RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen
[eiseressen] , uit [plaats] , eiseres
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR)
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7836
en
(gemachtigde: mr. M. Kleijbeuker).
1. Deze uitspraak gaat over de oplegging van de Lichte Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (LEMG) aan eiseres. Het CBR heeft een mededeling ontvangen van de politie, waarin staat dat eiseres heeft gereden met een gecorrigeerde snelheid van 132 km/u op een weg waar een maximumsnelheid van 80 km/u geldt. Eiseres is het niet eens met dit besluit en heeft hiertegen meerdere beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het CBR.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR terecht de LEMG aan eiseres heeft opgelegd. Eiseres heeft geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 17 september 2024 heeft eiseres met een gecorrigeerde snelheid van 132 km/u op een weg gereden waar een maximumsnelheid van 80 km/u geldt. Naar aanleiding hiervan heeft de politie op 18 september 2024 bij het CBR een mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994).
Bij primair besluit van 8 oktober 2024 heeft het CBR een LEMG aan eiseres opgelegd.
Bij het bestreden besluit van 22 oktober 2024 heeft het CBR het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is het CBR bij hun besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het CBR deelgenomen. Eiseres was niet aanwezig.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres voert aan dat er onvoldoende bewijs is voor de snelheidsovertreding die tot de LEMG heeft geleid. Volgens haar baseert het CBR zich namelijk alleen op het proces-verbaal van een politieagent, terwijl er geen ander schriftelijk bewijs is dat zij daadwerkelijk te snel heeft gereden. Eiseres wijst verder ook op het feit dat er op dit moment nog geen strafrechtelijke afdoening is en dat ze graag de uitspraak van de strafrechter wenst af te wachten. In het kader van een zorgvuldige procedure vindt eiseres het belangrijk om de uitkomst van deze strafrechtelijke procedure af te wachten voordat er verdere stappen worden ondernomen met betrekking tot de LEMG.
De oplegging van de LEMG is een bestuursrechtelijke maatregel, die is geregeld in de artikelen 130 tot en met 134a van de Wvw 1994. Het CBR heeft het opleggen van deze maatregel in dit geval gebaseerd op een mededeling van de politie dat het vermoeden bestaat dat eiseres niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs aan eiseres is afgegeven. Deze mededeling is gebaseerd op het rijgedrag van eiseres zoals omschreven in het op ambtseed proces-verbaal van 18 september 2024. In dat proces-verbaal staat dat eiseres de toegestane maximumsnelheid heeft overschreden met 52 km/uur. Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 besluit het CBR tot oplegging van een lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer (LEMG) indien een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 50 tot en met 59 kilometer per uur, ongeacht of dit binnen of buiten de bebouwde kom plaatsvindt.
Voor zover eiseres stelt dat er geen schriftelijke documentatie bestaat waaruit blijkt dat zij te hard heeft gereden, overweegt de rechtbank dat dit niet juist is. Het proces-verbaal vormt immers de schriftelijke documentatie. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is het uitgangspunt dat een bestuursorgaan en ook de rechter in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij bijvoorbeeld tegenbewijs moet leiden tot afwijking van dit uitgangspunt. De rechtbank is van oordeel dat wat eiseres heeft aangevoerd geen twijfel oproept over de betrouwbaarheid van de vastlegging van de feiten in het proces-verbaal. Uit het proces-verbaal blijkt dat de snelheid van eiseres op een juiste en betrouwbare wijze is vastgesteld (via een geijkt meetmiddel, met behulp van een op de voorgeschreven wijze gebruikte, in het dienstvoertuig, aangebrachte boordsnelheidsmeter én op ambtseed opgemaakt proces-verbaal). Hiernaast reed de agent ook achter eiseres over een afstand van ongeveer 500 meter bij een onderlinge afstand van ongeveer 100 meter in het dienstvoertuig. De ijkdatum van het voertuig was geldig van 7 mei 2024 tot 7 mei 2025. Dat er, zoals eiseres stelt, onvoldoende bewijs zou bestaan voor de snelheidsovertreding volgt de rechtbank dan ook niet.
De rechtbank volgt het CBR in het betoog dat er een onderscheid is tussen de bestuursrechtelijke procedure en de strafrechtelijke procedure. Uit vaste rechtspraak kan worden opgemaakt dat de bevoegdheid van het CBR om iemand een LEMG op te leggen los staat van de strafzaak. Dit kan anders zijn als eiseres is vrijgesproken van de snelheidsovertreding en het strafrechtelijke vonnis de inhoud van de processen-verbaal die ten grondslag zijn gelegd aan de oplegging van het onderzoek naar de rijgeschiktheid onderuit haalt of als dat vonnis anderszins een ander licht werpt op de feiten of omstandigheden waarop ook de bestuursrechtelijke maatregel is gebaseerd. In dit geval is niet gebleken dat eiseres is vrijgesproken of dat er andere omstandigheden zijn die erop wijzen dat het proces-verbaal van 18 september 2024 niet deugt. Het CBR hoefde ook niet te wachten tot de strafrechtelijke zaak was afgerond. De rechtbank wijst erop dat een LEMG erop is gericht om de verkeersveiligheid te waarborgen door middel van een verplichte deelname aan een cursus over veilig en verantwoord rijgedrag. Dit staat los van de strafrechtelijke afdoening van de snelheidsovertreding. Als aan de voorwaarden voor het opleggen van de LEMG is voldaan, legt het CBR zo’n maatregel altijd op. Alleen als er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, ziet het CBR hiervan af. Die bijzondere omstandigheden heeft eiseres niet naar voren gebracht.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de oplegging van de LEMG terecht was. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A. Gomes de Jorge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.