ECLI:NL:RBMNE:2025:7808

ECLI:NL:RBMNE:2025:7808

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 13-04-2026
Zaaknummer 16-048315-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats: Utrecht

Parketnummer: 16/048315-25

Tegenspraak (art. 279 Sv)

Vonnis van de meervoudig kamer van 2 december 2025 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1975 in [geboorteplaats] (Turkije),

ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats] ,

hierna: de verdachte.

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van

18 november 2025.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

primair

op 17 januari 2025 in Amersfoort heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar te mishandelen door hem meermalen klappen en/of vuistslagen tegen zijn hoofd en/of lichaam te geven en meermalen te schoppen tegen zijn buik en/of zijn lichaam;

subsidiair ten laste gelegd als eenvoudige mishandeling.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primaire feit van de beschuldiging, poging zware mishandeling heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat van de verdachte is van mening dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primaire feit, omdat het slachtoffer geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verder stelt de verdediging dat de verdachte niet de bedoeling heeft gehad om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en heeft het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans daarop niet doen ontstaan.

Het subsidiaire feit acht de advocaat wel bewezen.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat het feit zoals primair tenlastegelegd is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 17 januari 2025, voor zover inhoudende:

Op vrijdag 17 januari 2025, omstreeks 16:45 uur, ben ik op bezoek gegaan bij een vriend die woont in het appartementencomplex aan de [adres 2] te [plaats] . Ik liep voorbij het huisnummer [adres 1] , dat zich in het midden van de galerij bevindt. Op dat moment zag ik de deur van deze woning open ging, waarna een man naar buiten liep. (…) Ik lag tussen de deur, met de helft van mijn lichaam buiten en de andere helft binnen. Ik voelde en zag dat de man mij trapte. Hij haalde zijn been op en trapte hard met zijn voet op mijn linker bovenbeen. Ik voelde en zag dat hij mij met zijn vuisten sloeg, eerst op mijn hoofd en aan de rechterzijde van mijn gezicht. Aangezien ik met de linkerkant van mijn gezicht op de grond lag, raakte de vuistslag mijn rechterslaap. De man sloeg verder. Ik voelde zijn vuistslagen op mijn borst en buik, en hij schopte me tegen mijn benen.

De eigen waarneming van de rechtbank van de camerabeelden, gedaan ter terechtzitting van 18 november 2025:

Van de beelden met de naam ‘Noodtrap_Links_ [locatie] _even_ [locatie] _even_20250117163224_20250117171422_1_4G’:

Vanaf 16:34:50 ziet de rechtbank dat een man (de rechtbank begrijpt: de verdachte) meermalen hard op het hoofd van een jongen (de rechtbank begrijpt: aangever) slaat, terwijl het hoofd vlak boven de grond ligt en geen kant op kan. Ook ziet de rechtbank dat de verdachte eenmaal hard in de buik van aangever trapt.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 14 februari 2025, opgesteld door [verbalisant] en [verbalisant] , voor zover inhoudende:

V: We willen je beelden laten zien van de mishandeling. Ben jij dit op de beelden?

A: Ja dit ben ik.

Bewijsoverwegingen

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte opzettelijk heeft geprobeerd om het slachtoffer zwaar te mishandelen. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij dat vindt.

Uit de hevigheid van de mishandeling, het grote krachtsverschil tussen de aangever en de verdachte en uit de kwetsbaarheid van de aangever blijkt dat de verdachte willens en wetens heeft geprobeerd om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte meermaals met forse kracht heeft geslagen op het hoofd van aangever, terwijl aangever weerloos op de grond lag. Ook heeft de verdachte hard getrapt in de buik van de aangever. Het hoofd en de buik zijn vitale organen. Daar komt bij dat de volwassen verdachte fysiek veel groter en sterker is dan de kwetsbare [leeftijd] aangever. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de mishandeling en de aanvallende houding van de verdachte richting aangever, in combinatie met de gepleegde geweldshandelingen blijkt dat het niet anders kan dan dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd om zwaar lichamelijk letsel bij aangever te veroorzaken. Er is sprake van vol opzet. De rechtbank weegt daarbij ook het voortduren van de gepleegde geweldshandelingen mee. De verdachte ging door met slaan en schoppen, terwijl aangever met zijn hoofd op een stenen ondergrond lag en geen kant op kon. De rechtbank zal de verdachte dan ook veroordelen voor het primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

op 17 januari 2025 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door hem

- meerdere klappen en/of vuistslagen tegen zijn hoofd en zijn lichaam, en

- een schop tegen de buik te geven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid feit

Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte niet strafbaar is en dat daarom ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen. Hij moet namelijk volledig ontoerekeningsvatbaar worden verklaard. Ten tijde van het delict had de verdachte een psychose. Hij is daarnaast licht verstandelijk beperkt. Deze omstandigheden maakten dat hij het contact met de realiteit kwijt was en dat hij zijn gedrag niet meer kon sturen. Bovendien wordt de verdachte in de psychologische en psychiatrische rapportages ten onrechte slechts gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar verklaard, omdat hij zonder overleg ervoor heeft gekozen om te stoppen met zijn medicatie.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bij de verdachte sprake was van verminderde toerekenbaarheid en niet van volledige ontoerekenbaarheid. De officier van justitie verwijst daarbij naar het psychologische en het psychiatrische rapport dat over hem is opgemaakt. De officier van justitie stelt verder dat de verdachte niet in een psychose was op het moment dat hij het besluit nam om geen medicijnen in te nemen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van de verdediging. Hieronder legt zij haar oordeel uit.

Over de verdachte zijn rapporten opgemaakt op 14 juli 2025 (door [deskundige] , psycholoog) en op 1 augustus 2025 (door [deskundige] , psychiater). Uit het rapport van de psychiater volgt dat de verdachte zwakbegaafd is en dat hij ten tijde van het feit leed aan psychoses en aan een persoonlijkheidsverandering. Hierdoor verloor hij hoogstwaarschijnlijk uit frustratie over het gedrag van jongeren in de wijk de controle over zijn impulsen. De psychiater adviseert om het feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen, omdat de verdachte onvoldoende inzicht heeft gehad in de strafbaarheid van het feit. Als hij dit wel had gehad, zou hier hij hier niet naar hebben kunnen handelen. Ook de psycholoog stelt vast dat de verdachte zwakbegaafd is en lijdt aan een psychotische stoornis, waardoor het feit verminderd aan hem toe te rekenen is. Uit de rapporten blijkt niet dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het delict.

De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog en de psychiater over en rekent het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe. De rapportages en het dossier bevatten geen aanwijzingen dat de verdachte in het geheel niet in staat was om de wederrechtelijkheid van zijn handelen in te zien. Verder stelt de rechtbank vast dat de rapporteurs bij het bepalen van de mate van toerekening niet meewegen dat de verdachte zelf heeft gekozen om te stoppen met zijn medicatie. Daarom volgt de rechtbank ook dit standpunt van de verdediging niet. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Die conclusie heeft tot gevolg dat verdachte wel strafbaar is, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid volledig uitsluiten.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 220 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 27 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd een meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid van een klinische opname en het meewerken aan dagbesteding.

Standpunt van de verdediging

De advocaat van de verdachte vraagt bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de positieve ontwikkeling die hij de afgelopen periode heeft doorgemaakt. De advocaat voert aan dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. De verdachte raakt dan zijn woning kwijt. Bovendien heeft hij veel aan zijn dochter die bij hem woont. Een taakstraf is een realistischer en effectiever alternatief. Verder stelt de advocaat dat de verdachte openstaat om mee te werken aan de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregelen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft geprobeerd het [leeftijd] slachtoffer zwaar te mishandelen. De verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het jonge slachtoffer door hem hard te slaan tegen zijn hoofd en te schoppen in zijn buik. De rechtbank benadrukt dat het door het grote krachtsverschil veel ernstiger had kunnen aflopen. Het slachtoffer kan van geluk spreken dat het bij licht lichamelijk letsel is gebleven. Toch kan de rechtbank zich goed voorstellen dat het slachtoffer zowel fysiek als mentaal veel last heeft gehad van de mishandeling. Het is bovendien zorgelijk dat de verdachte lijkt te vinden dat de mishandeling niet zoveel voorstelt en dat het slachtoffer daar zelf ook verantwoordelijkheid voor draagt. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat deze heftige poging tot zware mishandeling van een minderjarige jongen tot veel onrust leidt in de wijk en in de bredere maatschappij. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Uit het advies van de reclassering van 12 november 2025 blijkt dat de verdachte een groot verantwoordelijkheidsgevoel heeft voor de veiligheid van de wijk. Onder invloed van zijn psychotische stoornis leidde dit in de aanloop naar de mishandeling tot een fixatie. De verdachte kwam destijds bijna niet meer buiten en had geen dagbesteding of sociale contacten. De verdachte stelt dat hij werd gepest door jongeren uit de wijk. Deze situatie is uiteindelijk uitgemond in de mishandeling van het minderjarige slachtoffer. De reclassering geeft ook aan dat de verdachte inmiddels stabiel is en dat hij voornemens is om niet meer in eenzelfde situatie te komen. Hij neemt sinds ruim negen maanden depotmedicatie. De reclassering benoemt verder dat de dochter van de verdachte een positieve invloed heeft op hem. De wijkagent bevestigt dat het beter gaat met de verdachte. Het is van belang dat deze stijgende lijn wordt doorgezet. Het risico op recidive wordt als laag ingeschat, het risico op letsel als gemiddeld en het risico op onttrekken aan voorwaarden als laag tot gemiddeld. Een gevangenisstraf is volgens de reclassering onverstandig, omdat de verdachte dan zijn huis kan verliezen en omdat zijn psychische toestand daardoor kan verslechteren. Wel adviseert de reclassering om bijzondere voorwaarden op te leggen in de vorm van een meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname en dagbesteding.

