RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2883
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.C. Bolkenbaas),
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Pieters).
1. Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een tegemoetkoming omdat ze slachtoffer is geweest van mishandeling tijdens een burenruzie. Verweerder heeft besloten om eiseres geen tegemoetkoming te geven omdat het niet duidelijk is geworden wat er exact is voorgevallen en wat de aanleiding, toedracht en omstandigheden waren van het voorval. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen, omdat eiseres niet met voldoende objectieve en betrouwbare aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Eiseres heeft geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Procesverloop
Eiseres heeft op 30 mei 2024 een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming.
Verweerder heeft in haar besluit van 26 augustus 2024 (het primaire besluit) die aanvraag afgewezen.
Op 11 september 2024 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hierbij heeft eiseres verklaringen overgelegd van haar partner en haar zoon, die volgens haar haar relaas over het voorval ondersteunen.
Met het bestreden besluit van 4 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de partner en zoon van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
De besluitvorming
3. Uit de beslissing van de officier van justitie van 22 maart 2021 blijkt dat de officier besloten heeft om niet over te gaan tot vervolging van de buurman van eiseres. Het is volgens de officier namelijk niet duidelijk genoeg wie er als eerste geweld heeft gebruikt en wie er precies heeft geslagen of geduwd.
Het Schadefonds heeft geen aanleiding gezien om op basis van de verklaringen van de partner en zoon van eiseres een ander standpunt in te nemen over het voorval. Dit omdat er geen duidelijkheid is ontstaan over de aanleiding, toedracht en omstandigheden van het voorval. Er zijn bovendien geen onafhankelijke getuigen die kunnen verklaren wie wat heeft gedaan. Het Schadefonds heeft de aanvraag van eiseres daarom afgewezen.
Afzien van horen van getuigen
4. Eiseres heeft haar partner en zoon meegenomen naar de zitting voor het geval de rechtbank hen vragen zou willen stellen of hen als getuigen zou willen horen. Volgens vaste rechtspraak kan de rechtbank op grond van artikel 8:63, tweede lid, van de Awb afzien van het horen van een getuige indien het aanbod daartoe slechts inhoudt dat de getuige een eerdere schriftelijke verklaring zal herhalen of bevestigen. Ter zitting heeft de rechtbank aan de partner en zoon van eiseres gevraagd of zij bij hun verklaringen blijven of deze willen aanvullen of wijzigen. Beiden hebben verklaard bij hun eerdere verklaringen te blijven, zodat horen tijdens de zitting niets toevoegt. De rechtbank heeft daarom afgezien van het opnieuw horen van deze getuigen.
Heeft verweerder in redelijkheid tot het besluit kunnen komen?
5. Eiseres voert aan dat verweerder een onjuist juridisch kader heeft toegepast door zich te baseren op de beslissing van de officier van justitie. De officier van justitie gaat uit van de strafrechtelijke bewijsregels, terwijl verweerder moet toetsen of aannemelijk is dat eiseres slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf. Dit heeft verweerder zelf neergelegd in de beleidsbundel. Eiseres stelt verder dat zij haar aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf. Zij wijst op haar aangifte, twee ondersteunende verklaringen van derden en de medische informatie over de toedracht.
Op grond van artikel 3, eerste lid, Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) kan aan een slachtoffer van een geweldsmisdrijf dat opzettelijk tegen hem is gepleegd en dat ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft veroorzaakt, een tegemoetkoming uit het Schadefonds worden toegekend. Het Schadefonds hanteert beleidsregels, uit de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (beleidsbundel), om invulling te geven aan de vereisten genoemd in artikel 3, eerste lid Wsg. Uit paragraaf 1.1.4 van de beleidsbundel (“aannemelijkheid”) volgt dat een geweldsmisdrijf niet onomstotelijk bewezen hoeft te worden, maar dat het op basis van de stukken goed mogelijk moet zijn dat het zich heeft voorgedaan zoals beschreven. De beoordeling ziet niet alleen op de geweldshandeling zelf, maar ook op de toedracht, aanleiding en omstandigheden van het incident. Als het OM en/of de politie een beslissing heeft genomen betrekt het Schadefonds die informatie in de beoordeling. In de beleidsbundel staat ook dat medische informatie in beginsel niet bruikbaar is om de toedracht van het gewelds- of zedenmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond te onderbouwen. Medische informatie kan een verklaring van het slachtoffer over de aannemelijkheid doorgaans slechts in (zeer) beperkte mate ondersteunen.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 31 oktober 2018, is het aan de aanvrager van een uitkering uit het Schadefonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is geworden van een tegen haar opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Eiseres heeft haar aanvraag onderbouwd met haar aangifte en medische informatie en in bezwaar nog verklaringen van haar partner en zoon overgelegd. Uit het bestreden besluit blijkt dat het Schadefonds deze verklaringen bij de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank is van oordeel dat het Schadefonds de verklaringen van de partner en zoon van eiseres terecht heeft aangemerkt als niet-onafhankelijke getuigenverklaringen. Deze verklaringen zijn dan ook niet aan te merken als objectief. Objectieve aanwijzingen zijn aanwijzingen afkomstig uit een andere bron dan het slachtoffer zelf, die betrouwbaar en onpartijdig zijn en berusten op eigen waarneming. Dat is hier niet het geval.
Eiseres wijst verder op de medische stukken. Volgens haar ondersteunen deze stukken haar relaas en blijkt daaruit dat zij letsel heeft opgelopen. Ook de verklaringen en stukken van de (medische) behandelaars van eiseres zijn echter geen objectieve en onpartijdige aanwijzingen van wat er is gebeurd, omdat de informatie daarin afkomstig is van eiseres zelf en slechts een weergave vormt van wat zij haar behandelaars heeft verteld. Daarnaast geeft het feit dat iemand bepaald letsel heeft opgelopen, op zichzelf geen informatie over wat er precies is voorgevallen. Op grond van het beleid kan medische informatie daarom niet worden gebruikt om de aanleiding, toedracht of omstandigheden van het geweldsmisdrijf aannemelijk te maken. De Afdeling heeft dit bevestigd in haar uitspraak van 23 januari 2019 en de rechtbank volgt dit oordeel. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanleiding, toedracht en omstandigheden van het voorval onvoldoende duidelijk zijn en dat het mogelijke eigen aandeel van eiseres niet is komen vast te staan op basis van de beschikbare informatie.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en geen tegemoetkoming heeft hoeven uitkeren aan eiseres. Eiseres heeft dus geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A. Gomes de Jorge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.