[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. G.T. Varwijk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. De Roy van Zuydewijn)
Inleiding
Eiseres is op 30 maart 2022 uitgevallen voor haar werkzaamheden als [functie] bij de gemeente Lelystad voor 36 uur per week vanwege belemmerende gezondheidsklachten zoals aanhoudende vermoeidheid. Eiseres is vanaf oktober 2022 bezig geweest met re-integreren maar in mei 2023 moest eiseres zich weer volledig ziekmelden vanwege verergerde cognitieve klachten zoals problemen met prikkelverwerking, concentratieproblemen en problemen met haar geheugen.
Met het besluit van 30 mei 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv bepaald dat eiseres met ingang van 27 maart 2024 recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) volgens een arbeidsongeschiktheidspercentage van 68,45%. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Naar aanleiding van de medische bezwaren heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op enkele punten aangepast. Op basis daarvan heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuwe functieselectie gemaakt binnen de eerder geduide SBC-codes. Op basis van de heroverweging is het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres vastgesteld op 70,87%.
Met het besluit van 19 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres daarom gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres vastgesteld op 70,87%.
Eiseres is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen en is bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Waar gaat deze zaak over?
Deze zaak gaat over de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres. Volgens het Uwv is het arbeidsongeschiktheidspercentage juist vastgesteld op 70,87%. Eiseres is het hier niet mee eens en vindt dat zij meer arbeidsongeschikt is. Eiseres heeft in oktober 2023 na onderzoek door de [klinieknaam] de diagnose ME/CVS gekregen. Daardoor kampt eiseres met forse vermoeidheidsklachten, geheugen- en concentratieproblemen en een toenemend gevoel van pijnklachten en een gevoel van uitputting. Daar heeft het Uwv volgens eiseres onvoldoende rekening mee gehouden.
Aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht, zal de rechtbank beoordelen of het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres juist heeft vastgesteld.
Hoe toetst de rechtbank?
Bij de beoordeling van deze zaak moet de rechtbank bekijken of het Uwv de regels uit de wet goed heeft toegepast. Daarbij is het zo dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en moeten voldoende begrijpelijk zijn.
De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiseres aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan de hiervoor genoemde drie voorwaarden voldoen, of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar nodig. Dat betekent dat de manier waarop iemand zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, niet voldoende is om aan te nemen dat een medische beoordeling onjuist is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser juist heeft vastgesteld op 70,87%. Dat licht zij hieronder toe.
De zorgvuldigheid van de medische beoordeling
Eiseres stelt dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is onterecht alleen uitgegaan van wat tijdens het spreekuur is waargenomen. Er is dan ook te weinig rekening gehouden met relevante informatie over de ziekte ME/CVS zoals vastgesteld in het Protocol Chronische vermoeidheidsyndroom, informatie van de Gezondheidsraad en de medische informatie van de [klinieknaam] .
De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is geweest. Volgens vaste rechtspraak mag een verzekeringsarts in principe afgaan op zijn eigen oordeel als het gaat om het vaststellen van beperkingen, als hij meent dat hij voldoende informatie heeft om een oordeel te vormen over de medische situatie van betrokkene. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsartsen conclusies hebben getrokken op basis van een onvolledig beeld van de medische situatie van eiser. De primaire verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en een spreekuur gehouden op 1 mei 2024. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht en op 6 maart 2025 een spreekuur gehouden en aansluitend medisch onderzoek verricht. In de rapportage van 31 maart 2025 is de medische voorgeschiedenis van eiseres, onder andere de medische informatie van de bedrijfsarts en de internist van de [klinieknaam] , zichtbaar meegenomen in de beoordeling. Op basis daarvan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zowel mentale als fysieke beperkingen aangenomen. De rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevat geen tegenstrijdigheden en de conclusies vloeien logisch voort uit de onderzoeksbevindingen. De beroepsgrond slaagt niet.
Inhoudelijke medische beoordeling
Eiseres is het verder niet eens met de inhoudelijke medische beoordeling van het Uwv omdat haar beperkingen zijn onderschat en er zou een verdergaande duurbeperking aangenomen moeten worden. Uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt volgens eiseres dat de diagnose ME/CVS in twijfel wordt getrokken en dat de beperkingen die eiseres als gevolg daarvan ondervindt, zoals cognitieve klachten, niet mee zijn genomen in de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid. Ter zitting heeft eiseres toegelicht het tegenstrijdig te vinden dat de diagnose ME/CVS dan wel wordt aangenomen, maar dat de bijbehorende beperkingen, zoals de cognitieve klachten en afgenomen inspanningstolerantie na PEM, niet aangenomen worden zonder dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarvoor bewijs aanlevert. Uit het dagverhaal van eiseres blijkt dat er vaak PEM optreedt en dat eiseres veel rustmomenten nodig heeft op een dag. Dat blijkt ook uit het feit dat re-integreren bij de werkgever niet meer mogelijk is gebleken. Eiseres acht zichzelf op een zogenaamde ‘betere dag’ tot hooguit 2 uur werken per dag in staat, maar er zijn ook dagen aanwezig waarop zij in het geheel niet kan werken. In dit kader verwijst eiseres ook naar informatie over de ziekte ME/CVS zoals vastgesteld in het Protocol Chronische vermoeidheidsyndroom, informatie van de Gezondheidsraad en de [klinieknaam] en naar recente rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) waaruit zou volgen dat de verzekeringsarts rekening moet houden met PEM bij een diagnose ME/CVS.
