RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16.097319.24 en 16.201777.24 (gev.ttz)
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 maart 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .
1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzitting van 14 februari 2025.
Het onderzoek in voornoemde zaken is enkelvoudig gesloten op 7 maart 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.S. Matherus-Meijers en van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. V.P.J. Tuma, advocaat in Arnhem, naar voren hebben gebracht.
2. TENLASTELEGGINGEN
De tenlasteleggingen zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.
De verdenkingen komen er in het kort op neer dat [verdachte] :
Zaak 16.097319.24
onder 1
op 11 maart 2024 in Antwerpen, België, samen met anderen, zich de toegang heeft verschaft tot een in de haven gelegen besloten plaats voor distributie;
onder 2
op 11 maart 2024 in Antwerpen, België, samen met anderen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in de haven gelegen besloten plaats voor distributie;
onder 3
op 11 maart 2024 in Antwerpen, België, samen met anderen, een grote hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad;
Zaak 16.201777.24
op 18 juni 2024 in Alkmaar:
primair: een snorfiets heeft gestolen;
subsidiair deze snorfiets heeft geheeld.
3. VOORVRAGEN
De dagvaardingen zijn geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. WAARDERING VAN HET BEWIJS
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het in zaak 16.097319.24 onder 1, 2 en 3 en het in zaak 16.201777.24 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. [verdachte] dient vanwege gebrek aan bewijs te worden vrijgesproken van het in zaak 16.201777.24 primair ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
Zaak 16.097319.24, onder 1, 2 en 3: De raadsmand heeft zich ten aanzien van de bewijsvraag en de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van zaak 16.201777.24 heeft de raadsman net als de officier van justitie vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde diefstal. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van het in zaak 16.201777.24 primair ten laste gelegde
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor de primair ten laste gelegde diefstal. Het dossier bevat geen bewijs dat [verdachte] de snorfiets heeft gestolen. [verdachte] zal dan ook van het in zaak 16.201777.24 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen ten aanzien van het in zaak 16.097319.24 feit 1, feit 2 en feit 3 en ten aanzien van het in zaak 16.201777.24 subsidiair ten laste gelegde
[verdachte] heeft deze ten laste gelegde feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak bepleit voor deze feiten. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
de verklaring van [verdachte] op de terechtzitting van 14 februari 2025;
een Pro Justitia Klassiek PV, genummerd AN.10.FO.000725/2024 van de Federale politie Scheepvaartpolitie Antwerpen, opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdinspecteur, alsmede bijlage, van 11 maart 2024, over de aanhouding van verdachte met [medeverdachte 1] in de haven van Antwerpen, doorgenummerde pagina’s 6-25;
een Pro Justitia Navolgend PV, genummerd 000732/24, van de Federale politie Scheepvaartpolitie Antwerpen, opgemaakt door [verbalisant 2] , lokale onderzoeksdienst, alsmede bijlage, van 11 maart 2024, over het onderzoek van de blokken, doorgenummerde pagina’s 38-40;
een navolgend Proces-verbaal nu. 24/D/000083, van de Federale Overheidsdienst Financien, opgemaakt door [verbalisant 3] [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , van 11 maart 2024, over het gewicht van de pakken cocaïne, doorgenummerde pagina’s 132-135;
een proces-verbaal van aangifte die ziet op de diefstal van de snorfiets door [medeverdachte 2] van 15 juni 2023, genummerd PL1100-2024129489.2, opgemaakt door de politie Eenheid Noord-Holland, doorgenummerde pagina’s 7-8;
een proces-verbaal van bevindingen over de bij verdachte aangetroffen gestolen scooter van 19 juni 2024, genummerd PL1100-2024131558-19, opgemaakt door politie Eenheid Noord-Holland, los in het dossier.
De hiervoor genoemde bewijsmiddelen worden, ook in hun onderdelen, slechts gebruikt tot bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.
5. BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] :
Zaak 16.097319.24
onder 1
op 11 maart 2024 te Antwerpen, België, tezamen en in vereniging met een ander, zich de toegang heeft verschaft tot een in de haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [locatie] , [adres 2] en/of [nummer] , [adres 3] in de haven van Antwerpen, door middel van inklimming;
onder 2
op 11 maart 2024 te Antwerpen, België, tezamen en in vereniging met een ander, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [locatie] , [adres 2] en/of [nummer] , [adres 3] in de haven van Antwerpen;
onder 3
op 11 maart 2024 te Antwerpen, België, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 40,52 kg van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Zaak 16.201777.24, subsidiair
op 18 juni 2024 te Alkmaar een snorfiets van het merk Piaggio voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [verdachte] wordt hiervan vrijgesproken.
6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
Zaak 16.097319.24
de voortgezette handeling van:
onder 1
zich de toegang verschaffen tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen door middel van inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
onder 2
het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
onder 3
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Zaak 16.201777.24, subsidiair
schuldheling.
7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.
8. OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd [verdachte] ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:
- een jeugddetentie van 90 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 59 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming, zodat [verdachte] niet terug hoeft naar de gevangenis en
- oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van twaalf maanden, te vervangen door zes maanden jeugddetentie indien [verdachte] niet (voldoende) meewerkt, waarbij het programma bestaat uit de punten zoals omschreven in het advies van de Raad voor de Kinderbescherming
De aan de maatregel verbonden onderdelen maatregel (behalve ITB Harde Kern en
elektronisch toezicht) moeten volgens de officier van justitie na afloop van de blijven
doorlopen, in de vorm van bijzondere voorwaarden, gekoppeld aan de deels voorwaardelijke
jeugddetentie.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd en opgemerkt de eis van de officier van justitie redelijk te vinden. Wel heeft de raadsman ook verzocht de voorwaarde ITB Harde Kern niet te laten doorlopen gedurende de proeftijd (het tweede jaar) van de jeugddetentie. Daarnaast merkt de raadsman op dat [verdachte] inmiddels acht maanden een enkelband draagt en dat dit, ook mentaal, zeer belastend voor hem is. De raadsman verzoekt de rechtbank deze voorwaarde niet langer op te nemen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] , zoals op de terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich in de haven van Antwerpen samen met anderen als uithaler schuldig gemaakt aan de (verlengde) invoer van cocaïne en het zich wederrechtelijk bevinden op het haventerrein. [verdachte] had daar, samen met anderen, een forse hoeveelheid cocaïne uit een container gehaald.
Met zijn handelen heeft [verdachte] een bijdrage geleverd aan de internationale drugshandel. Harddrugs vormen een gevaar voor de volksgezondheid. De handel in harddrugs gaat bovendien direct dan wel indirect gepaard met andere vormen van (zware) criminaliteit, met alle gevolge van dien. Dit leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Uithalersactiviteiten zijn van groot belang om de handel in cocaïne goed te laten verlopen. Uithalers, vaak jonge jongens als [verdachte] , zijn daarmee een onmisbare schakel in de internationale transportketen van cocaïne. Dat blijkt ook wel uit de bedragen die verdiend kunnen worden met het uithalen. [verdachte] heeft op de zitting ook verklaard dat hij dit heeft gedaan omdat hem een zeer fors geldbedrag in het vooruitzicht werd gesteld. [verdachte] heeft zich niets aangetrokken van de negatieve gevolgen van de handel in en gebruik van verdovende middelen en zich alleen laten leiden door het grote geld. Hier moet streng tegen worden opgetreden.
Daarnaast is [verdachte] op een snorfiets gaan rijden, terwijl hij had moeten weten dat die gestolen was. Hij heeft zich daardoor niets aangetrokken van de schade en overlast van de eigenaar van de snorfiets.
Persoon van [verdachte]
Uit het strafblad van [verdachte] van 6 januari 2025 blijkt dat hij niet eerder bij de strafrechter is geweest.
De rechtbank heeft ook gekeken naar:
een Pro Justitia-rapport, psychologisch onderzoek, van 21 juli 2024, opgemaakt door drs. C. Karydaki, Registerpsycholoog NIP/Gezondheidszorg;
een advies uitgebreid onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 3 januari 2025, opgemaakt door [A] , raadsonderzoeker.
