel spanning, blowt regelmatig om deze spanning te dempen, beschikt over weinig probleemoplossende vaardigheden en laat regelmatig grensoverschrijdend en soms ook agressief gedrag richting gezagsdragers zien. De Raad vindt het positief dat [verdachte] een grote intrinsieke motivatie heeft om te werken en dat zijn relatie met de jeugdreclassering in de afgelopen periode is verbeterd. Toch concludeert de Raad dat deze positieve punten niet zwaarwegend genoeg zijn om de ernstige zorgen over [verdachte] weg te nemen. De Raad sluit zich aan bij het advies van de deskundigen om aan [verdachte] een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De Raad is zich ervan bewust dat dit een zware interventie is, maar acht de maatregel toch passend vanwege de ernst van de ten laste gelegde feiten, het hoge recidiverisico en de vele zorgen over de ontwikkeling van [verdachte] . Net als de deskundigen meent de Raad dat er een ferme stok achter de deur nodig is die [verdachte] motiveert om zich volledig in te blijven zetten voor zijn behandeling. De Raad adviseert de rechtbank om aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel de volgende (dadelijk uitvoerbare) bijzondere voorwaarden te verbinden:

I) een meldplicht in het kader van de maatregel van Toezicht en Begeleiding, waarvan de eerste zes maanden ITB Harde Kern;

II) meewerken aan en zich inzetten voor begeleiding vanuit Humanitas DMH Homerun of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;

III) meewerken aan en zich inzetten voor behandeling bij Fivoor of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;

IV) zich inzetten voor het behoud van een positieve dagbesteding;

V) meewerken aan een begeleid wonen traject, indien dit noodzakelijk is in het kader van de behandeling en indien de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt.

De Raad adviseert tot slot om naast de voorwaardelijke PIJ-maatregel een jeugddetentie op te leggen, bestaande uit een onvoorwaardelijk deel gelijk aan de duur van het voorarrest en een voorwaardelijk deel, met daaraan gekoppeld een contactverbod met de medeverdachten en een contactverbod met de slachtoffers, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de strafsoort en de vaststelling van de duur daarvan heeft de rechtbank het volgende laten meewegen. Gelet op het aantal en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, kan met geen andere straf worden volstaan dan een straf die vrijheidsbeneming met zich meebrengt. De feiten zouden in beginsel kunnen dragen dat [verdachte] een jeugddetentie opgelegd krijgt die de duur van zijn voorlopige hechtenis overschrijdt. Dit zou betekenen dat [verdachte] terug naar de jeugdgevangenis wordt gestuurd.

In de persoon van [verdachte] , zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid en de noodzaak tot behandeling en begeleiding, ziet de rechtbank echter zwaarwegende redenen om niet tot de oplegging van een dergelijke straf over te gaan. Om te voorkomen dat [verdachte] onder invloed van zijn complexe problematiek opnieuw strafbare feiten pleegt, is het vooral van belang dat hij de juiste behandeling krijgt. De rechtbank vindt het daarom erg positief dat [verdachte] zich in de afgelopen periode opener en meewerkender richting hulpverlening heeft opgesteld en moedigt hem aan om deze ontwikkeling voort te zetten. Gelet op het vorengaande zal de rechtbank voor het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie volstaan met het aantal dagen dat [verdachte] in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Voorwaardelijke PIJ-maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd om [verdachte] een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel, zoals genoemd in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht en licht dat als volgt toe.

De rechtbank beschikt over een dubbele Pro Justitia rapportage, waarin een psychiater en een kinder- en jeugdpsycholoog hun bevindingen over [verdachte] hebben vastgelegd en een advies aan de rechtbank hebben uitgebracht.

