RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/584993 / HL ZA 24-310
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. V.C. Hofman,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J. Smit.
1. De procedure
De rechter heeft de volgende stukken gelezen en toegevoegd aan het dossier:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7;- de akte overlegging producties en vermindering van eis met producties 8 tot en met 30;
- de akte na mondelinge behandeling van [eiseres] met producties 31 tot en met 35.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 maart 2025. Namens [eiseres] is verschenen de heer [A] , bijgestaan door advocaat mr. V.C. Hofman. Aan de zijde van [gedaagde] zijn verschenen de heren [B] en [C] met advocaat mr. J. Smit. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder ter zitting is besproken. De pleitaantekeningen en zittingsaantekeningen zijn ook aan het dossier toegevoegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
[eiseres] is een handelaar in erwten. Zij heeft haar expediteur opdracht gegeven om transport te organiseren van erwten vanaf verschillende locaties in Nederland naar verschillende locaties in België en Frankrijk. De expediteur heeft opdracht gegeven aan [gedaagde] om deze transporten als vervoerder te verzorgen. Vier van deze vrachten bleken na aflevering (deels) verloren gegaan, waardoor [eiseres] schade heeft geleden. [eiseres] vindt dat [gedaagde] voor die schade aansprakelijk is, en vordert daarom – kort gezegd – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 85.322,16, vermeerderd met rente en kosten, en een bedrag van € P.M. aan vracht, te vermeerderen met de samengestelde CMR-rente. [gedaagde] vindt dat deze vorderingen verjaard zijn. Voor zover ze dat niet zijn, stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de rechtbank de vorderingen moet afwijzen. Mocht de rechtbank de vorderingen toch (deels) toewijzen, dan doet [gedaagde] een beroep op verrekening. [eiseres] zou namelijk een deel van de facturen van [gedaagde] niet betaald hebben. [gedaagde] krijgt gelijk. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
3. De beoordeling
De vorderingen van [eiseres] zijn niet verjaard
[eiseres] stelt dat zij het recht om een vordering tegen [gedaagde] in te stellen heeft overgenomen van haar expediteur, [onderneming 1] , op grond van artikel 8:63 BW. Dit artikel bepaalt dat de opdrachtgever de rechten en bevoegdheden van de expediteur verkrijgt vanaf het moment dat hij kenbaar maakt dat hij deze wil uitoefenen. Het artikel vereist dat de opdrachtgever (in dit geval [eiseres] ) als hij in rechte jegens een vervoerder (in dit geval [gedaagde] ) wil optreden, een verklaring van de opdrachtgever aan de expediteur (in dit geval [onderneming 1] ) overlegt. Uit deze verklaring moet blijken dat tussen de expediteur en de opdrachtgever een overeenkomst is gesloten. [eiseres] stelt dat [onderneming 1] deze verklaring heeft afgegeven op 20 juni 2024. Op basis van deze verklaring zou [eiseres] de rechten op de vordering tegen [gedaagde] hebben verkregen.
[gedaagde] vindt dat [eiseres] deze rechten nooit van [onderneming 1] heeft verkregen. De expediteur met wie [eiseres] een overeenkomst had was namelijk de eenmanszaak [onderneming 1] . Deze eenmanszaak is opgeheven met ingang van 31 december 2023. [D] , de man achter de eenmanszaak, heeft op 27 december 2023 [onderneming 1] B.V. opgericht. De verklaring van 20 juni 2024 is afgegeven door [onderneming 1] B.V., en niet de eenmanszaak. Daarom heeft de expediteur volgens [gedaagde] nooit haar vorderingsrechten aan [eiseres] overgedragen, en heeft [eiseres] de dagvaarding niet rechtsgeldig uitgebracht. Dit zou volgens [gedaagde] weer tot gevolg hebben dat de vordering inmiddels verjaard is op grond van artikel 32 lid 1 sub b van het verdrag voor internationaal vervoer van goederen over de weg (hierna: CMR).