De straf

Het gaat om een ernstig feit. De rechtbank is geschrokken van de heftigheid waarmee de verdachte het minderjarige slachtoffer heeft geslagen en getrapt. Hiermee heeft de verdachte een groot risico genomen op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. In een andere situatie zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf bovenop het voorarrest van 193 dagen gepast zijn. Maar in navolging van de psychologische en psychiatrische rapportages rekent de rechtbank het feit verminderd toe aan de verdachte. Ook is de rechtbank het met de reclassering eens dat het niet zinvol is om de verdachte terug naar de gevangenis te sturen. Het gaat beter met de verdachte sinds hij depotmedicatie krijgt. Daarnaast loopt hij bij een nieuwe gevangenisstraf het risico zijn huis te verliezen. Om te voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig maakt aan het plegen van (gewelds)delicten legt de rechtbank bovenop het al uitgezeten voorarrest een voorwaardelijke gevangenisstraf van 47 dagen op. Ook vindt de rechtbank het nodig om bijzondere voorwaarden op te leggen, zodat een terugval wordt voorkomen en zo nodig kan worden ingegrepen door de reclassering. In navolging van het advies van de reclassering legt de rechtbank daarom (in het kort) op: een meldplicht, een ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname en dagbesteding.

Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 240 dagen op, met aftrek van het voorarrest, waarvan 47 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat het gaat om een volwassen man die heeft geprobeerd om zwaar letsel toe te brengen aan een minderjarige jongen. Dit is een ernstig feit, waarvoor de rechtbank een zwaardere straf gepast vindt dan geëist door de officier van justitie.

6. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 6.550,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 50,- aan materiële schade,

€ 1.500,- aan immateriële schade (smartengeld) en € 5.000,- aan affectieschade. De affectieschade wordt blijkens de context en ondertekening van het voegingsformulier door [A] gevorderd, als ouder van het slachtoffer. De materiële schade bestaat uit de schade aan kleding.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert toewijzing van immateriële schade tot een bedrag van € 500,-, met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In het overige gevorderde moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. De gevorderde affectieschade moet worden afgewezen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om de vordering van immateriële schade en affectieschade af te wijzen. De verdediging refereert zich ten aanzien van de materiële schade aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de gevorderde materiële schade, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid bieden om die nadere onderbouwing te geven, leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 750,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij toe. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2025 (datum van ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Affectieschade

Een vordering tot vergoeding van affectieschade kan op grond van de wet alleen worden toegewezen als het slachtoffer lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen en dit letsel ernstig en blijvend is. Hiervan is in dit geval geen sprake. De rechtbank wijst de vordering daarom af.

BEM-clausule

De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen)-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot hij achttien jaar is.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 750,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2025 (datum van ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen en maatregelen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

strafbaarheid verdachte

o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte:

o zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan tussen 8:30 uur en 16:30 uur bij Inforsa op het adres Wittevrouwenkade 6, 3512 CR te Utrecht;

o zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psycho-educatie en inzicht krijgen in het delictsgedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

o zich inspant voor het vinden en behouden van passende vrijetijdsbesteding met een vaste structuur;

o waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

benadeelde partij

€ 750,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 15 dagen gijzeling;

- bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Van Wambeke, voorzitter, mr. O. Böhmer en mr. J.E.S. Dolmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Belhadi, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 januari 2025 te Amersfoort, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer] ,

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

door hem

- een of meerdere klappen en/of vuistslagen tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam,

en/of

- een of meerdere schoppen tegen de buik en/of het lichaam te geven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 januari 2025 te Amersfoort, althans in Nederland

[slachtoffer] heeft mishandeld door hem

- een of meerdere klappen en/of vuistslagen tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam,

en/of

- een of meerdere schoppen stampen tegen de buik en/of het lichaam te geven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?