RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/949
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P.J. de Booij),
en
De Korpschef van de Nationale Politie, verweerder
(gemachtigden: mr. Q. J. van der Bent en mr. M.M.C. van Graafeiland).
1. Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het besluit van verweerder op het verzoek van eiser om verwijdering van een aantal stukken met daarin zijn persoonsgegevens op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Eiser heeft tweemaal beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op dat verzoek. Verweerder heeft uiteindelijk een besluit genomen dat ertoe strekt dat een deel van de door eiser bedoelde stukken niet is aangetroffen en dat de wel aangetroffen stukken zullen worden verwijderd. Eiser is het met dat besluit niet eens en heeft daartegen verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van deze gronden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van verweerder over het AVG-verzoek onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Dit leidt ertoe dat het beroep gegrond is. De rechtbank vindt echter dat, voor zover aan eisers verzoek niet tegemoet is gekomen, verweerder dit in beroep alsnog voldoende heeft gemotiveerd. Er is volgens de rechtbank geen recht op schadevergoeding. 1.3. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Procesverloop
Eiser heeft op 29 april 2022 bij verweerder een verzoek op grond van artikel 17 van de AVG ingediend, waarin hij heeft verzocht om verwijdering van informatie die verweerder van hem verwerkt.
Nadat verweerder niet tijdig op het verzoek had beslist, heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het uitblijven van een besluit. Bij uitspraak van de rechtbank van 5 juli 2023 is dit beroep gegrond verklaard en is verweerder opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen.
Op 29 januari 2024 heeft eiser een tweede beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn AVG-verzoek.
3. Verweerder heeft op 3 mei 2024 een besluit genomen op het AVG-verzoek (hierna: het bestreden besluit). Op grond van artikel 6:20 Awb richt het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op haar AVG-verzoek, zich van rechtswege mede tegen het genomen besluit. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de zaak naar verweerder te verwijzen ter behandeling als bezwaar.
4, Eiser heeft kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met dit besluit en heeft daartoe beroepsgronden aangevoerd. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft een nader stuk ingediend, waarin hij onder meer om schadevergoeding verzoekt.
5. De rechtbank heeft het beroep op 11 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen
6. Eiser had in eerste instantie aangevoerd dat het bestreden besluit niet kan worden aangemerkt als een besluit, maar ter zitting heeft eiser deze grond laten vallen.
De rechtbank overweegt dat omdat op 3 mei 2024 op het AVG-verzoek van eiser is beslist, eiser geen belang meer heeft bij het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank zal daarom het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. Nu verweerder niet heeft voldaan aan de beslistermijn in de uitspraak van 5 juli 2023, zal verweerder wel worden veroordeeld in de proceskosten van eiser voor dit beroep.
Het beroep gericht tegen het besluit van verweerder van 3 mei 2024
Relevante feiten en standpunten van partijen
7. Eiser is vanaf 1 april 1986 in dienst van de politie en verrichtte sinds 1992, naast zijn baan als [functie] , nevenwerkzaamheden als beëdigd [nevenfunctie] . In die laatste hoedanigheid stond hij ingeschreven in het Politie Tolkenbestand. In 2020 heeft de politie besloten eiser niet langer als tolk te gebruiken en zijn registratie in het Tolkenbestand te verwijderen. Eiser heeft de verwijdering van zijn registratie in een civiele procedure aangevochten. Met een arrest van de Hoge Raad 17 januari 2025 staat in rechte vast dat de politie met de verwijdering van de registratie niet onrechtmatig heeft gehandeld.
8. In het kader van de onderhavige AVG-procedure is niet in geschil dat eiser verzoekt om verwijdering van de volgende documenten: 1. een rapport van bevindingen van 17 mei 2004;2. een e-mailbericht van 11 oktober 2005;
3. een klachtbrief van 6 april 2009;
4. een e-mail van 31 augustus 2010;
5. een e-mail van 8 maart 2011.
9. In het bestreden besluit is vermeld dat de stukken 3 en 5 zijn verwijderd en dat de overige documenten niet zijn aangetroffen. Verder is vermeld dat de gegevens uitsluitend nog zullen worden gebruikt in de lopende cassatieprocedure van de Hoge Raad.