De deskundigen schrijven dat bij [verdachte] sprake is van een lichte verstandelijke beperking, een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis, matig van ernst. Deze stoornissen hebben doorgewerkt in het begaan van de ten laste gelegde feiten en op die feiten is naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer of gesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is oplegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel ook noodzakelijk voor de veiligheid van andere personen of goederen. De psychiater en de psycholoog concluderen allebei dat het recidiverisico, gelet op de complexe problematiek van [verdachte] , matig tot hoog is als [verdachte] niet de juiste (langdurige) behandeling krijgt. De Raad schat het recidiverisico zelfs als heel hoog in en onderschrijft het standpunt van de deskundigen dat andere juridische kaders niet toereikend zijn om de veiligheid van personen en goederen te waarborgen.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] is. Het is een ingrijpend, maar geëigend middel om de verdere persoonlijkheidsontwikkeling van [verdachte] positief bij te sturen. Binnen het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel krijgt [verdachte] de behandeling en begeleiding die hij nodig heeft om met zijn uitdagingen en kwetsbaarheden aan de slag te gaan en zich te richten op een positieve toekomst. Ter zitting heeft [verdachte] benadrukt dat hij erg gemotiveerd is om te voorkomen dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt omgezet in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel met klinische behandeling.

Conclusie

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de straf zoals die door de officier van justitie is gevorderd een passende afdoening is. Aan [verdachte] zal daarom een voorwaardelijke PIJ-maatregel worden opgelegd, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming. Hiernaast zal aan [verdachte] een jeugddetentie worden opgelegd voor de duur van 86 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zullen contactverboden met de slachtoffers en de medeverdachten worden verbonden. De rechtbank zal ten aanzien van dat het contactverbod met [medeverdachte 2] , de beste vriend en buurjongen van [verdachte] , bepalen dat dit contactverbod geldt zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt. Aan de voorwaardelijke jeugddetentie zullen geen gebiedsverboden voor het Griftpark en het Wilhelminapark worden verbonden. De rechtbank vindt deze gebiedsverboden niet (meer) proportioneel, omdat de bewezenverklaarde feiten bijna anderhalf jaar geleden zijn gepleegd en niet is gebleken dat [verdachte] na deze feiten opnieuw bij strafbare feiten of overlast in deze parken betrokken is geweest. Bovendien verwacht de rechtbank dat de contactverboden op zichzelf voldoende waarborgen dat de slachtoffers niet ongewild met [verdachte] geconfronteerd zullen worden.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op de inhoud van de rapportages en het hoge recidiverisico, moet er ernstig rekening

mee worden gehouden dat [verdachte] opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is

tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer

personen. Daarom beveelt de rechtbank, gelet op artikel 77z Wetboek van Strafrecht, dat de

hierboven gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa uit te oefenen toezicht,

dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank wijkt hiermee af van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van

31 januari 2024, waarin is overwogen dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest

een voorwaardelijke PIJ-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De rechtbank ziet

namelijk in de tekst van de wet, de bedoeling van de wetgever en in het doel van de

voorwaardelijke PIJ-maatregel voldoende argumenten om wel over te gaan tot het dadelijk

uitvoerbaar verklaren van de voorwaarden. Het doel van het dadelijk uitvoerbaar verklaren is

om te voorkomen dat een veroordeelde door het instellen van hoger beroep zich aan het

toezicht van justitie onttrekt. De rechtbank vindt dat dit doel, en deze noodzaak, ook bestaat

bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel niet met zoveel

woorden is genoemd in de kamerstukken 32 319, nr. 3, betekent niet zonder meer dat

bedoeld is om deze uit te sluiten van de mogelijkheid uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen, gelet op de straf en de maatregel die aan [verdachte] zullen worden opgelegd.

10. BENADEELDE PARTIJEN

Voeging benadeelde partijen

De heer [slachtoffer1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en

vordert een bedrag van € 5.795,28. Dit bedrag bestaat uit € 795,28 materiële schade en

€ 5.000 immateriële schade, ten gevolge van het aan [verdachte] onder 3 ten laste gelegde feit.

De heer [slachtoffer2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een

bedrag van € 5.852,85. Dit bedrag bestaat uit € 852,85 materiële schade en € 5.000

immateriële schade, ten gevolge van het aan [verdachte] onder 3 ten laste gelegde feit.

