RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/589270 / HA ZA 25-116
Vonnis van 15 oktober 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. J. Witvoet,
tegen
1. ASR NEDERLAND N.V.,
te Utrecht,2. ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
te Utrecht,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: ASR,
advocaat: mr. A.E.M. Langerhuizen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 februari 2025 met 14 producties;- de conclusie van antwoord met 1 productie;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte van [eiseres] met aanvullende producties 15 en 16;
- de mondelinge behandeling van 2 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
2. De kern van de zaak
Op 9 juli 2020 hebben [eiseres] en ASR een samenwerkingsovereenkomst gesloten op basis waarvan [eiseres] als intermediair voor ASR is gaan optreden. [eiseres] heeft voor haar klant [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) een offerte aangevraagd bij ASR voor een bedrijfsgebouwenverzekering voor een pand in Almere. ASR heeft op 15 februari 2023 de offerte afgegeven met daarin een jaarpremiepromillage van 3,0‰. Kort na het uitbrengen van deze offerte heeft [bedrijf] via een andere intermediair bij ASR een nieuwe offerte aangevraagd voor de verzekering van hetzelfde pand. ASR heeft hierop een offerte afgegeven met een jaarpremiepromillage van 1,66‰. [bedrijf] heeft de verzekering via deze andere intermediair bij ASR afgesloten. [eiseres] vindt dat ASR aan haar ten onrechte een hoger premiepromillage heeft geoffreerd dan aan de andere intermediair. Zij vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat ASR toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen die voortvloeien uit de samenwerkingsovereenkomst, althans onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld en dat ASR aansprakelijk is voor de hierdoor geleden schade van [eiseres] .
De rechtbank wijst de vorderingen van [eiseres] af.
3. De beoordeling
ASR is niet toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen
De vraag die partijen allereerst verdeeld houdt, is of ASR toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen die voortvloeien uit de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst.
[eiseres] stelt dat ASR niet heeft voldaan aan haar contractuele verplichting om [eiseres] in staat te stellen marktconforme aanbiedingen aan potentiële verzekeringsnemers te doen, doordat zij voor het pand van [bedrijf] een veel gunstiger premiepromillage heeft aangeboden aan een andere intermediair dan zij aan [eiseres] heeft gedaan. De rechtbank volgt dit standpunt niet.
In de samenwerkingsovereenkomst staat geen verplichting van ASR om gelijke premies aan te bieden bij dezelfde aanvraag van verschillende intermediairs. Ook staat er geen verplichting in de overeenkomst om een eerdere offerte te herzien na een gunstiger offerte voor een verzekering van hetzelfde object aan een andere intermediair. Sterker nog, in artikel 22 van de samenwerkingsovereenkomst staat: “Heeft u geen bevoegdheid om voorlopige dekking af te geven? Dan komt een overeenkomst over een financieel product of een wijziging ervan pas tot stand als wij de aanvraag of wijziging accepteren. Wij bepalen tegen welke premie en onder welke voorwaarden wij het risico willen accepteren.” Uit deze laatste zin blijkt de contractsvrijheid van ASR. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog verwezen naar de volgende zinnen in de samenwerkingsovereenkomst: “Daarom bent u de aangewezen persoon om tijdens dat persoonlijk contact klanten te adviseren en voor hen passende financiële producten af te sluiten”, “Soms merken we dat klanten direct contact met ons zoeken. In die gevallen zullen we er actief naar streven om, samen met u, de klant optimaal te bedienen” en “We zetten dus vol in op een professionele, duurzame en plezierige samenwerking met u”. Ook hieruit volgen de hiervoor genoemde verplichtingen van ASR niet. Uit deze zinnen kan namelijk alleen iets worden afgeleid over de manier waarop partijen met elkaar willen samenwerken en de taak- en rolverdeling binnen deze samenwerking.
Bovendien heeft ASR [eiseres] niet anders behandeld dan de andere intermediair. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ASR een verklaring gegeven voor het verschil in premiepromillage in beide offertes. ASR heeft verklaard dat het te verzekeren gebouw in de aanvraag van [eiseres] is gekwalificeerd als “een verzamelgebouw”, terwijl het in de aanvraag van de andere intermediair is gekwalificeerd als “kantoorgebouw en selfstoragebedrijf”. Een kantoorgebouw kent een lager risico dan een verzamelgebouw en daarvoor geldt dus een lagere premie. Ook heeft de andere intermediair genoegen genomen met een lagere provisie dan [eiseres] , wat een drukkend effect heeft op de premie, aldus ASR. [eiseres] heeft niet voldoende concreet bestreden dat de offerteaanvragen op deze punten van elkaar verschilden en dat deze verschillen de onderscheiden premiepromillages kunnen verklaren. ASR heeft verder onbestreden toegelicht dat zij haar offertes baseert op de gegevens in de aanvragen die zij ontvangt en dat pas later een inspectie plaatsvindt naar aanleiding waarvan een correctie van het aangeboden premiepromillage kan plaatsvinden. De offerte aan [eiseres] heeft uiteindelijk niet tot een inspectie geleid. De aanvragen waren dus niet aan elkaar gelijk en de verschillen in de aanvragen verklaren de verschillen in de geoffreerde premies.
ASR heeft niet onrechtmatig tegenover [eiseres] gehandeld
[eiseres] heeft verder gesteld dat ASR onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld. Zij heeft hieraan dezelfde feiten ten grondslag gelegd als aan de door haar gestelde schending van de samenwerkingsovereenkomst. De vordering van [eiseres] is ook niet toewijsbaar op grond van onrechtmatige daad. Er bestaat namelijk geen zorgvuldigheidsnorm op basis waarvan ASR aan [eiseres] dezelfde premie had moeten aanbieden voor het te verzekeren pand van [bedrijf] als zij aan een andere intermediair heeft aangeboden.
Conclusie
De conclusie is dat ASR de samenwerkingsovereenkomst met [eiseres] niet heeft geschonden en ook niet in strijd heeft gehandeld met een zorgvuldigheidsnorm. De vorderingen van [eiseres] zullen daarom worden afgewezen.
Proceskosten
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ASR worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.228,00
(2 punten × tarief II, € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.120,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De rechtbank verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat die beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van ASR van € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart de onder 4.2. en 4.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M.A. Lintel en in tegenwoordigheid van mr. D. van Wijk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.
4809