10. In het verweerschrift heeft verweerder nader toegelicht dat het verzoek van eiser is opgevat als verzoek tot verwijdering van (de persoonsgegevens van eiser in) de vermelde stukken in het Tolkenbestand. Verder is aangegeven dat naderhand is gebleken dat de stukken 1 en 4 zich, anders dan in het bestreden besluit is vermeld, zich nog wel in het dossier van eiser in het Tolkenbestand bevonden. Dit maakt volgens verweerder voor de voorliggende kwestie geen verschil, omdat er geen verplichting was om deze stukken te verwijderen. Bij de behandeling ter zitting heeft verweerder aangegeven dat deze stukken desondanks inmiddels zijn verwijderd.
10. Eiser voert in beroep aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, nu op geen enkele manier is gereageerd op zijn stelling dat de stukken 1 tot en met 5 reeds eerder verwijderd hadden moeten worden vanwege de terugkijktermijn van acht jaar die geldt, zodat deze stukken ten onrechte in het civiele kort geding en de bodemprocedure zijn gebruikt. Eiser wijst er daarbij op dat de stukken in de cassatieprocedure niet meer zijn gebruikt. Verder heeft eiser in reactie op het verweerschrift ter zitting gesteld dat het wissingsverzoek niet alleen ziet op het Tolkenbestand, maar op alle gegevens die zich onder verweerder bevinden. Verweerder maakt daar ten onrechte een onderscheid in. Verder vindt eiser specifiek ten aanzien van stuk 2 dat dit ook niet bewaard kan worden omdat het geen betrekking heeft op wat het onderwerp was van de civiele procedure. Eiser heeft ook verzocht om een schadevergoeding van € 16.500 en zich hierbij gebaseerd op € 500,- voor elke maand ziekte tussen 16 februari 2022 en 14 november 2024.
12. Verweerder stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat de beroepsgronden niet slagen. Het wissingsrecht van artikel 17, eerste lid, AVG is volgens verweerder niet van toepassing, omdat de uitzonderingen b en e in het derde lid van deze bepaling zich voordoen. Er is geen grond voor schadevergoeding, aldus verweerder.Toetsingskader
12. Artikel 17, eerste lid, van de AVG geeft betrokkenen in een aantal gevallen het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging verwijdering van hun persoonsgegevens te verkrijgen. Dit is onder meer het geval als de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt (onderdeel d). Op grond van artikel 17, derde lid, aanhef en onder b en e, van de AVG is het eerste lid onder meer niet van toepassing indien verwerking nodig is voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend (onderdeel b), ofwel voor de vaststelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering (onderdeel e).
12. Artikel 82, eerste lid, van de AVG bepaalt dat eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, het recht heeft om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade.Beoordeling door de rechtbank
15. De rechtbank overweegt allereerst dat zij geen aanleiding ziet om de beoordeling van eisers AVG-verzoek te beperken tot het Tolkenbestand bij verweerder. In de brief van 22 april 2022, noch op enig ander moment, is het verzoek als zodanig beperkt. Zoals eiser ter zitting heeft betoogd, staat daarom in deze procedure ter beoordeling of verweerder (de persoonsgegevens in) de stukken 1 tot en met 5 moet wissen, in welk dossier ze zich bij verweerder precies bevinden.
16. De rechtbank vindt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Hierbij is van belang dat terwijl pas na ruim twee jaar is beslist, in dit besluit ten onrechte is vermeld dat de stukken 1 en 4 zich niet in eisers dossier zouden bevinden. Eerst in het verweerschrift van ruim een jaar later is vermeld dat dit nog wel het geval was. Dat, zoals verweerder stelt, dit mogelijk door foutieve datering van de stukken is gekomen, vindt de rechtbank een onvoldoende verklaring. Uit het verzoek blijkt duidelijk welke stukken worden bedoeld en tegelijkertijd speelden de stukken een rol in de civiele procedure. Verder ontbreekt een concrete toelichting in het besluit over de zoekslag die is gehanteerd, met name waar precies is gezocht. Ook is onvoldoende uitgelegd waarom de stukken 1 tot en met 5 wel nog in de lopende cassatieprocedure mogen worden gebruikt, en het wissingsverzoek van eiser daarom in zoverre wordt afgewezen. 17. Uit het voorgaande volgt dat reeds hierom het beroep gegrond is en het besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Hierbij is het volgende van belang.
18. De rechtbank stelt allereerst vast dat de stukken 1, 3, 4 en 5 uit het dossier van eiser in het Tolkenbestand zijn verwijderd. Ten aanzien van stuk 2 is bevestigd dat die, zoals in het bestreden besluit is vermeld, zich evenmin meer in het dossier in het Tolkenbestand bevindt. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen, en eiser heeft dit ook niet aannemelijk gemaakt, dat dit niet het geval is. In zoverre is aan eisers verzoek tegemoetgekomen.
18. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat hij de stukken nog wel anderszins onder zich heeft en zich daartoe ook op meerdere gronden verplicht acht, onder meer vanwege artikelen in de Archiefwet 1995. Beoordeeld moet worden of verweerder op grond van de AVG gehouden was deze stukken te wissen op eisers verzoek.
18. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 17, eerste lid, van de AVG reeds niet van toepassing is op de stukken 1 tot en met 5 gelet op artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van de AVG. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat volgens vaste rechtspraak een verwerkingsverantwoordelijke zich ook op deze uitzondering kan beroepen als de informatie nodig is voor het verweer tegen een rechtsvordering. Op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, liep de hiervoor onder 7 beschreven civiele procedure nog in cassatie. De rechtbank stelt verder vast dat uit de uitspraken van de rechtbank en het Gerechtshof blijkt dat de stukken 1 tot en met 5 een rol hebben gespeeld in deze procedures. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de uitzonderingsgrond van artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van AVG in ieder geval ook nog gold gedurende de cassatieprocedure. Het betoog van eiser dat stuk 2 inhoudelijk niet zou zien op hetgeen daar aan de orde was, maakt dit niet anders. Uit de inhoud van het stuk is niet evident dat het geheel losstaat van de civiele procedure. Nu vaststaat dat ook dit stuk in die procedure is gebruikt, valt het naar het oordeel van de rechtbank ook gedurende de cassatieprocedure onder uitzondering e van het derde lid van artikel 17 van de AVG.
21. Het betoog van eiser dat de stukken reeds vernietigd hadden moeten zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt op grond waarvan deze stukken reeds vernietigd hadden moeten zijn. Dat dit na acht jaar had moeten gebeuren, is onvoldoende onderbouwd. Verder wijst verweerder er terecht op dat volgens de Afdeling bij een verzoek op grond van artikel 17 van de AVG de verwerkingsverantwoordelijke eerst mag beoordelen of zich een uitzondering in het derde lid voordoet. Nu dit blijkens het voorgaande het geval was, kan het betoog van eiser niet slagen.
22. Uit het voorgaande volgt dat de uitzondering in onderdeel e van het derde lid van artikel 17 van de AVG van toepassing is, zodat verweerder reeds daarom niet gehouden was om de persoonsgegevens in de stukken 1 tot en met 5 te wissen. Gelet hierop kan onbesproken blijven of, zoals verweerder heeft betoogd, ook onderdeel b van het derde lid van toepassing is.
22. Wat betreft de gevraagde schadevergoeding overweegt de rechtbank dat hiervoor geen aanleiding bestaat. Uit het voorgaande volgt immers dat voor zover verweerder eisers verzoek heeft geweigerd, hiermee geen sprake is geweest van een inbreuk op de AVG als bedoeld in artikel 82 van de AVG.
Conclusie en gevolgen
24. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet in de aanvullende motivering uit het verweerschrift en de toelichting op de zitting echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank wijst er daarbij op dat dit besluit niet alleen ertoe strekt dat stukken uit het Tolkenbestand worden verwijderd, maar ook impliciet dat stukken buiten dat bestand niet verwijderd worden. Dit laatste rechtsgevolg blijft dus, gelet op voorgaande overwegingen, ook in stand. Het verzoek om schadevergoeding wordt gelet op rechtsoverweging 23 afgewezen.
25. Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten voor het instellen van het tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen, omdat dat op goede gronden was ingesteld, alsook voor het inhoudelijke beroep, omdat dit gegrond is verklaard. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Omdat het tweede beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen een licht gewicht heeft, wordt een wegingsfactor 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan voor het beroep niet tijdig € 453,50,-. Voor het inhoudelijke beroep krijgt eiser 1 punt voor het inhoudelijk beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. De vergoeding bedraagt voor het inhoudelijk beroep € 1.814,-. De totale proceskosten bedragen daarmee € 2.267,50. Eiser krijgt ook een vergoeding voor het betaalde griffierecht. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Het gaat om een bedrag van € 187,-.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het besluit van 3 mei 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven;
- bepaalt dat de verweerder het griffierecht van € 187 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.267,50 aan proceskosten aan eiser;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A. Gomes de Jorge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.