De heer [slachtoffer3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een

bedrag van € 6.226,51. Dit bedrag bestaat uit € 1.226,51 materiële schade en € 5.000 immateriële schade, ten gevolge van het aan [verdachte] onder 3 ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank geadviseerd om de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk en hoofdelijk toe te wijzen en gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren, conform de wijze waarop de rechtbank dat heeft gedaan in de zaken van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] . Dit betekent dat de officier van justitie voor benadeelde [slachtoffer1] € 25,28 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade toewijsbaar acht, voor benadeelde [slachtoffer2] € 73,85 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade en voor benadeelde [slachtoffer3] € 414,31 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade, een en ander inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om het verzoek van de officier van justitie te volgen.

Het oordeel van de rechtbank

Evenals de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het passend is om aansluiting te zoeken bij de bedragen die in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] zijn toegekend. De rechtbank zal het verzoek van de officier van justitie daarom volgen en de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk en hoofdelijk toewijzen tot de bedragen zoals in het dictum genoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling. Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank tevens hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2023 tot aan de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal zal geen gijzeling worden toegepast omdat [verdachte] ten tijde van de bewezenverklaarde feiten minderjarig was.

11. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 56, 77a, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z en 77aa van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12. BESLISSING

jeugdigen;

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 86 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 50 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

 gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal zoeken of hebben met de slachtoffers:

 [slachtoffer4] (geboren op [geboortedatum 2] 2006);

 [slachtoffer5] (geboren op [geboortedatum 3] 2006);

 [slachtoffer2] (geboren [geboortedatum 4] 2004);

 [slachtoffer1] (geboren op [geboortedatum 5] 2005);

 [slachtoffer3] (geboren op [geboortedatum 6] 2005);

 [slachtoffer6] (geboren op [geboortedatum 7] 2001);

 gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal zoeken of hebben met de mededaders:

 [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum 8] 2004), voor zover en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;

 [medeverdachte 3] (geboren op [geboortedatum 9] 2006);

 [medeverdachte 4] (geboren op [geboortedatum 10] 2007);

 [medeverdachte 5] (geboren op [geboortedatum 11] 2008);

- geeft aan de politie de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de contactverboden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn;

- veroordeelt verdachte tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor

- bepaalt dat deze maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

 zich in het kader van de maatregel van Toezicht en Begeleiding, waarvan de eerste 6 maanden zullen bestaan uit de maatregel van ITB Harde Kern, zal melden bij de jeugdreclassering op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht, en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;

 meewerkt aan en zich inzet voor begeleiding vanuit Humanitas DMH Homerun of soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;

 meewerkt aan en zich inzet voor behandeling bij Fivoor of een soortgelijke instelling (zoals geadviseerd in het PO) zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt;

 zich inzet voor het behouden van een positieve dagbesteding;

 meewerkt aan een begeleid wonen traject, indien dit noodzakelijk is in het kader van zijn behandeling en indien de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt;

- geeft aan de gecertificeerde instelling, te weten de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam, de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering

dadelijk uitvoerbaar zijn;

Benadeelde partij [slachtoffer1]

- wijst de vordering van [slachtoffer1] toe tot een bedrag van € 1.025,28,

bestaande uit € 25,28 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer1] van het

toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2023 tot de

dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-

ontvankelijk in de vorderingen bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden

aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer1]

aan de Staat € 1.025,28 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober

2023 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geen

gijzeling toegepast;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als

hij en/of zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft/hebben vergoed;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten

behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op nihil;

Benadeelde partij [slachtoffer2]

- wijst de vordering van [slachtoffer2] toe tot een bedrag van € 1.073,85,

bestaande uit € 73,85 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer2] van het

toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2023 tot de

dag van volledige betaling;

- wijst de vordering van [slachtoffer2] af voor een bedrag van € 9,- euro bestaande uit materiële schade;

- verklaart [slachtoffer2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de

vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer2] aan de Staat € 1.073,85 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geen gijzeling toegepast;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als

hij en/of zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft/hebben vergoed;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten

behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op nihil;

Benadeelde partij [slachtoffer3]