De psycholoog heeft over [verdachte] opgeschreven dat een normoverschrijdende gedragsstoornis, met begin in de kindertijd, met beperkte prosociale emoties, matig van ernst, is vastgesteld. Deze stoornis bestaat onder meer uit ongevoeligheid voor autoriteit en gezag, een gebrekkige gewetensontwikkeling, een laag inlevingsvermogen, fixatie op geld en totale zelfoverschatting,
[verdachte] lijkt vanuit zijn gedragsstoornis, mee te zijn gegaan in een risicovol plan om een klus te klaren voor een grote som geld. Vanwege het belang dat [verdachte] aan geld hecht, heeft hij hier geen weerstand tegen kunnen bieden. Zijn jonge leeftijd en zijn zelfoverschatting hebben hem niet kunnen weerhouden mee te doen en hij heeft de gevolgen niet kunnen overzien. Geadviseerd wordt het tenlastegelegde verminderd toe te rekenen.
De rechtbank neemt deze conclusies en het advies van de deskundige over en zal de
bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen. Het advies van de psycholoog heeft betrekking op het uithalen van drugs in de haven in Antwerpen. [verdachte] heeft daarna weer een delict gepleegd, namelijk schuldheling van een snorfiets. Gezien de korte tussenliggende periode, slechts een aantal maanden, acht de rechtbank het aannemelijk dat [verdachte] toen eveneens heeft gehandeld onder dezelfde normoverschrijdende gedragsstoornis en geldt hier hetzelfde wat de psycholoog al heeft opgemerkt met betrekking tot het overzien van de gevolgen van zijn handelen. De rechtbank zal dit ten laste gelegde feit daarom eveneens verminderd aan hem toerekenen.
De kans op herhaling van gewelddadig delictgedrag wordt als hoog ingeschat. [verdachte] beschikt
over weinig probleembesef, zijn gewetensontwikkeling is gebrekkig en hij toont zich
herhaaldelijk ongevoelig voor regels en gezag. Ook is hij gefixeerd op geld en bereid ver te gaan om (veel) geld te verkrijgen.
[verdachte] is aangewezen op een ondersteunende individuele behandeling, gericht op het
ombuiten van antisociale ideologieën en delinquent gedrag en het versterken van een
gezonde identiteitsvorming. Verder is het belangrijk dat het gezinssysteem wordt
betrokken om de instandhoudende gezinspatronen te doorbreken. Er wordt gedacht aan een
behandeling bij de Waag voor de duur van één jaar. Er wordt geadviseerd om [verdachte] een gedragsbeïnvloedende maatregel (verder: GBM) voor de duur van een jaar op te leggen. Het opnemen van een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf lijkt een te lichte maatregel. De hoop is dat de inzet van intensieve trajectbegeleiding (ITB) Harde Kern, inclusief elektronisch toezicht en de mogelijkheid tot een time-out in een jeugdinrichting, naast de behandeling, in het kader van de GMB ervoor gaan zorgen dat [verdachte] andere gedragskeuzes gaat maken.
De Raad is het eens met het advies van de psycholoog en is van mening dat een GBM in de vorm van het Harde Kern-traject inclusief elektronisch toezicht het meest passend is als [verdachte] wordt veroordeeld, gezien zijn jonge leeftijd in combinatie met de ernst van de feiten en omdat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijk verdere ontwikkeling van [verdachte] . Binnen de GBM kunnen de diverse zorgen aangepakt worden om de kans op herhaling te verkleinen. Gezien de aard en de langdurigheid van de problematiek, en om tegen te gaan dat het plegen van delicten een deel van zijn identiteit dreigt te worden, is intensieve en specialistische begeleiding en langdurige begrenzing vanuit de jeugdreclassering noodzakelijk. Een GBM biedt een strak kader met een grote stok achter de deur en biedt mogelijkheden voor een time-out.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseert aan [verdachte] een GBM op te leggen voor de duur van twaalf maanden in de vorm van het volgende programma:
- meewerken aan jeugdreclasseringsbegeleiding uit te voeren door Samen Veilig Midden Nederland, waarvan zes maanden ITB Harde Kern;
- meewerken aan individuele en systeem behandeling bij De Waag of soortgelijke instelling;
- meewerken aan het volgens lesrooster naar school gaan;
- meewerken aan een contactverbod met de medeverdachten;
- meewerken aan EM, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
- meewerken aan het hebben van een goed ingevulde vrijetijdsbesteding in de vorm van werk en/of sport;
- [verdachte] zal zich niet bevinden op besloten haventerreinen voor (container)opslag en distributie, tenzij hij daarvoor schriftelijke toestemming heeft van de jeugdreclassering. Hieronder vallen zowel de haventerreinen in Nederland als België.
