RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-172587-22 (vordering verlenging PIJ-maatregel)
Beslissing op grond van artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 3 oktober 2025
op de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) van:
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,
thans verblijvende in de [verblijfplaats] in [plaats] ,
hierna: [minderjarige] .
1. De stukken
De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder:
2. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek heeft achter gesloten deuren plaatsgevonden ter zitting van 19 september 2025. Daarbij zijn gehoord:
- de officier van justitie mr. M.S. Martherus-Meijers;
- [minderjarige] ;
- de raadsman mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht;
- de moeder van [minderjarige] ;
- de heer D. [deskundige] , verbonden aan de [verblijfplaats] .
3. De rapportage en de toelichting daarop
In het adviesrapport van 18 juli 2025 wordt weergegeven dat de eerder gestelde normoverschrijdend-gedragsstoornis in de afgelopen jaren ontwikkeld is tot een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken. De afgelopen jaren is gezien dat het [minderjarige] onvoldoende lukt om zich te houden aan het dagprogramma en er weinig sprake is van behandelmotivatie. Door zijn omgekeerde dag- en nachtritme lukt het hem niet om ‘s ochtends tijdig klaar te staan, hetgeen wordt versterkt door zijn veelvuldig middelengebruik. Hij weigert structureel zijn onderwijslessen. Hoewel sinds mei 2025 wordt gezien dat het [minderjarige] (beter) lukt om het volledige dagprogramma mee te draaien, tijdig klaar te staan en zich te onthouden van middelen, wordt ingeschat dat de bereidheid om te veranderen en mee te werken aan behandeling met name extrinsiek gestuurd is. [minderjarige] spreekt uit gemotiveerd te zijn zich te conformeren en stappen te zetten, omdat hij tijdens de verlengingszitting graag wil laten zien dat hij vooruitgang heeft geboekt.
Het recidiverisico op geweld wordt als hoog ingeschat. De voornaamste risico’s worden momenteel gezien op het gebied van beperkte copingvaardigheden, middelengebruik, negatieve opvattingen, impulsiviteit, gebrek aan empathie en weinig binding met onderwijs. Het huidige juridisch kader, het pedagogisch klimaat, de geboden behandeling en de geboden structuur worden momenteel als de belangrijkste beschermende factoren gezien. Er wordt in enige mate bescherming gezien in de relatie tussen [minderjarige] en zijn familie. Tot op heden is er met [minderjarige] geen volledige overeenstemming over de risicofactoren en de beschermende factoren, en ook binnen de huidige kaders heeft hij moeite zich te houden aan de geldende regels. Bij het wegvallen van het huidige kader, het toezicht en het pedagogische leefklimaat, wordt het recidiverisico eveneens als hoog ingeschat.
Het perspectief van de behandeling is vooralsnog gericht op het verlagen van de risicofactoren en het versterken van de beschermende factoren. Bij volledige overeenstemming over de risicofactoren en hoe deze bewerkt dienen te worden, wanneer er effect op gedragsniveau zichtbaar is en er een verantwoord niveau van het recidiverisico is, kan naast de verdere behandeling op de gestelde behandeldoelen, ook gestart worden met het vormgeven van het resocialisatietraject. Dit traject en het uiteindelijke uitstroomdoel zullen in geval van een positieve gedragsontwikkeling in de komende termijn verder geconcretiseerd worden. [minderjarige] laat zien over vaardigheden te beschikken om zijn leven anders in te richten. Hij zet deze echter nog voornamelijk opportunistisch in. Er is nog geen sprake van echte behandelbereidheid. Daar zal de komende periode eerst aan gewerkt moeten worden.
Om deze doelen te behalen heeft [minderjarige] nog tenminste 24 maanden nodig. Dit betreft de minimale termijn die nodig wordt geacht, waarbij de haalbaarheid hiervan afhankelijk zal zijn van de inzet, houding en motivatie van [minderjarige] .
