[eiser] , uit [plaats] , eiser,(gemachtigde: mr. A van der Maan)
en
Dienst Toeslagen, verweerder,(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 2 juli 2024 tegen de beslissing van verweerder van 5 juni 2024 over aanvullende compensatie.
Verweerder heeft op 31 januari 2025 een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft op 4 september 2025 een aanvullende reactie ingediend.
Verweerder heeft op 11 september 2025 een gewijzigd standpunt ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigden van verweerder.
Overwegingen
1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Verweerder is op 8 januari 2025 door eiser in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 23 januari 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar.
3. Het beroep is gegrond.Verweerder moet alsnog een besluit nemen
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen.
5. In haar uitspraak van 25 juli 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 72 weken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn. Als deze termijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, bepaalt de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep. Voor de motivering van deze termijnen verwijst de rechtbank naar die uitspraak.
6. De rechtbank heeft ter zitting kennis genomen van de persoonlijke omstandigheden van eiser en zijn partner. De rechtbank begrijpt daar uit dat zij zeer worden getroffen door het uitblijven van een besluit in deze zaak. Voor het (psychisch) herstel is dat van groot belang. De rechtbank begrijpt goed dat het voor eiser en zijn partner erg moeilijk is om te herstellen van hetgeen hen is overkomen, voordat de juridische afwikkeling van de toeslagenaffaire tot een afronding is gekomen. De rechtbank begrijpt dan ook dat eiser de rechtbank vraagt om verweerder nog slechts een korte termijn te stellen voor het nemen van het besluit. Toch zal de rechtbank dit verzoek niet volgen. Enerzijds ziet de rechtbank dat verweerder overloopt in zaken en dat een kortere termijn (of een hogere dwangsom) niet daadwerkelijk zal leiden tot een eerder besluit. Anderzijds hebben ook veel andere gedupeerden van de toeslagenaffaire te lijden onder het uitblijven van een besluit. Het zou dan niet eerlijk zijn om eiser in deze zaak te bevoordelen ten opzichte van die andere gedupeerden. De rechtbank zal daarom in deze uitspraak de gangbare termijnen hanteren.
7. In dit geval betekent dit het volgende. Verweerder heeft op 5 juni 2024 de beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding genomen. Het bezwaarschrift van eiser tegen dit besluit is door verweerder ontvangen op 2 juli 2024. De beslistermijn om op dit bezwaar te beslissen is dus aangevangen op 18 juli 2024 en verliep op 20 november 2024. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op bezwaar bekend moet maken is dus 8 april 2026.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijnen niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 over beroepen niet tijdig beslissen op bezwaar in Wht-zaken.
Griffierecht en proceskosten
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het bijstaan ter zitting met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen verdere proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk 8 april 2026 een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
de griffier is buiten staatte ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: