[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. S. Arakelyan),
en
Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verzoekster heeft beroep ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 21 september 2022. Op 26 maart 2025 zijn partijen een vaststellingsovereenkomst overeengekomen. Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten en het griffierecht.
Verweerder heeft op 21 juli 2025 gereageerd op dit verzoek. Verweerder gaat akkoord met het vergoeden van de proceskosten.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Met de vaststellingsovereenkomst is geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het beroep. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.
4. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025.
De griffier is verhinderd deze
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: