RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/407912-24, 16/368974-24 (gev. ttz) & 16/165703-21 (vord. tul) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 maart 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] (Marokko),
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] , [postcode] te [plaats 1] ,
gedetineerd in de P.I. [plaats 2] ,
hierna: verdachte.
1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. L.A. Lepoutre en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B. Molleman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
2. TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, in het kort, op neer dat verdachte:
Ten aanzien van parketnummer 16/407912-24
op 28 december 2024 in Utrecht [aangever 1] met een schaar en woorden heeft bedreigd;
Ten aanzien van parketnummer 16/368974-24
op 19 november 2024 in Utrecht een ruit van de huisartsenpraktijk [praktijk] heeft vernield.
3. VOORVRAGEN
Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, moet worden beoordeeld of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.
4. WAARDERING VAN HET BEWIJS
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van parketnummer 16/407912-24 (bedreiging)
Allereerst heeft de raadsvrouw bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte ‘ik ga jullie steken’ heeft gezegd, nu aangever en de getuigen daar wisselend over hebben verklaard. De overige tenlastegelegde woorden leveren volgens de raadsvrouw geen strafbare bedreiging met zwaar lichamelijk letsel en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht op.
Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat op de camerabeelden niet te zien is dat verdachte een schaar heeft getoond. In het geval dat de rechtbank wel bewezen acht dat verdachte een schaar heeft getoond, merkt de raadsvrouw op dat het een kinderschaar betrof en dat deze slechts zeer kort is getoond. Volgens de raadsvrouw is het kort tonen van een kinderschaar in de gegeven omstandigheden niet van dien aard dat bij aangever in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk zou kunnen oplopen. Daarbij heeft de raadsvrouw ook aangevoerd dat op de camerabeelden niet te zien is dat aangever bang was voor verdachte.
Ten aanzien van parketnummer 16/368974-24 (vernieling)
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte dacht dat de ruit van plastic was en dat hij er daarom niet vanuit ging dat de ruit door een duwtje kapot zou gaan. Volgens de raadsvrouw had verdachte dus geen (voorwaardelijk) opzet op de vernieling van de ruit.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van parketnummer 16/407912-24 (bedreiging): bewezenverklaring
Bewijsmiddelen
Het proces-verbaal aangifte [aangever 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 28 december 2024 was ik bij de [locatie] aan het werk. Ik zag daar [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] naar mij schreeuwde: "raak mij niet aan". Ik zag dat [verdachte] uit zijn rechter jaszak, met zijn rechterhand, een schaar pakte. Ik zag dat de schaar roze/blauw achtige kleuren had. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mij zei:" kijk uit jongen, kijk uit jongen, je moet mij niet meer aanraken." Ik had een heel akelig gevoel bij deze situatie. Ik vond het niet fijn. Ik moest nu wel gaan opletten want hij kwam elke keer ook dichterbij. Hierdoor voelde ik mij bedreigd.
De verklaring van getuige [getuige 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 28 december 2024 was ik werkzaam als beveiliger bij de [locatie] op de [adres 2] te [plaats 1] . Ik zag dat [aangever 1] (de rechtbank begrijpt: aangever [aangever 1]) een conflict had met [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] zijn rechterhand in zijn jaszak deed. Ik zag dat [verdachte] kort daarna zijn rechterhand uit zijn jaszak haalde en dat hij een schaar in zijn hand vasthield. Ik zag dat [verdachte] de openingen van de schaar in zijn hand had, waardoor het scherpe gedeelte uit zijn handpalm stak.
Bewijsoverweging
Verdachte en aangever hadden op 28 december 2024 een conflict. Tijdens dit conflict pakt verdachte een schaar uit zijn jaszak, zegt hij ‘kijk uit jongen, je moet mij niet meer aanraken’ en loopt hij met de schaar in zijn hand dichter naar de aangever toe. Het is begrijpelijk dat dit wordt opgevat als een bedreiging dat met de schaar zal worden gestoken. Gelet op de omstandigheden waaronder en de context waarin de uitlatingen en gedragingen hebben plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat bij aangever de vrees kon ontstaan dat hij met de schaar zou worden gestoken en hij als gevolg daarvan het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.