Het advies van het behandelteam is dan ook om de huidige PIJ-maatregel met 24 maanden te verlengen.
De heer [deskundige] , behandelcoördinator, is ter zitting als deskundige gehoord en heeft verklaard dat de kernproblematiek van [minderjarige] van jongs af aan aanwezig is en niet binnen een jaar veranderd zal zijn. [minderjarige] zit echt nog aan het begin van zijn behandeltraject. De komende tijd zal uit de behandeling en zijn gedrag op de groep moeten blijken of de motivatie van [minderjarige] inderdaad intrinsiek is. Afhankelijk van zijn motivatie en medewerking zal, als het goed blijft gaan, in de komende twee jaar ook verlof aangevraagd en opgestart kunnen worden.
4. De standpunten
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel met 24 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit de verlenging van de PIJ-maatregel te beperken tot 12 maanden. [minderjarige] heeft inmiddels ingezien dat het anders moet en heeft laten zien dat hij gemotiveerd is om mee te werken aan zijn behandeling. [minderjarige] is ook gestopt met het gebruik van verdovende middelen. Een kortere verlenging is van belang om zijn motivatie vast te houden en hem te belonen voor zijn inzet.
5. Het oordeel van de rechtbank
[minderjarige] is bij genoemd vonnis van deze rechtbank veroordeeld voor – kort gezegd – vrijheidsberoving, diefstal met geweld (meermalen), afpersing, poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, bedreiging en diefstal. Aan [minderjarige] is een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd. De rechtbank heeft op 5 oktober 2023 de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel bevolen. Met betrekking tot de duur van deze maatregel heeft de rechtbank overwogen dat de mogelijkheid bestaat deze te verlengen, omdat [minderjarige] is veroordeeld voor feiten die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.
De PIJ-maatregel is gaan lopen op 5 oktober 2023. Als de maatregel niet wordt verlengd, eindigt de maatregel voorwaardelijk op 4 oktober 2025.
De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemd advies en wat ter zitting is besproken, volgt dat de algemene veiligheid van personen en goederen de verlenging van de maatregel eist. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat als de PIJ-maatregel niet zou worden verlengd. Zij is van oordeel dat wordt voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De verlenging is ook in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [minderjarige] . De rechtbank overweegt daarbij het volgende.
Het is positief dat [minderjarige] de laatste maanden een andere houding heeft laten zien en nu gemotiveerd is en bereid is om mee te werken aan zijn behandeling. De bereidheid van [minderjarige] om mee te werken is er echter pas heel kort en uit hetgeen ter zitting is besproken volgt dat [minderjarige] pas aan het begin van zijn behandeling staat en dat zijn kernproblematiek nog onbehandeld is. [minderjarige] zal de komende periode moeten laten zien dat zijn motivatie om mee te werken vanuit hemzelf komt en dat hij dit kan volhouden, onder meer door het behalen van de te stellen doelen.
Nu de behandeling zich nog in een beginstadium bevindt en uit het voorgaande is gebleken dat voor [minderjarige] langdurige behandeling noodzakelijk zal zijn, vindt de rechtbank verlenging voor de duur van 24 maanden passend en geboden.
Een verlenging voor een kortere periode zoals door de raadsman voorgesteld, is, gelet op de tijd die de net opgestarte behandeling en de nog te nemen stappen in beslag zullen nemen, niet reëel. De rechtbank spreekt haar hoop uit dat [minderjarige] zijn motivatie weet vast te houden en dat hij zijn motivatie en beloning vindt in het behalen van doelen en vervolgstappen in de behandeling.
6. De beslissing
De rechtbank:
- verlengt de termijn van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [minderjarige] voor de duur van 24 maanden.
Deze beslissing is genomen door mr. L.R.H. Koekoek, voorzitter, tevens kinderrechter,
mrs. I.G.C. Bij de Vaate, kinderrechter, en R.L.M. van Opstal, rechter, bijgestaan door
G. van Engelenburg als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 3 oktober 2025.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.