RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/297831-23 & 05/078949-23 (vord. tul) (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 31 januari 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboortedatum] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] te [plaats] ,
hierna: verdachte.
1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.M.L. Kalsbeek en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Schilder, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
2. TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte:
feit 1
in de periode van 15 juli 2023 tot en met 10 november 2023 te Harmelen, samen met anderen, cocaïne, MDMA, amfetamine, 2CB, GHB en/of LSD heeft vervoerd, afgeleverd en/of verkocht;
feit 2
op 10 november 2023 in Harmelen 71,74 gram MDMA, 6,50 gram amfetamine en 13,93 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.
3. VOORVRAGEN
Voordat de rechtbank een oordeel kan geven over de vraag of verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, moet worden beoordeeld of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.
4. WAARDERING VAN HET BEWIJS
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd en aangegeven zich aan te sluiten bij de beslissing van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De feiten zijn door verdachte begaan. Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank zal daarom niet opschrijven wat er in de bewijsmiddelen staat, maar alleen opsommen welke bewijsmiddelen zij voor de bewezenverklaring gebruikt.
De gebruikte bewijsmiddelen zijn:
de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 januari 2025;
het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , inhoudende het aantreffen van verdovende middelen bij verdachte;
- het proces-verbaal van bevindingen van het onderzoek naar de iPhone 7 plus van verdachte;
- de druggerelateerde chatgesprekken tussen verdachte en [chatnaam 1] , [chatnaam 2] en [chatnaam 3] ;
- de NFI-rapportages van 13 november 2023 en 14 november 2023, inhoudende de identificatie van de bij verdachte aangetroffen verdovende middelen.
De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op beide feiten, maar op één feit.
5. BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
feit 1
in de periode van 15 juli 2023 tot en met 10 november 2023 in Nederland, meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hoeveelheden cocaïne, MDMA, amfetamine, 2CB, GHB en LSD, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, heeft verkocht, afgeleverd en vervoerd;
feit 2
op 10 november 2023 te Harmelen, gemeente Woerden, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- 71,74 gram MDMA,
- 6,50 gram amfetamine,
- 13,93 gram cocaïne,
zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6. STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. OPLEGGING VAN STRAF
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 148 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de dagen die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om te volstaan met een proeftijd van twee jaren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf rekening gehouden met de ernst van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder verdachte die feiten heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft ook gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij de straf heeft bepaald.
Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan
Verdachte heeft zich gedurende vier maanden samen met (een) ander(en) schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs. Ook had verdachte op de dag van de aanhouding ruim 90 gram harddrugs voorhanden. Met zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de harddrugshandel, waarmee veel gevaren voor de volksgezondheid, de openbare orde en de maatschappelijke veiligheid gepaard gaan. Zo is het algemeen bekend dat verdovende middelen een groot gevaar voor de gezondheid van gebruikers vormen, aangezien deze stoffen sterk verslavend zijn en in de regel schadelijk zijn voor het lichaam en de psyche. Daarnaast bekostigen gebruikers hun verslaving vaak met geld uit crimineel handelen en gaat de handel in harddrugs veelal gepaard met geweld. Het handelen van verdachte brengt dan ook directe en indirecte schade toe aan de maatschappij. Verdachte heeft hier kennelijk niet bij stilgestaan en voor zover hij daarbij wel heeft stilgestaan, zich daardoor niet laten weerhouden. Verdachte heeft alleen gedacht aan geld verdienen.
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 7 januari 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De reclassering heeft op 15 januari 2025 een rapportage over verdachte opgesteld. Hieruit volgt dat bij verdachte sprake is van financiële problematiek, verslavingsproblematiek, en mogelijk een cognitieve beperking. Volgens de reclassering hebben deze factoren een rol gespeeld bij het delictgedrag van verdachte. De reclassering ziet daarnaast ook meerdere beschermende factoren. Zo staat verdachte open voor begeleiding en is hij recent aangenomen voor een ambulante behandeling voor zijn verslavingsproblematiek. Verdachte heeft stabiele huisvestiging en wordt begeleid bij zijn dagbesteding. De reclassering schat het risico op recidive in op gemiddeld. De reclassering vindt voorzetting van het reclasseringstoezicht en ambulante behandeling in een verplicht kader nodig om de situatie verder te stabiliseren en recidive in de toekomst te voorkomen.