Hoewel twee getuigen hebben verklaard dat verdachte bewoordingen heeft geuit in de trant van ‘ik ga jullie steken’, heeft aangever niets over deze specifieke woorden verklaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit deel van de ten laste gelegde bedreiging niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Ten aanzien van parketnummer 16/368974-24 (vernieling): bewezenverklaring
Bewijsmiddelen
Het proces-verbaal aangifte [aangever 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats delict: [adres 3] te [plaats 1] (Huisartsenpraktijk [praktijk] )
Ik zag [verdachte] in de hal staan voor de balie van de praktijk. Ik zag en hoorde dat [verdachte] erg geïrriteerd was. Toen ik de deur achter mij sloot, hoorde ik [verdachte] schelden. Ik zag dat [verdachte] met zijn hand tegen de ruit van de balie aan stond. Toen ik mij omdraaide, hoorde ik een harde klap en zag ik dat de ruit van de balie kapot was. De ruit is uit de sponning gevallen en is volledig kapot en niet meer bruikbaar.
De verklaring van getuige [getuige 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 19 november 2024 kwam [verdachte] bij ons in de praktijk. Ik zag dat hij boos werd en hoorde dat hij zijn stem verhief. Wij deden de deur van de balieruimte dicht, zodat hij niet bij ons kon komen. Toen merkte ik dat [verdachte] nog kwader werd. Ik zag toen het reeds gesloten rolluik, dat zich achter een schuifraam bevindt, indeuken toen ik harde klappen hoorde. [verdachte] heeft kennelijk de ruit vernield. Die ruit was de hele dag barstvrij en zat nog in de schuifmechanieken. Ik zag dat de ruit nu in barsten op de grond lag.
De verklaring van verdachte bij de politie, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
O: De aangever en de getuige horen vervolgens een harde klap en ze zagen dat het ruit
van de balie kapot was.
V: Wat kan je hierover verklaren?
A: Ik heb gewoon een duwtje gegeven. Ik had eerst een paar keer geklopt.
V: Heb jij de ruit vernield?
A: Ik heb een duwtje gegeven.
Bewijsoverweging
Anders dan de raadvrouw, is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte in ieder geval sprake was van voorwaardelijk opzet op de vernieling van de ruit. De rechtbank overweegt dat verdachte boos en gefrustreerd was, waarna hij hard op de ruit van de balie heeft gebonsd en daar (met enige kracht) tegenaan heeft geduwd. Hierdoor is de ruit op de grond gevallen en gebarsten. De rechtbank is van oordeel dat er een aanmerkelijke kans is dat een glazen ruit kapot gaat als deze op de grond valt doordat daar hard op wordt gebonsd dan wel (met enige kracht) tegenaan wordt geduwd. Verdachte heeft deze kans ook bewust aanvaard.
5. BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
Ten aanzien van parketnummer 16/407912-24 op 28 december 2024 te Utrecht [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling door een schaar aan die [aangever 1] te tonen en met die schaar in zijn hand dichterbij die [aangever 1] te lopen en hem daarbij dreigend de woorden toe te voegen "kijk uit jongen, je moet mij niet meer aanraken";
Ten aanzien van parketnummer 16/368974-24 op 19 november 2024 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een ruit die aan huisartsenpraktijk [praktijk] toebehoorde heeft vernield.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de volgende strafbare feiten op:
Ten aanzien van parketnummer 16/407912-24:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;
Ten aanzien van parketnummer 16/368974-24:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. OPLEGGING VAN MAATREGEL
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot oplegging van de onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich verzet tegen de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Hoewel verdachte op basis van zijn strafblad voldoet aan de criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel, geldt dat hij aan de ondergrens van de criteria zit. Volgens de raadsvrouw is het dan ook buitenproportioneel om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Een onvoorwaardelijke ISD-maatregel dient als een laatste redmiddel en is op dit moment niet nodig om de veiligheid van personen en goederen te waarborgen. Ook heeft de raadsvrouw aangevoerd dat eerder opgelegde voorwaardelijke straffen wel tot gedragsverandering bij verdachte en recidivebeperking hebben geleid en dat verdachte zich wel aan afspraken houdt.
De raadsvrouw heeft daarom primair verzocht om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest, al dan niet met de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel en bijzondere voorwaarden. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met bijzondere voorwaarden.
Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de duur van een eventueel op te leggen onvoorwaardelijke ISD-maatregel te stellen op één jaar en te bepalen dat de maatregel na zes maanden tussentijds wordt getoetst. Daarbij heeft de raadsvrouw verzocht het voorarrest van de duur van de ISD-maatregel af te trekken.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten, te weten een vernieling en een bedreiging. Verdachte heeft bij zijn huisarts een ruit vernield, nadat werd medegedeeld dat zijn medicatie niet kon worden verstrekt. Verdachte werd boos en duwde/bonsde hard tegen de ruit van de balie, waardoor deze op de grond viel en barstte. Hiermee heeft verdachte schade veroorzaakt en geen respect getoond voor andermans eigendom. Daarnaast heeft verdachte een medewerker van de dak- en thuislozenopvang bedreigd. Na een conflict met een medewerker moest verdachte de opvang verlaten. Verdachte was het daar niet mee eens, pakte vervolgens een schaar uit zijn jaszak en bedreigde daar de medewerker mee. Hierdoor heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt. In beide gevallen heeft verdachte zich uit woede gekeerd tegen hulpverleners die er juist zijn om hem te helpen. De rechtbank neemt verdachte dit kwalijk. De rechtbank ziet ook in dat het handelen van verdachte tenminste deels voortkomt uit onmacht; door zijn langdurig spelende psychische- en verslavingsproblematiek, kunnen de frustraties bij verdachte snel hoog oplopen. Ook ter zitting is dat gebleken.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
28 januari 2025 op naam van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden veelvuldig met politie en justitie in aanraking is gekomen.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van Inforsa van 27 februari 2025. Volgens de reclassering is bij verdachte sprake van een langdurig delictpatroon. De reclassering ziet de leefgebieden huisvesting, dagbesteding, financiën, middelengebruik en psychosociaal functioneren als problematisch en (mogelijk) delict gerelateerd. Zo ontbreekt het verdachte aan huisvesting, een zinvolle dagbesteding en een stabiel inkomen. Ook is er sprake van een terugkerende middelenverslaving. Ondanks meerdere detoxopnames lukt het verdachte niet om abstinent te blijven. De reclassering benoemt dat er op dit moment geen beschermende factoren bij verdachte lijken te zijn. De reclassering schat het recidiverisico daarom in op hoog.
De reclassering benoemt verder dat in het verleden meermaals is geprobeerd om aan gedragsverandering bij verdachte en daarmee aan recidivevermindering te werken. Zo heeft verdachte veel klinische en ambulante behandelingen en begeleiding gehad. Deze zijn echter onvoldoende van de grond gekomen, omdat verdachte zich niet aan afspraken hield en hij recidiveerde binnen zijn proeftijd. Wanneer verdachte drugs gebruikt en instabiliteit op meerdere leefgebieden ervaart, is er sprake van een niet gemotiveerde houding, trekt hij zijn eigen plan en houdt hij zich niet aan regels en voorwaarden. Gebleken is dat in een ambulant en voorwaardelijk strafkader onvoldoende ingezet kan worden om tot gedragsverandering bij verdachte te komen en het recidiverisico terug te dringen.
De reclassering adviseert daarom om aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Verdachte is gebaat bij structuur en duidelijke afspraken in een streng dwangkader. Daarnaast is de ISD-maatregel nodig om tot een gedegen plan van aanpak (in het kader van de extramurale fase) te komen. Verdachte is gebaat bij structurele begeleiding en een beschermde woonplek waar aandacht is voor zijn psychosociaal functioneren en middelengebruik. Deze woonplekken hebben vaak (lange) wachtlijsten. Volgens de reclassering is het van belang dat verdachte in afwachting van een plaatsing bij een beschermde woonplek in detentie verblijft, zodat sprake is van een langdurige abstinentie van middelengebruik en het recidiverisico kan worden beperkt. Vanuit de intramurale fase kan verdachte aangemeld worden voor een geschikte plek. Mogelijk dat er gedurende detentie ook moet worden ingezet op het psychosociaal functioneren van verdachte.