Na het aflopen van de GBM is het ook noodzakelijk dat de jeugdreclasseringsbegeleiding
nog twaalf maanden door blijft lopen, gezien bovengenoemde punten.
Ten aanzien van de Elektronische Monitoring (EM) adviseert de RvdK dat [verdachte] hieraan
mee moet werken zolang de jeugdreclassering dit nodig acht. EM is ondersteunend om toe te
kunnen werken naar meer vrijheden.
De op te leggen straf en maatregel
Aan [verdachte] moet een straf worden opgelegd. Bij het bepalen van de straf en de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan.
De bewezenverklaarde feiten die zien op het uithalen zijn ernstig en een onvoorwaardelijke jeugddetentie is daarvoor een passende straf.
De rechtbank houdt ook rekening met de persoon van [verdachte] , zoals op de terechtzitting is gebleken en hiervoor is omschreven. Gelet op de adviezen van de deskundigen acht de rechtbank het echter niet wenselijk dat [verdachte] nu terug naar de gevangenis moet.
De rechtbank zal aan [verdachte] een jeugddetentie opleggen voor de duur van 90 dagen, waarvan 48 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopig hechtenis heeft doorgebracht, zal op deze jeugddetentie in mindering worden gebracht. Dat betekent dat [verdachte] niet opnieuw naar de jeugdgevangenis hoeft. De rechtbank komt, anders dan de officier van justitie, tot 42 dagen voorarrest, rekening houdend met de duur van de opheffing van de schorsing.
De voorwaardelijke jeugddetentie dient als stok achter de deur om [verdachte] ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Na het aflopen van de hierna op te leggen GBM acht de rechtbank het noodzakelijk dat de jeugdreclasseringsbegeleiding nog 12 maanden door blijft lopen.
Daarnaast zal de rechtbank de overige bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de Raad in het kader van de GBM is geadviseerd, met uitzondering van de voorwaarde 6 maanden ITB Harde Kern. Deze voorwaarde zal namelijk binnen de uitvoering van de hierna op te leggen GBM zijn gehele beslag krijgen. De voorwaarde van elektronisch toezicht acht de rechtbank eveneens niet langer nodig in het tweede jaar van de proeftijd, zodat deze voorwaarde ook niet wordt opgelegd.
Gelet op de aard en de ernst van met name het in de zaak met parketnummer 16.097319.24 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde, zal de rechtbank ook een GBM voor de duur van twaalf maanden. Uit de rapporten van de psycholoog en de Raad blijkt dat deze maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [verdachte] . De rechtbank zal bepalen dat de GBM bestaat uit de onderdelen zoals geadviseerd door de Raad, behalve wat betreft de enkelband. [verdachte] heeft inmiddels al acht maanden een enkelband. De rechtbank vindt het onderdeel ‘meewerken aan EM, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht’ te veel een open einde hebben. De rechtbank beperkt dit onderdeel tot een termijn van drie maanden na heden.
Als [verdachte] niet meewerkt aan (een van de) onderdelen van de GBM, kan vervangende jeugddetentie worden toegepast. De rechtbank zal de duur daarvan bepalen op zes maanden.
De rechtbank zal verder bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Op basis van wat in de hierboven genoemde rapporten is geschreven over het verhoogde recidiverisico moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat [verdachte] opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen. Bovendien is de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van [verdachte] .
9. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen 47, 56, 77a, 77g, 77i, 77w, 77wa, 77wc, 77x, 77, y, 77z, 77aa, 77gg, 138aa, 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
10. BESLISSING
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het in zaak 16.201777.24 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart het in zaak 16.097319.24 onder 1, onder 2 en onder 3, en het in zaak 16.201777.24, subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
Strafbaarheid
- verklaart het onder 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart [verdachte] strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 90 dagen.