De rechtbank gaat hier niet in mee, en volgt het standpunt van [eiseres] dat zij de rechten om de vordering tegen [gedaagde] in te stellen heeft verkregen. [eiseres] heeft voldoende onderbouwd dat [onderneming 1] B.V. de vordering op [gedaagde] middels cessie heeft overgenomen. Voor cessie is een akte van cessie vereist, en een mededeling aan de schuldenaar (in dit geval [gedaagde] ) dat de vordering die [onderneming 1] op hem had is overgedragen. [D] heeft alle vorderingen die de eenmanszaak had op 27 november 2023 (via [onderneming 2] B.V.) overgedragen aan [onderneming 1] B.V. in een activa passiva overeenkomst. Daarmee is aan het vereiste van de akte van cessie voldaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is er ook sprake van een mededeling aan [gedaagde] dat [onderneming 1] B.V. de vorderingen op [gedaagde] van de eenmanszaak heeft overgenomen. Deze mededeling mag volgens vaste rechtspraak in elke vorm geschieden en ook in één of meer gedragingen besloten liggen (HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162). Deze mededeling ligt besloten in onder meer de volgende gedragingen. Ten eerste heeft [onderneming 1] B.V. in mei 2024 verschillende transportopdrachten aan [gedaagde] gegeven. [gedaagde] heeft dus al met de nieuwe entiteit van [D] gehandeld en kon daaruit afleiden dat de eenmanszaak in de B.V. was overgegaan. De tweede gedraging is de aansprakelijkheidsstelling van 20 juni 2024, waarin [eiseres] [gedaagde] aansprakelijk stelde en naar [onderneming 1] B.V. verwees als expediteur. Tot slot is ook in de dagvaarding van 24 juni 2024 expliciet vermeld dat [onderneming 1] B.V. de expediteur is. Daaruit kon [gedaagde] begrijpen dat [onderneming 1] B.V. de vorderingen van [onderneming 1] eenmanszaak heeft overgenomen. Dit heeft tot gevolg dat [onderneming 1] B.V. de expediteursverklaring als bedoeld in artikel 8:63 BW mocht afgeven. Dit heeft weer tot gevolg dat [eiseres] in rechte tegen [gedaagde] mag optreden, en dat de vordering niet verjaard is.
De rechtbank wijst de vordering op grond van vervoerdersaansprakelijkheid af
Eén van de vier vrachten is volgens [eiseres] verloren gegaan omdat de erwten tijdens het vervoer besmet zijn geraakt met een bestrijdingsmiddel, en de overige drie omdat de erwten verhit zijn doordat zij (te) lang in de vrachtwagen hebben gelegen. De rechtbank zal de vordering per vracht beoordelen, aangezien de verwijten van [eiseres] en verweren van [gedaagde] per vracht verschillen.
Rit 01, van Raamsdonkveer (NL) naar Comines (FR), hierna: vracht 01
Artikel 17 lid 1 CMR bepaalt dat de vervoerder aansprakelijk is voor het verlies of de beschadiging van goederen die is ontstaan tussen het moment van inontvangstneming en de aflevering van de goederen. De erwten zijn door (vervoerders ingeschakeld door) [gedaagde] in ontvangst genomen in de avond van 25 juni 2023, en in de vroege ochtend de volgende dag bij de bestemming afgeleverd. Na aflevering in Comines bleek dat de erwten besmet waren met flutolanil, een middel dat schimmels bestrijdt in bepaalde – andere – gewassen. Hierdoor waren de erwten onbruikbaar en zijn zij door de ontvanger afgekeurd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat de besmetting van de erwten daadwerkelijk tijdens het vervoer heeft plaatsgevonden. Uit de door [eiseres] overgelegde laboratoriumanalyse van 7 juli 2023 blijkt weliswaar dat de erwten besmet waren met flutolanil, maar het is onduidelijk of deze besmetting tijdens het vervoer heeft plaatsgevonden. In het rapport staat ook geschreven dat een expert verder zal moeten onderzoeken hoe de stof precies op de erwten is overgebracht. Gezien de gemakkelijke verspreiding van flutolanil, is het ook mogelijk dat de flutolanil op een ander moment, bijvoorbeeld voor het inladen, of via de tussen de erwten aanwezige peulenschillen, op de erwten terecht is gekomen. [gedaagde] is dus niet aansprakelijk voor het verlies van de erwten in vracht 01, omdat niet vast is komen te staan dat de het verlies is ontstaan tijdens het vervoer.