De reclassering adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met (in het kort) de volgende bijzondere voorwaarden: (1) meldplicht, (2) ambulante behandeling bij [instelling] , (3) meewerken aan schuldhulpverlening en (4) meewerken aan middelencontrole. Hierbij heeft de reclassering ook benoemd dat verdachte bij het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het risico loopt dat hij zijn woonruimte verliest en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de recent gestarte behandeling voor zijn verslavingsproblematiek zou doorkruisen.
De straf
De aard en ernst van de feiten rechtvaardigen in beginsel oplegging van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank ziet echter, net als de officier van justitie, aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en heeft hierbij het volgende laten meewegen. Allereerst weegt de rechtbank mee dat verdachte open en consistent heeft verklaard over de handel in drugs, zowel over de verschillende soorten drugs als over de periode waarin hij in drugs heeft gehandeld. Daarnaast heeft verdachte sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis een positieve ontwikkeling laten zien. Zo heeft hij zijn opleiding afgerond en is hij recent begonnen met een ambulante behandeling voor zijn verslavingsproblematiek. Dit maakt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht op dit moment en onder deze omstandigheden door de rechtbank niet als passende strafmodaliteit wordt gezien.
De rechtbank acht alles afwegende, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, de volgende straf passend en geboden: een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (92 dagen), waarvan 148 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, en de algemene en bijzondere voorwaarden zoals hieronder opgenomen in de beslissing van de rechtbank.
De reden voor de oplegging van de langere proeftijd is dat verdachte daardoor meer ruimte krijgt om (met behulp van de op te leggen bijzondere voorwaarden) zijn verslavings- en schuldenproblematiek het hoofd te bieden en dat de rechtbank inschat dat verdachte deze tijd ook echt nodig heeft om de prille, positieve gedragsveranderingen te bestendigen.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
9. BESLAG
Onder verdachte is 1 STK Telefoontoestel (3249611) in beslag genomen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de telefoon verbeurd te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om de telefoon terug te geven aan verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de telefoon verbeurd verklaren, omdat met behulp daarvan het onder 1 bewezen verklaarde feit is begaan.
10. VORDERING TOT TENUITVOERLEGGING
Bij vonnis van de politierechter van de rechtbank van Gelderland van 29 augustus 2023 is aan verdachte onder andere een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van drie jaren opgelegd (parketnummer 05/078949-23).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering tot tenuitvoerlegging gedeeltelijk toe te wijzen, te weten een gevangenisstraf voor de duur één maand. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat deze gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf voor 120 uren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangegeven zich te kunnen vinden in het voorstel van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De vordering is derhalve toewijsbaar. De rechtbank zal de tenuitvoerlegging echter slechts voor een gedeelte gelasten, te weten voor één maand, en in plaats van deze vrijheidsstraf een taakstraf voor de duur van 120 uren gelasten. Bij deze beslissing is rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
11. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
12. BESLISSING
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 148 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jaren vast;
- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:
- als bijzondere voorwaarden gelden dat verdachte:
- waarbij aan de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Beslag
- verklaart 1 STK Telefoontoestel (3249611) verbeurd;
Vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05/078949-23)
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging gedeeltelijk toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de door de politierechter in de rechtbank Gelderland bij vonnis van 29 augustus 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, te weten één maand;
- gelast in plaats van deze vrijheidsstraf het verrichten van een taakstraf voor de duur van 120 uren;
- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door één maand hechtenis;
Voorlopige hechtenis
- heft op het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. Duinkerken, voorzitter, mr. N.P.J. Janssens en
mr. I.G.C. Bij de Vaate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. van Bergeijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 januari 2025.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
feit 1
hij, in of omstreeks de periode van 15 juli 2023 tot en met 10 november 2023 te Harmelen, gemeente Woerden, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk hoeveelheden cocaïne en/of hoeveelheden MDMA en/of hoeveelheden amfetamine en/of hoeveelheden 2CB en/of hoeveelheden GHB en/of hoeveelheden LSD, zijnde cocaïne en/of MDMA en/of amfetamine en/of 2CB en/of GHB en/of LSD, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad;
feit 2
hij op 10 november 2023 te Harmelen, gemeente Woerden, althans in Nederland,
opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- ongeveer 71,74 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA;
- ongeveer 6,50 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine;
- ongeveer 13,93 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde MDMA, amfetamine en/of cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.