ECLI:NL:RBMNE:2025:7518

ECLI:NL:RBMNE:2025:7518

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 18-11-2025
Datum publicatie 12-02-2026
Zaaknummer 24/6506
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring. Deze aanvraag is afgewezen omdat niet wordt voldaan aan de algemene voorwaarde dat eiser er alles aan heeft gedaan om het probleem op te lossen. Verweerder heeft verder geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere

Samenvatting

Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 24/6506

(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),

en

(gemachtigden: mr. J.H.S. Biervliet en K.K. Bahora).

1. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring. Deze aanvraag is afgewezen omdat niet wordt voldaan aan de algemene voorwaarde dat eiser er alles aan heeft gedaan om het probleem op te lossen. Verweerder heeft verder geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is, omdat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser er niet alles aan heeft gedaan om zijn woonprobleem op te lossen. Daarnaast heeft verweerder zich in redelijkheid op standpunt kunnen stellen dat er onvoldoende aanleiding is om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Eiser heeft dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 7 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Voldoet eiser aan de algemene voorwaarde voor een urgentieverklaring?

3. Volgens eiser heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat de weigeringsgrond in artikel 11 vierde lid, onder f van de Hvv (de woningzoekende heeft er alles aan gedaan om het probleem op te lossen, andere oplossingen zijn niet mogelijk of zijn uitgeput) in zijn geval van toepassing is. Verweerder stelt zich namelijk ten onrechte op het standpunt dat eiser zijn woonprobleem kan oplossen door gebruik te maken van zijn WLZ VG 6-indicatie (wonen met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering) en op zoek kan gaan naar een aan hem geïndiceerde woonvorm, al dan niet buiten Almere. Eiser heeft al tijdens de bezwaarfase aangegeven dat hij zijn woonprobleem niet kan oplossen, ook niet door gebruik te maken van zijn WLZ-indicatie. Ter zitting heeft eiser hierover aangevoerd dat de wachttijden bij zorginstellingen te lang zijn om zijn urgente woonprobleem op te lossen.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de algemene voorwaarde dat de woningzoekende er alles aan heeft gedaan om het probleem op te lossen.Eiser heeft namelijk een WLZ VG 6 indicatie en hij kan het gestelde woonprobleem oplossen door gebruik te maken van deze indicatie en op zoek te gaan naar de aan hem geïndiceerde woonvorm, bij een zorginstelling, al dan niet buiten Almere. Op basis van de stukken is niet gebleken dat dit onmogelijk is.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser er niet alles aan heeft gedaan om zijn eigen woonprobleem op te lossen.Eiser stelt wel dat hij met zijn WLZ-indicatie op korte termijn een passende woning kan vinden, maar dat heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij bij meerdere instellingen heeft geprobeerd een woning te krijgen endat dit soms wel jaren kan duren. Ook heeft hij verklaard dat hij soms wel een woning krijgt toegewezen, maar dat zijn contract dan na een korte termijn wordt beëindigd of dat de zorg niet passend is. Eiser heeft dit echter niet met objectieve documenten onderbouwd. De rechtbank begrijpt uit wat eiser heeft verteld wel dat het lastig is om een goede woonplek te vinden bij een zorginstelling in de buurt van Almere (waar hij sociale binding mee heeft en waar zijn moeder woont) waar ook passende zorg wordt geboden. Hij heeft echter niet met documenten onderbouwd dat hij heeft geprobeerd met zijn WLZ-indicatie een woonplek te krijgen bij een WLZ-zorginstelling, maar dat dit niet is gelukt. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn urgente woonprobleem niet kan oplossen. Bovendien stond eiser op het moment van de beslissing op bezwaar ingeschreven in de BRP. Tijdens de zitting is gebleken dat dit een adres was dat toebehoort aan een zorginstelling en dat eiser daar woonde door gebruik te maken van zijn WLZ-indicatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Had verweerder toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule?

6. Eiser stelt dat verweerder toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. Indien eiser op korte termijn geen urgentieverklaring krijgt, zal hij met zijn medische en sociale beperkingen op straat komen te staan en zal hij gedwongen een zwervend bestaan leiden. Het is voor hem niet mogelijk om nogmaals bij zijn broer of moeder in te trekken, ook voor hen is dat niet wenselijk. De wachttijden voor een zorginstelling zijn te lang of eiser krijgt een niet passende of te dure woning aangeboden door een zorginstelling. Eiser wil daarom graag meer zelfstandigheid met een eigen woning, zodat hij niet constant in onzekerheid hoeft te leven dat een zorginstelling zijn zorgcontract beëindigd waardoor hij ook zijn woonruimte kwijtraakt.. Hij is toe aan een zelfstandige woning waarbij hij zelf de nodige zorg kan inkopen, zodat hij niet steeds opzoek hoeft naar een nieuwe instelling. Verder voert eiser aan dat hij buiten zijn schuld om op straat is komen te staan omdat de zorginstelling waar hij verbleef de vergunningen niet op orde had en er geen andere passende WLZ-instelling was waar hij kon gaan verblijven.

7. De rechtbank begrijpt dat eiser buiten zijn schuld om moest vertrekken uit de WLZ-instelling waar hij verbleef. Ook begrijpt de rechtbank dat de situatie van eiser op dit moment niet ideaal is en dat het lastig is om een goede woonplek en passende zorg te vinden. De rechtbank vindt dat erg vervelend voor eiser. De rechtbank vindt echter dat verweerder zich in redelijkheid op standpunt heeft kunnen stellen dat er onvoldoende aanleiding is om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Eiser had op het moment van het bestreden besluit immers woonruimte. Er was dus geen urgente woonsituatie. Verweerder hoefde daarom de hardheidsclausule niet toe te passen. Tijdens de zitting is gebleken dat eiser inmiddels niet meer op dat adres woont en de situatie nu anders is. Dat is uiteraard vervelend. Het betekent echter niet dat het bestreden besluit niet deugt. De rechtbank moet namelijk kijken naar hoe de situatie was toen verweerder het bestreden besluit nam en op dat moment had eiser woonruimte. Dat volgens eiser de zorg niet passend was, neemt niet weg dat hij op het moment van het besluit woonruimte had. Daarbij merkt de rechtbank op dat een urgentieverklaring alleen is bedoeld om een urgente woonsituatie op te lossen en niet is bedoeld om passende zorg te krijgen. Dat volgens eiser zijn huidige woon/zorgsituatie niet passend is, betekent ook niet dat er een urgente woonsituatie was toen verweerder het bestreden besluit nam.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Verweerder mocht de urgentieaanvraag afwijzen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I. Helmich

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?