Rit 06, van Lelystad (NL) naar Staden (BE), hierna: vracht 06
[eiseres] vordert ook de kosten van vracht 06. De rechtbank stelt vast dat de erwten die vervoerd werden in vracht 06 gedurende het vervoer verhit zijn geraakt, waardoor zij zuur zijn geworden en de volledige vracht verloren is gegaan. De vrachtwagen was namelijk om 20:30 uur volgeladen, terwijl deze om 21:53 uur is vertrokken. Hierdoor hebben de erwten langer in de vrachtwagen gelegen dan oorspronkelijk gepland. Op 10 juli 2023 heeft de ontvanger, [onderneming 3] , ook naar [eiseres] gemaild dat de zending verhit was. Op 6 september 2023 schreef [onderneming 3] verder dat de erwten van deze vracht ‘een bleke kleur’ hadden, en de smaak ‘navenant slecht’ was. [gedaagde] stelt dat zij niet aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] als gevolg daarvan lijdt, omdat het verlies van de erwten het gevolg is van bijzondere gevaren. De rechtbank gaat daarin mee, om de volgende redenen.
Op grond van artikel 17 lid 4 CMR, is de vervoerder niet aansprakelijk voor verlies van een vracht als deze het gevolg is van de bijzondere gevaren, eigen aan het laden van de goederen door de afzender (sub c) en de aard van bepaalde goederen (sub d). Erwten zijn naar hun aard bederfelijk, en ze werden vervoerd op warme dagen. Dat betekent dat, zoals [eiseres] zelf ook heeft onderstreept, het van groot belang is dat de erwten niet te lang in de vrachtwagen liggen.
De door [onderneming 1] gemaakte planning hield in dat vracht 06 tussen 23:59 en 02:00 geladen zou worden, en om 07:30 uur in Staden zou aankomen. De chauffeur die vracht 06 zou rijden was op grond van de rij- en rusttijdenwet verplicht om minimaal 9 uur pauze te houden voorafgaand aan deze rit. De chauffeur kwam daarom al rond 12:00 uur in de middag aan bij de laadlocatie in Lelystad, zodat hij daar zijn pauze kon houden. Zoals [gedaagde] in haar conclusie van antwoord heeft uitgelegd, heeft zij van tevoren ook aan [onderneming 1] doorgegeven dat de chauffeur op locatie zijn pauze zou houden. Dit is door [eiseres] niet betwist. Ondanks dat de chauffeur zijn pauze hield en niet eerder kon vertrekken, startte de afzender om 19:00 uur al met laden. De chauffeur is alsnog een aantal uur vroeger dan gepland vertrokken, om de tijd dat de erwten in de vrachtwagen zouden liggen te beperken. Het had, zeker gezien de eerdere waarschuwing dat de chauffeur moest pauzeren, en gegeven het feit dat de afzender aanzienlijk eerder ging laden dan gepland, op de weg van [eiseres] gelegen om te informeren of het akkoord was om eerder te laden. Het risico dat de erwten langer dan gewenst in de vrachtwagen liggen, ligt bij degene die eerder is gaan laden dan overeengekomen. De kosten voor het verlies van vracht 06 blijven dus voor rekening van [eiseres] .
Rit 09 en 10,van Zeewolde (NL) naar Blaringhem (FR), hierna: de combivracht
[eiseres] verwijt [gedaagde] ook dat de erwten in de combivracht zijn verhit en daardoor beschadigd zijn. Oorspronkelijk waren de zendingen in deze vracht gepland als twee afzonderlijke vrachten: vracht 09 en vracht 10. Vracht 09 zou tussen 09:00 en 11:00 uur geladen worden in Zeewolde en naar Blaringhem worden vervoerd. Vracht 10 zou tussen 11:30 en 13:30 uur geladen worden in [plaats 1] en vervolgens naar Blaringhem rijden. In Zeewolde bleek de oogst beperkter dan verwacht, waardoor de vrachtwagen voor een groot deel leeg bleef. Daarom is besloten de vracht samen te voegen met de zending die in [plaats 1] geladen zou worden. De chauffeur moest na de lading in Zeewolde dus eerst langs [plaats 1] rijden om bij te laden. De vrachtwagen vertrok uiteindelijk om 13:41 uur vanuit [plaats 1] . Gedurende de rit heeft de chauffeur een stop gemaakt van 1,5 à 2 uur om om te koppelen, waarna een andere chauffeur met de vracht naar Blaringhem is gereden. Hij kwam om 22:10 uur bij de fabriek in Blaringhem aan. De ontvanger heeft 80% van de erwten geaccepteerd, maar 20% afgekeurd wegens verzuring.