- wijst de vordering van [slachtoffer3] toe tot een bedrag van € 1.435,41,

bestaande uit € 435,41 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer3] van het

toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2023 tot de

dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer3] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de

vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer3] aan de Staat € 1.435,41 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt geen gijzeling toegepast;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als

hij en/of zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft/hebben vergoed;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten

behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op nihil;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mr. I.G.C. Bij de Vaate en mr. G.M.C. Klink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Mol, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 april 2025.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 5 oktober 2023 te Utrecht (Griftpark)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer4] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar Apple Airpods en/of een

doosje, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer4] en/of

een derde toebehoorde(n)

door:

- met meerdere personen om die [slachtoffer4] heen te gaan staan,

- aan die [slachtoffer4] te vragen: "Heb je Airpods?" en/of "Als we in je zakken voelen

heb je dan nog steeds geen Airpods?",

- met zijn handen richting de broekzak van die [slachtoffer4] te gaan,

- een tasje voor het hoofd van die [slachtoffer4] te houden en daaruit voor de helft een

op een vuurwapen gelijkend voorwerp te pakken,

- tegen die [slachtoffer4] te zeggen: "als ik deze op je hoofd zet dan..."

en/of

- dreigend met zijn bovenlichaam naar voren te buigen richting die [slachtoffer4] ;

2

hij op of omstreeks 5 oktober 2023 te Utrecht (Griftpark)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een horloge, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer4] , in elk

geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer4] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [slachtoffer4] stevig vast te pakken bij beide bovenarmen,

- die [slachtoffer4] tegen een heg aan te duwen,

- tegen die [slachtoffer4] te zeggen: "We willen ook je horloge"

en/of

- een horloge van de pols van die [slachtoffer4] af te halen

en/of

een tasje met inhoud, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan T.H.

[slachtoffer5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk

toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer5] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij

betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [slachtoffer5] vast te pakken en/of te betasten en/of in zijn zakken te voelen

- vóór die [slachtoffer5] te gaan staan, zijn heuptas van zijn rug naar zijn buik te

draaien, deze heuptas open te maken en/of een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp gedeeltelijk uit deze heuptas te halen

en/of

- een tasje van die [slachtoffer5] over zijn hoofd te doen en/of dit tasje weg te

nemen;

3

hij op of omstreeks 5 oktober 2023 te Utrecht (Griftpark)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] heeft/hebben

gedwongen tot de afgifte van een iPhone X en/of een iPhone 11 en/of een

identeitskaart en/of een rugzak met inhoud (headset, huissleutels, een of meerdere

pasjes, een bankpas en/of een brillenkoker), in elk geval enig goed, dat/die geheel of

ten dele aan die [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3]

en/of een derde toebehoorde(n)

door:

- die [slachtoffer3] te duwen en/of beet te pakken

- de hengels van de tas van die [slachtoffer3] af te doen

- een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, te tonen

en/of op het hoofd van die [slachtoffer3] te richten

- ( daarbij) te zeggen dat die [slachtoffer1] en/of die [slachtoffer2] en/of die

[slachtoffer3] hun spullen moesten afstaan en/of daarbij aan de zakken te voelen;

4

hij in of omstreeks de periode van 05 oktober 2023 tot en met 06 oktober 2023 te

Utrecht (Maarschalkerweerdpad)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer6] te dwingen tot de afgifte van zijn tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel

of ten dele aan die [slachtoffer6] en/of een derde toebehoorde(n)

die [slachtoffer6] :

- de weg heeft/hebben versperd,

- van de fiets heeft geduwd en/of getrokken, waardoor die [slachtoffer6] op de grond is

gevallen,

- meermalen op/tegen zijn heup, schouder, kaak en/of rug, althans het lichaam,

heeft/hebben geschopt,

- meermalen, atlhans eenmaal, tegen het hoofd en/of lichaam te hebben geslagen,

- een mes heeft getoond en/of de punt van het mes op die [slachtoffer6] gericht heeft en/of

- ( daarbij) heeft/hebben gezegd 'geef je tas!',

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

5

hij in of omstreeks de periode van 05 oktober 2023 t/m 06 oktober 2023 te Utrecht

(Maarschalkerweerdpad)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer6] , in elk geval

aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?