RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2441
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Broere),
en
Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)
(gemachtigde: mr. M. Kleijbeuker).
1. Samenvatting
Deze zaak gaat over het besluit van het CBR om eiser te verplichten mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Dat onderzoek houdt in dat eiser medisch moet worden onderzocht. Aanleiding voor dit besluit is een mededeling van de politie, waarin is aangegeven dat er een vermoeden bestaat dat eiser niet langer voldoet aan de eisen van rijvaardigheid of rijgeschiktheid. Eiser is het niet eens met dit besluit en heeft daartegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt aan de hand van deze beroepsgronden of het CBR de maatregel terecht heeft opgelegd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR terecht de maatregel aan eiser heeft opgelegd om mee te moeten werken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Procesverloop
Op 18 september 2024 heeft het CBR een mededeling van het Arrondissementsparket Oost-Nederland ontvangen dat er een vermoeden bestaat dat eiser niet langer voldoet aan de eisen van rijvaardigheid of rijgeschiktheid. Dit vermoeden is gebaseerd op niet aan alcohol gerelateerde feiten en omstandigheden, namelijk dat eiser betrokken was bij een aanrijding met (letsel)schade die hij niet heeft opgemerkt en waarbij een persoon om het leven is gekomen.
Op 18 november 2024 heeft het CBR het besluit genomen om eiser te verplichten mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid.
Eiser heeft op 27 december 2024 bezwaar ingediend.
In het bestreden besluit van 27 februari 2025 is het CBR bij de oplegging van de maatregel gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht twaalf weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft een verkeersongeval veroorzaakt waarbij een persoon om het leven is gekomen. Hij is daarvoor door de strafrechter veroordeeld. Het rijbewijs van eiser is na het ongeval niet ingevorderd en na de oplegging van het onderzoek naar de rijgeschiktheid ook niet geschorst geweest. Eiser heeft het onderzoek inmiddels ondergaan en is rijgeschikt bevonden.
Procesbelang
4. Eiser heeft het onderzoek inmiddels ondergaan met een positieve uitkomst en zijn rijbewijs was niet ingetrokken of geschorst, waardoor hij zijn werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur heeft kunnen blijven uitoefenen. Hierdoor ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
Eiser heeft desgevraagd aangegeven dat hij geen schadevergoeding vraagt, maar dat zijn belang bij deze zaak is gelegen in het krijgen van een oordeel over hoe de zaak is verlopen en om de kosten die gemaakt zijn vergoed te krijgen. Eiser heeft kosten gemaakt voor het onderzoek naar de rijgeschiktheid (€ 470,- opleggingskosten en de kosten van het specialistisch onderzoek). Dit is het naar oordeel van de rechtbank in beginsel voldoende om aan te nemen dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank zal de zaak van eiser daarom inhoudelijk beoordelen.
Mocht het CBR uitgaan van de mededeling van de politie?
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat uit het proces-verbaal van de politie een vermoeden van ongeschiktheid volgt. Uit die informatie zou blijken dat hij ooit een black-out heeft gehad, maar een verdere motivering van waarom dit zou moeten leiden tot een vermoeden van rijongeschiktheid ontbreekt. Het is ook niet medisch bevestigd. Eiser voert in dit kader ook aan dat de strafrechter heeft geoordeeld dat geen sprake was van een black-out en dat dit ook in de bestuursrechtelijke procedure had moeten worden meegewogen. Volgens eiser was de oorzaak van het ongeval onoplettendheid, zoals de meervoudige strafkamer heeft vastgesteld. De term black-out is door een verbalisant geïntroduceerd tijdens het verhoor en eiser is daarin meegegaan, , gezien zijn beperkte mentale capaciteiten. Voor hem is het moeilijk om zaken goed te begrijpen; hij heeft sociale vaardigheden aangeleerd waardoor hij vlot kan praten, maar het daadwerkelijk doorgronden blijft lastig. Het is dus waarschijnlijker dat de ‘black-out’ een invulling is die eiser achteraf heeft gegeven, omdat hij zich niet meer kan herinneren wat er daadwerkelijk is gebeurd. Dat eiser in shock was en het ongeval voor hem als een “zwart gat” aanvoelde, betekent niet dat hij het bewustzijn verloor.
De rechtbank volgt deze beroepsgrond van eiser niet. Op grond van artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 besluit het CBR tot het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid indien de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een schriftelijke mededeling doen waaruit blijkt van een vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de vereiste geschiktheid. De Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) werkt dit nader uit. In artikel 23, derde lid, van de Regeling is bepaald dat het CBR een onderzoek naar de geschiktheid oplegt indien een betrokkene een gebeurtenis heeft meegemaakt of een aandoening heeft (gehad) die aanleiding geeft te vermoeden dat hij niet langer beschikt over de vereiste geschiktheid. Daarbij verwijst de Regeling naar Bijlage I. In Bijlage I, onder B, onderdelen I en II, is onder meer bepaald dat een onderzoek wordt opgelegd indien er aanwijzingen zijn van een stoornis in het gebruik van psychoactieve middelen of indien sprake is van bewustzijnsstoornissen (zoals wegrakingen of black-outs). Daarbij is voldoende dat uit het proces-verbaal van politie blijkt van dat vermoeden.
De rechtbank is van oordeel dat het CBR zo’n vermoeden heeft kunnen afleiden uit het proces-verbaal. Daarin staat dat eiser onder meer het volgende heeft verklaard:
“Ik vind het ook raar dat de ambulance maar even kort naar me gekeken heeft. Stel at ik zo’n black-out had, waar ik heilig van overtuigd ben. Ik kan me echt niet veel meer herinneren. […]”
“Ja, ik had gewoon een black-out.[…]”.
“Maar ik blijf gewoon bij mijn verhaal. Ik ben halverwege links bij bewustzijn gekomen. Ik ging met twee handen aan het stuur. Ik zag de vangrail en ik had zo iets van houdt hij me of niet. Alles wat daarvoor gebeurd is, weet ik niet. Niks van gezien. […].”
“Ik was nergens door afgeleid. Ik denk dat toen het gebeurde ik weggevallen was, ik weet het niet.”
Eiser heeft dus herhaaldelijk en (ook) uit zichzelf verklaard dat hij een black-out heeft gehad en dat hij zich niets meer van het ongeluk kan herinneren. De verbalisant heeft eiser gevraagd of hij zich er bewust van was dat hij een black-out had gehad voordat de agent het zei, en daarop antwoordde eiser: “Ik wist wel dat ik dingen niet had meegemaakt dus dacht daardoor dat ik een black-out had.” Ook als de term ‘black-out’ door de politie is geïntroduceerd, is duidelijk dat eiser niet weet hoe het ongeluk is gebeurd. Dat is voldoende voor een vermoeden dat er sprake is van een bewustzijnsstoornis.
Zoals hiervoor is overwogen is voor de oplegging van een medisch onderzoek niet noodzakelijk dat het CBR vaststelt of de verklaring juist of waar is. Dat het CBR het vermoeden ontleent aan het proces-verbaal, vindt de rechtbank niet onbegrijpelijk. Het valt niet uit te sluiten dat het klopt wat eiser zegt, maar op basis van de stukken valt het ook niet uit te sluiten dat er wel een black-out heeft plaatsgevonden. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak heeft overwogen is het medisch onderzoek juist bedoelt om het door eiser gestelde te verifiëren en een definitief oordeel te vormen over zijn geschiktheid om motorrijtuigen te besturen. Zoals het CBR ter zitting heeft naar voren heeft gebracht ligt de lat laag voor het kunnen aannemen van een vermoeden.
Om die reden is ook niet relevant dat de strafrechter heeft geoordeeld dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor eisers stelling (in de strafrechtelijke procedure) dat hij ten tijde van de aanrijding een black-out heeft gehad. In de strafrechtelijke procedure worden immers strenge eisen aan het bewijs gesteld. Bovendien betekent het oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn dat sprake was van een black-out niet dat eiser géén black-out heeft gehad.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kon het CBR, gelet op het tijdsverloop tussen het incident en de mededeling van de politie, nog uitgaan van een actueel vermoeden van ongeschiktheid?
6. Eiser voert aan dat verweerder het besluit niet mocht nemen omdat er te veel tijd heeft gezeten tussen het ongeluk en het nemen van het besluit, dusdanig lang is geweest, dat er geen zorgvuldig besluit meer is genomen. Het feit dat het Openbaar Ministerie lang heeft gewacht met de mededeling kan niet ten nadele van eiser worden uitgelegd. Eiser heeft anderhalf jaar kunnen rijden en niet kan worden gesteld dat er twijfel bestaat over zijn rijgeschiktheid. In de tussentijd zijn er ook geen andere incidenten geweest waardoor enige twijfel gerechtvaardigd zou zijn. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat het heel belastend was om na een jaar en na het afronden van de strafrechtelijke procedure nog met het besluit van het CBR geconfronteerd te worden met de bijkomende kosten.
De rechtbank overweegt dat in artikel 130, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 staat dat er “zo spoedig mogelijk schriftelijk” een mededeling aan het CBR gedaan moet worden zodra er een vermoeden bestaat dat iemand niet langer rijgeschikt of rijvaardig is. In deze bepaling is geen vaste termijn gesteld waarbinnen een vermoeden uiterlijk moet zijn meegedeeld. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak heeft overwogen, zijn de woorden "zo spoedig mogelijk" opgenomen om een spoedige afhandeling van het gerezen vermoeden te bespoedigen en komt daaraan geen verdergaande betekenis toe. Bovendien verbindt de wet geen gevolgen aan het niet zo spoedig mogelijk doen van de mededeling, in die zin dat in dat geval aan de mededeling niet het bij en krachtens de wet voorziene gevolg kan worden gegeven. Omdat de regeling bedoeld is om de verkeersveiligheid te bevorderen, ligt het niet voor de hand dat de wetgever heeft bedoeld dat er grote gevolgen zouden moeten zijn als een melding niet direct wordt gedaan. Volgens de Afdeling is met de woorden ‘zo spoedig mogelijk’ vooral bedoeld dat de verantwoordelijke instanties snel moeten handelen zodra er een vermoeden bestaat, en niet dat er een zwaardere of andere betekenis aan deze verplichting moet worden gegeven. Het is voorstelbaar dat het voor eiser niet prettig is geweest dat het besluit over het onderzoek naar zijn rijgeschiktheid pas kwam nadat de strafrechtelijke procedure was afgrond, maar omdat het CBR heeft kunnen vermoeden dat er bij eiser bewustzijnsstoornissen waren heeft het CBR heeft eiser terecht verplicht om mee te werken aan het onderzoek naar de rijgeschiktheid..
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het onderzoek naar de rijgeschiktheid terecht aan eiser is opgelegd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A. Gomes de Jorge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.