RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Ministerie van Financien, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5890
en
(gemachtigden: M.J.P. Brinkman en mr. M.A.N. van de Kerkhof).
1. Eiser is werkzaam geweest bij het [team] ) van de Belastingdienst en heeft op grond van artikel 12 en 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens die de Belastingdienst van hem heeft verwerkt. Daarbij wil eiser het doel van de verwerking van de persoonsgegevens weten, welke medewerkers na 1 juli 2013 toegang hebben verzocht tot zijn persoonsgegevens, welke medewerkers toegang hebben gekregen, aan wie/ welke organisaties de persoonsgegevens zijn verstrekt, wat de herkomst is van de persoonsgegevens, hoe lang de persoonsgegevens naar verwachting opgeslagen worden en of er sprake is van geautomatiseerde besluitvorming. Eiser is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiser heeft weliswaar inzage gekregen van de hem betreffende verwerking van persoonsgegevens, maar heeft geen volledige inzage verkregen in de informatie waarop hij volgens artikel 15, eerste lid van de AVG recht heeft. Het beroep op de in artikel 23 en artikel 41 Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) neergelegde beperkingen is niet gemotiveerd. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 22 februari 2023 een aanvraag gedaan tot inzage in zijn persoonsgegevens. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 17 april 2023 gedeeltelijk toegewezen. Met het bestreden besluit van 30 mei 2024 is de minister gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaar door alsnog inzage te geven in de verwerking van een persoonsgegeven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Hoe is het besluit tot stand gekomen?
3. In het besluit in primo is het verzoek gedeeltelijk toegewezen en is een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens en informatie daarover door de belastingdienst aan eiser verstrekt. Eiser vindt dit overzicht onvolledig en heeft bezwaar gemaakt. In bezwaar heeft hij zijn aanvraag gespecificeerd. Hij wil inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens die verband houden met het [team] , de aangifte van de minister tegen de belastingdienst en de onderzoeken die PWC voor de minister heeft uitgevoerd. Meer specifiek is hij op zoek naar mailverkeer/verwerkte persoonsgegevens tussen het ministerie van Financiën en/of de Belastingdienst en/of Dienst Toeslagen, omdat hij weet dat er userid’s van leden van het [team] zijn verzameld. Eiser wil weten wat er met zijn persoonsgegevens is gedaan. Ook zijn een e-mailbericht van hem en delen van zijn logboek door PWC openbaar gemaakt en eiser wil weten of hierbij zijn persoonsgegevens zijn verwerkt. Ook ontvangt hij graag stukken over een datalek. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stellingen e-mailberichten overgelegd.
4. De minister heeft in bezwaar een nieuwe zoekslag uitgevoerd naar de verwerking van eisers persoonsgegevens met als resultaat dat er nog één e-mailbericht van 20 maart 2020 is gevonden met persoonsgegevens van eiser. Van deze persoonsgegevens heeft eiser inzage verkregen. In het bestreden besluit is dus gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaar van eiser.
Waar wil eiser een uitspraak over?
5. Eiser heeft op de zitting aangegeven dat het hem in beroep enkel nog gaat om het e-mailbericht van 20 maart 2020 waarin zijn persoonsgegevens zijn verwerkt. Hij is weliswaar op de hoogte gesteld van de verwerking van zijn persoonsgegevens, maar hij heeft geen verdere informatie verkregen. Eiser wil weten met welk doel zijn naam is opgevraagd en verstrekt. Eiser wil duidelijkheid over de grondslag van deze verstrekking en aan wie zijn persoonsgegevens zijn verstrekt.
Wat vindt de minister in beroep?
6. Primair vindt de minister dat eiser meer vraagt dan waarop hij op grond van de AVG recht heeft. Subsidiair vindt de minister dat op grond van artikel 23 van de AVG juncto artikel 41 van de UAVG beperkingen gelden ten aanzien van het inzagerecht van eiser. De reden van deze beperkingen zijn gelegen in de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of tenuitvoerlegging van straffen. Het is volgens de minister ook maar de vraag of de gevraagde informatie voorhanden en/of reproduceerbaar is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. Artikel 15 van de AVG geeft een betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens en in de informatie betreffende met name de
verwerkingsdoeleinden en de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie die persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt. Het recht op inzage is iets anders dan een recht van toegang tot bestuurlijke documenten. De verwerkingsverantwoordelijke is niet gehouden een afschrift van de onderliggende documenten te verstrekken, mits voldaan is aan het doel van artikel 15 van de AVG.
8. Het beroep van eiser valt onder het recht op inzage zoals hiervoor omschreven en heeft met name betrekking op verwerkingsdoeleinden en de ontvangers. De rechtbank kan de minister daarom niet volgen in zijn standpunt dat de AVG niet op de gevraagde informatie van toepassing is. Eiser vraagt om informatie die hem in staat stelt de rechtmatigheid van de verwerking van zijn persoonsgegevens te controleren en dit is waarvoor het recht op inzage in het leven is geroepen.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet had kunnen volstaan met het verstrekken van persoonsgegevens die zijn verwerkt, maar ook informatie had moeten geven over verwerkingsdoeleinden en ontvangers zoals hiervoor is vermeld. Dit is anders als sprake is van een situatie waarvoor een beperking van dit inzagerecht geldt. Deze beperkingen zijn neergelegd in artikelen 23 van de AVG en 41 van de UAVG. Deze beperkingen vormen een uitzondering op het recht op inzage zoals dat in artikel 15 van de AVG is geformuleerd.
10. In artikel 41 van de UAVG wordt invulling gegeven aan de beperkingsmogelijkheden die artikel 23 van de AVG biedt, waarbij steeds geldt dat een beperking noodzakelijk en evenredig is. Het beroep van de minister op deze bepalingen is niet gemotiveerd. De minister heeft niet duidelijk gemaakt waarom de ingeroepen beperkingen in het geval van eiser aan de orde zijn en dienen te worden gewaarborgd. Zo al sprake zou zijn van een situatie waarvoor een beperking geldt dan dient ook de noodzakelijkheid en evenredigheid nog te worden beoordeeld. Deze beoordeling heeft niet plaatsgevonden.
11. Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen en ook niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is gegrond en de minister dient een nieuw besluit te nemen. De minister heeft opgemerkt dat hij niet weet of de informatie waarom is gevraagd voorhanden is. De rechtbank overweegt hierover dat de minister tot taak heeft een goede uitvoering te geven aan artikel 15 van de AVG en dat het op voorhand ongemotiveerd stellen dat deze informatie misschien niet beschikbaar is, hier niet bij past. Het niet verstrekken van informatie dient te worden voorzien van een motivering.
12. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden.
13. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding omdat niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 30 mei 2024;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.