In de rapportages van 6 maart 2025 en 17 september 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de diagnose ME/CVS overgenomen. Ook ter zitting heeft het Uwv bevestigd dat de diagnose ME/CVS bij eiseres niet ter discussie staat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep rapporteert op 6 maart 2025 dat naar aanleiding van de heroverweging zowel op het mentale als fysieke vlak de beperkingen verder worden uitgebreid. Er worden beperkingen aangenomen op het gebied van afleiding door anderen, namelijk geen visuele of auditieve hectiek, op het gebied van deadlines en pieken, namelijk als die gepaard gaan met evidente druk en stress, op het gebied van het hoog handelingstempo en is eiseres beperkt in het uitvoeren van structureel sterk wisselende diensten. Eiseres’ fysieke belastbaarheid is verder beperkt op het gebied van langdurig grove trillingen, tillen tijdens werk niet meer dan 5 kilo en kan eiseres niet frequent reiken en buigen tijdens werk. Voor een verdere beperking ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding omdat daarvoor geen medisch objectiveerbare grond bestaat. In de rapportage van 17 september 2025 ligt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat verder toe. De ervaren cognitieve klachten van eiseres zijn anamnestisch verkregen, er heeft geen medische objectivering plaatsgevonden via bijvoorbeeld een neuropsychologisch onderzoek. Desondanks heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel mentale beperkingen aangenomen. Voor wat betreft de afgenomen inspanningstolerantie na PEM is dit ook niet medisch geobjectiveerd door middel van bijvoorbeeld een inspanningsonderzoek bij een sportarts. Ten slotte motiveert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de genoemde klachten van eiseres niet 1-op-1 overgenomen kunnen worden als zijnde beperkingen. Het gaat om een gewogen geheel van het onderliggend medisch feitencomplex. Op basis daarvan, en conform de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid, is de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de aangenomen beperkingen en de duurbelasting gekomen.
De rechtbank kan de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep hoe tot de beperkingen en de duurbelastbaarheid van eiseres is gekomen goed volgen. Daarmee is de rechtbank ook van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is kenbaar toegespitst op de specifieke medische situatie van eiseres. Voor een verdere urenbeperking is medisch gezien geen aanleiding omdat de klachten die zouden moeten duiden op nog meer beperkingen niet medisch geobjectiveerd zijn. Dat kan de rechtbank volgen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft concreet gemaakt hoe eiseres haar standpunt had kunnen onderbouwen en haar cognitieve klachten en PEM medisch had kunnen objectiveren, bijvoorbeeld door middel van een neuropsychologisch onderzoek of een inspanningstest. Daar heeft eiseres geen gebruik van gemaakt. De algemene informatie over ME/CVS en de recente uitspraken van de CRvB die eiseres heeft ingebracht kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere conclusie leiden, des te meer omdat daaruit ook blijkt hoe complex en uiteenlopend ME/CVS zich kan uiten bij patiënten. De beroepsgrond slaagt niet.
Benoeming onafhankelijk deskundige
7. Eiseres heeft de rechtbank gevraagd om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Bij de vraag of de rechtbank daartoe moet overgaan, gaat het erom of eiseres met de door haar aangevoerde beroepsgronden en ingebrachte medische informatie twijfel heeft gezaaid over de juistheid van de medische beoordeling. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft het Uwv zijn conclusies overtuigend gemotiveerd. Daarom is er bij de rechtbank geen twijfel over de juistheid van de medische beoordeling. Ook ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat eiseres belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat, zodat sprake zou zijn van een oneerlijk proces. Eiseres heeft zich in beroep laten bijstaan door haar gemachtigde en heeft haar beroep onderbouwd met argumenten en medische informatie. De rechtbank ziet dan ook geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen en wijst het verzoek van eiseres af.
Conclusie en gevolgen
12. Uit deze uitspraak volgt dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres juist heeft vastgesteld op 70,87%. Het beroep is daarom ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. van Manen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.