- beveelt dat de tijd die door [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 48 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd (het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie is dus gelijk aan de duur die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zodat verdachte niet terug hoeft naar de J.J.I.);
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarden gelden dat [verdachte] :
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat:
* [verdachte] zich in het kader van de maatregel Toezicht en Begeleiding meldt en zal blijven melden bij Samen Veilig Nederland, gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd), zo vaak en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht en zich houdt aan de aanwijzingen die hem in dit kader worden gegeven;
* [verdachte] zal meewerken aan individuele en systeembehandeling bij De Waag of soortgelijke instelling;
* [verdachte] zal meewerken aan het volgens lesrooster naar school gaan;
* [verdachte] zal op geen enkele wijze -direct of indirect- contact opnemen, zoeken of hebben met medeverdachte [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2004). De politie ziet hierop toe;
* [verdachte] zal meewerken aan het hebben van een goed ingevulde vrijetijdsbesteding in de van werk en/of sport;
* [verdachte] zal zich niet bevinden op besloten haventerreinen voor (container)opslag en distributie, tenzij hij daarvoor schriftelijke toestemming heeft van de jeugdreclassering. Hieronder vallen zowel de haventerreinen in Nederland als België. De politie ziet hierop toe.
- waarbij de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, behalve het contact- en locatieverbod, en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
Oplegging maatregel
- legt op aan [verdachte] de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 (twaalf) maanden, bestaande uit het volgende programma:
* [verdachte] zal meewerken aan jeugdreclasseringsbegeleiding uit te voeren door Samen Veilig Midden Nederland; waarvan 6 maanden ITB Harde Kern;
* [verdachte] zal meewerken aan individuele en systeembehandeling bij De Waag of soortgelijke instelling;
* [verdachte] zal meewerken aan het volgens lesrooster naar school gaan;
* [verdachte] zal op geen enkele wijze -direct of indirect- contact opnemen, zoeken of hebben met medeverdachte [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2004);
* [verdachte] zal meewerken aan het hebben van een goed ingevulde vrijetijdsbesteding in de van werk en/of sport;
* [verdachte] zal meewerken aan het hebben van een goed ingevulde vrijetijdsbesteding in de van werk en/of sport;
* [verdachte] zal zich niet bevinden op besloten haventerreinen voor (container)opslag en distributie, tenzij hij daarvoor schriftelijke toestemming heeft van de jeugdreclassering. Hieronder vallen zowel de haventerreinen in Nederland als België,
waarbij [verdachte] zich gedurende nog drie maanden na heden onder elektronisch toezicht zal
stellen ter nakoming van het hiervoor genoemde programma.
- draagt de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland op de tenuitvoerlegging van de maatregel te ondersteunen;
- beveelt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van maximaal 6 (zes) maanden als veroordeelde niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel;
- beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is;
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E.S. Dolmans, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. N.M.H. van Ek en K. de Meulder,(kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Gardenier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 maart 2025.
Bijlage: de tenlasteleggingen
Zaak 16.097319.24
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1 hij op of omstreeks 11 maart 2024 te Antwerpen, Belgie, althans in Belgie, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich de toegang heeft verschaft tot een in de haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [locatie] , [adres 2] en/of [nummer] , [adres 3] in de haven van Antwerpen, door middel van - braak, - inklimming, - een valse sleutel, - een valse order, - een vals kostuum, - een valse of niet aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), toebehorende toegangspas, - een valse hoedanigheid, en/of - misleiding van een persoon, belast met de bewaking van die plaats,
2 hij op of omstreeks 11 maart 2024 te Antwerpen, Belgie, althans in Belgie, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [locatie] , [adres 2] en/of [nummer] , [adres 3] in de haven van Antwerpen;
3 hij op of omstreeks 11 maart 2024 te Antwerpen, Belgie, althans in Belgie, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 40,52 kg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Zaak 16.201777.24
hij op of omstreeks 18 juni 2024 te Alkmaar, althans in Nederland een snorfiets (van het merk Piaggio), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [medeverdachte 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 18 juni 2024 te Alkmaar, althans in Nederland, een snorfiets (van het merk Piaggio), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.