Oplegging onvoorwaardelijke ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat verdachte een stelselmatige dader is in de zin van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht en dat aan alle voorwaarden is voldaan voor het opleggen van de ISD-maatregel. De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 28 januari 2025 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan deze feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, te weten:
een onherroepelijke veroordeling van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland op 12 juli 2023 tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zestien dagen. Deze straf is tenuitvoergelegd;
een onherroepelijke veroordeling van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland op 27 februari 2023 tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week. Deze straf is tenuitvoergelegd;
een onherroepelijke veroordeling van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland op 30 juni 2021 tot een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van twintig uren. Verdachte heeft deze taakstraf verricht.
De in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen.
Zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen en goederen het opleggen van deze maatregel, gezien het aantal (eerder) door verdachte begane feiten en de inschatting van het recidiverisico.
Ook is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel uit de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Als volwassene zag verdachte over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Hieruit blijkt dat de vele (deels voorwaardelijke) straffen die eerder aan verdachte zijn opgelegd en de hulpverlening die hem in diverse kaders is geboden, er niet toe hebben geleid dat verdachte zijn gedrag heeft veranderd. Zo is verdachte telkens binnen de proeftijd van alle (deels) voorwaardelijk opgelegde straffen gerecidiveerd. Reeds daarom acht de rechtbank een ambulant en voorwaardelijk strafkader niet toereikend om tot gedragsverandering bij verdachte te komen en het recidiverisico te beperken. De rechtbank ziet op dit moment dan ook geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. De rechtbank hoopt dat verdachte zal meewerken aan de in het kader van de ISD-maatregel aangeboden hulpverlening en behandeling. Ook als verdachte daaraan echter niet zal meewerken, is de ISD-maatregel passend en geboden, namelijk met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen de delicten die verdachte stelselmatig pleegt.
Duur van de maatregel en geen aftrek van het voorarrest
Ter beëindiging van de recidive van verdachte en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om het gehele traject van de ISD-maatregel te kunnen doorlopen. Er moet ook voldoende tijd zijn om toe te werken naar een vorm van beschermd/begeleid wonen waar verdachte na afloop van de ISD-maatregel kan (blijven) wonen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
Verzoek tot tussentijdse toetsing
Het verzoek van de raadsvrouw om nu al te bepalen dat de maatregel na zes maanden tussentijds moet worden getoetst, wordt afgewezen. De rechtbank overweegt dat op grond van het bepaalde in artikel 38n, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht zo nodig door de officier van justitie een vordering – en door de verdediging een verzoek – tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voorzetting van de maatregel kan worden gedaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit moment al te bepalen dat de maatregel tussentijds moet worden getoetst.
9. VORDERING TOT TENUITVOERLEGGING
Bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland van 19 november 2021 (parketnummer 16/165703-21) is aan verdachte onder andere een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week met een proeftijd van twee jaren opgelegd.
Deze voorwaardelijke opgelegde straf is bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland van 12 april 2023 (parketnummer: 16/091619-23) tenuitvoergelegd, waarbij in plaats van deze vrijheidsstraf een taakstraf voor de duur van 30 uren is gelast.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om het Openbaar Ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering tot tenuitvoerlegging al bij onherroepelijk vonnis in de zaak met parketnummer 16/091619-23 is toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. De eerder opgelegde gevangenisstraf is omgezet in een taakstraf en verdachte heeft een groot deel van deze taakstraf al uitgevoerd. Voor het overige deel van de taakstraf zal vervangende hechtenis worden toegepast.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het Openbaar Ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk verklaren.
10. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
11. BESLISSING
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging maatregel
legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;
bepaalt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht niet op de tenuitvoerlegging van de maatregel in mindering zal worden gebracht;
Vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 16/165703-21)
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Schnitzler, voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. T.M. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 maart 2025.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van parketnummer 16/407912-24 hij op of omstreeks 28 december 2024 te Utrecht [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een schaar aan die [aangever 1] te tonen en/of met die schaar in zijn hand dichterbij die [aangever 1] te lopen en hem daarbij dreigend de woorden toe te voegen "ik ga jullie steken" en/of "kijk uit jongen, je moet mij niet meer aanraken";
Ten aanzien van parketnummer 16/368974-24 hij op of omstreeks 19 november 2024 te Utrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan huisartsenpraktijk [praktijk] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt