ECLI:NL:RBMNE:2025:7800

ECLI:NL:RBMNE:2025:7800

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 08-12-2025
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer UTR 25/6351
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

BNT UHT bezwaar cws gegrond

Uitspraak

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K.H. Zonneveld),

en

Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 20 maart 2025 tegen de beslissing van verweerder van 30 januari 2025 over aanvullende compensatie.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.

2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Verweerder is op 9 oktober 2025 in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 4 november 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.

3. Het beroep is gegrond.Verweerder moet alsnog een besluit nemen

4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.

5. In haar uitspraak van 25 juli 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 72 weken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn. Als deze termijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, bepaalt de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep. Voor de motivering van deze termijnen verwijst de rechtbank naar die uitspraak.

6. In dit geval betekent dit het volgende. Verweerder heeft op 30 januari 2025 de beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding genomen. Het bezwaarschrift van eiseres tegen dit besluit is door verweerder ontvangen op 20 maart 2025. De beslistermijn om op dit bezwaar te beslissen is dus aangevangen op 21 maart 2025 en verliep op 24 juli 2025. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op bezwaar bekend moet maken is dus 10 december 2026.

7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 over beroepen niet tijdig beslissen op bezwaar in Wht-zaken.

Proceskosten en griffierecht

8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op uiterlijk 10 december 2026 een besluit op bezwaar bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. van der Knijff

Griffier

  • mr. B.J. van Rossum

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?