Artikel 17 lid 2 CMR bepaalt dat de vervoerder (in dit geval [gedaagde] ) niet aansprakelijk is voor verlies als deze is veroorzaakt door schuld of een opdracht van de rechthebbende (in dit geval [eiseres] ). Naar het oordeel van de rechtbank is een deel van deze vracht verloren gegaan door een opdracht van [eiseres] , waardoor [gedaagde] niet aansprakelijk is voor dit verlies.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat het samenvoegen van de vrachten op verzoek van [eiseres] is gebeurd en heeft dit standpunt met Whatsapp-berichten onderbouwd. [eiseres] heeft dit niet overtuigend weersproken. De enkele mededeling dat dit op initiatief van [gedaagde] zou zijn gebeurd, zonder verdere uitleg of onderbouwing, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het samenvoegen van de vrachten op verzoek van [eiseres] heeft plaatsgevonden.
Het gevolg van deze opdracht is dat de erwten langer dan gepland in de vrachtwagen hebben gelegen waardoor het risico op verhitting groter werd. Door deze langere rit was de chauffeur bovendien verplicht om pauze te nemen. Ook dat heeft extra vertraging veroorzaakt. Die vertraging was niet te vermijden: deze vloeide rechtstreeks voort uit de keuze om de zendingen samen te voegen en bij te laden op een andere locatie. [gedaagde] heeft nog geprobeerd de vertraging te beperken, door tijdens de rit de vracht om te koppelen. Dit heeft tijd gekost, maar het alternatief – de chauffeur zijn volledige pauze laten uitzitten – zou langer hebben geduurd. Gelet op de opdracht die [eiseres] zelf heeft gegeven, zal de rechtbank oordelen dat [gedaagde] niet aansprakelijk is voor de schade van het gedeeltelijke verlies van de combivracht.
Rit 11, [plaats 1] (NL) naar Blaringhem (FR), hierna: vracht 11
De laatste vracht die door verhitting verloren is gegaan is vracht 11. In de processtukken hebben partijen deze ook wel vracht 10 genoemd, maar ter zitting is duidelijk geworden dat vracht 10 bij vracht 09 is gevoegd, en dat de laatste verloren vracht, vracht 11 betreft. De rechtbank zal daarom naar vracht 11 verwijzen. Dit maakt voor de beoordeling geen verschil.
Naar het oordeel van de rechtbank moet ook dit verlies voor rekening van [eiseres] blijven, omdat deze rechtstreeks het gevolg is van de opdracht om vracht 09 bij te laden. De fabriek in Blaringhem, waar vracht 09 en 11 moesten worden afgeleverd, zou op zijn laatst om 22:00 uur nog erwten lossen, omdat niet lang daarna de fabriek zou sluiten. Uit door [eiseres] overlegd Whatsapp-verkeer blijkt dat het vertrek uit [plaats 1] om 15:00 uur gepland was, en de aankomst in Blaringhem om 22:00 uur. Vracht 11 is volgens schema vertrokken en kwam om 22:30 aan. De fabriek weigerde te lossen, omdat zij nog bezig waren met het lossen van vracht 9, die vlak daarvoor, om 22:10, was aangekomen. De erwten zijn uiteindelijk om 14:23 uur de volgende dag gelost. Zoals hierboven overwogen onder 3.13. en 3.14., was de vertraging van vracht 09 een direct gevolg van de opdracht van [eiseres] om vracht 09 bij te laden. Omdat de late aankomst van vracht 09 ertoe leidde dat vracht 11 niet meer kon worden gelost, is [gedaagde] ook voor dit verlies niet aansprakelijk.
De rechtbank wijst de proceskosten toe
[eiseres] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
6.617,00
- salaris advocaat
€
4.822,50
(2,5 punten × € 1.929,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
11.617,50
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 11.617,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.P. Lunter en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.
5827