ECLI:NL:RBMNE:2025:7957

ECLI:NL:RBMNE:2025:7957

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 12-03-2025
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 11279832 EL EXPL 24-20 D/954
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Dexia effectenlease tussenpersoon.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Lelystad

zaaknummer: 11279832 EL EXPL 24-20 D/954

Vonnis van 12 maart 2025

inzake

[eisende partij] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eisende partij] ,

eisende partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen Dexia,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,

eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,

gemachtigde: USG Legal Professionals.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 14 augustus 2024, met een incidentele vordering;

de conclusie van antwoord in conventie en in het incident en van eis in reconventie, met een incidentele vordering;

de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie en in het incident;

de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,

de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties;

Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

2. De feiten

[eisende partij] heeft tezamen met haar toenmalige echtgenoot [A] de volgende leaseovereenkomst ondertekend waarop zij als lessee stonden vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:

Nr.

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

I.

[contractnummer]

19-01-2000

Allround Sparen

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

I.

06-05-2002

- € 3.438,03

€ 2.603,26 door afnemer, rest afgeboekt in verband met schuldsanering

Volgens opgave van Dexia hebben [eisende partij] en [A] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 2.722,80 aan maandtermijnen en een bedrag van € 2.603,26 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave hebben zij geen bedrag aan dividenden ontvangen en € 607,95 aan fiscaal voordeel genoten.

De gemachtigde van [eisende partij] , Leaseproces, heeft bij brief van 15 november 2007 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

3. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en de incidenten

[eisende partij] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- in het incident:

 Dexia ex artikel 843a Rv zal veroordelen een afschrift van het aanvraagformulier aan [eisende partij] te verstrekken,

- in de hoofdzaak:

 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,

 voor recht zal verklaren dat [eisende partij] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,

 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan de gemeenschap te voldoen al datgene dat [eisende partij] en/of [A] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eisende partij] , met rente,

 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.

Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in tegenvordering, alsmede een incidentele vordering waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

in het incident:

 [eisende partij] te veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,

in de hoofdzaak:

 voor recht zal verklaren dat Dexia na betaling aan [eisende partij] van een bedrag van € 867,75, vermeerderd met de wettelijke rente niets meer aan [eisende partij] met betrekking tot de overeenkomst met nummer [contractnummer] verschuldigd is,

 [eisende partij] zal veroordelen in de proceskosten, met rente.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4. Beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en de incidenten

algemeen

4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eisende partij] .

De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

er is sprake van huurkoop;

er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

[eisende partij] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;

er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

verjaring

Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eisende partij] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.

tussenpersoon

[eisende partij] en [A] hebben de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Spaar Select. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.

De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eisende partij] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eisende partij] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eisende partij] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eisende partij] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eisende partij] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.

[eisende partij] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

[eisende partij] werd ongevraagd aan huis benaderd door een medewerker van Spaar Select B.V. (hierna te noemen: ’adviseur’). De adviseur belde aan en vroeg of het mogelijk was om de financiële situatie – en wensen van [eisende partij] door te nemen. [eisende partij] heeft hiermee ingestemd. Tijdens het huisbezoek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eisende partij] . Zo is met de adviseur gesproken over het inkomen en de gezinssituatie van [eisende partij] . Daarbij is de wens van [eisende partij] ter sprake gekomen om te sparen voor een eigen woning. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de kinderwens van [eisende partij] en de mogelijkheid een voorziening te vormen voor een eventuele studie van de kinderen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was voor deze doelen te sparen en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur adviseerde [eisende partij] om een Allround Sparen product van Bank Labouchere af te sluiten. Aan de hand van de verstrekte salarisgegevens adviseerde de adviseur om deze overeenkomst af te sluiten met een maandelijkse inleg van NLG 250,-. Op deze wijze kon [eisende partij] volgens de adviseur aanzienlijk vermogen opbouwen waarmee zij haar doelstellingen kon verwezenlijken. [eisende partij] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eisende partij] het advies opgevolgd. De aanvraag voor de Allround Sparen overeenkomst is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.

[eisende partij] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie van de overeenkomst van 19 januari 2000 met contractnummer [contractnummer] , voorzien van de tekst: “Adviseur; [nummer] – Spaar Select B.V.”

Met deze feitelijke uiteenzetting en stuk heeft [eisende partij] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dexia heeft de door [eisende partij] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. Dexia had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had Dexia moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie tot stand was gekomen. Dexia heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eisende partij] en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan Dexia niet baten. Voor zover Dexia daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen maar daarbij komt dat Dexia destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersoon voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [eisende partij] geschetste gang van zaken nu Dexia deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

[eisende partij] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon Spaar Select een op de persoon van [eisende partij] toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eisende partij] , had zij behoren te weten dat [eisende partij] door de tussenpersoon is geadviseerd.

aansprakelijkheid Dexia 4.11. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eisende partij] en [A] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [eisende partij] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eisende partij] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

vorderingen van [eisende partij] 4.12. De door [eisende partij] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld door [eisende partij] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisende partij] niet alleen als klant aanbracht maar [eisende partij] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.

De als gevolg hiervan door [eisende partij] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eisende partij] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).

[eisende partij] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 4.718,11. Omdat Dexia de berekening op zich niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag, als totale schade. [eisende partij] heeft aanspraak gemaakt op het totale schade bedrag stellende dat sprake is van een gemeenschap en zij op grond van artikel 3:171 BW aanspraak heeft op totale schadebedrag. De kantonrechter volgt [eisende partij] daarin niet. Zij en haar echtgenoot hebben ieder aanspraak op de helft van die schadevergoeding en derhalve is ten aanzien van die schadevergoeding geen sprake van een gemeenschap. Dit betekent dat de vordering als na te melden zal worden toegewezen.

Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eisende partij] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.

incidentele vordering van [eisende partij]

vordert Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier. Uit het voorgaande volgt dat [eisende partij] in het gelijk zal worden gesteld. Zij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat de vordering zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd.

de incidentele vordering van Dexia

Dexia vordert dat [eisende partij] wordt veroordeeld het intakeformulier van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken. Een zogenoemde “exhibitievordering” komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking als is voldaan aan de volgende uit artikel 843a lid 1 Rv. voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:

- degene die de vordering instelt, dient een rechtmatig belang te hebben,

- het moet gaan om bepaalde bescheiden,

- aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.

Daargelaten de vraag of aan deze vereisten is voldaan, oordeelt de kantonrechter dat op grond van het derde en vierde lid van artikel 843a Rv geen inzage van het intakeformulier verlangd kan worden. In het derde lid van artikel 843a Rv is, kortgezegd, bepaald dat beoefenaren van vertrouwensberoepen ter zake van hetgeen hen in hun hoedanigheid is toevertrouwd niet gehouden zijn om aan de exhibitievordering te voldoen. In beginsel betreft dit alle met de beroepsbeoefenaar gewisselde stukken en is het aan de beroepsbeoefenaar om te bepalen of die informatie hem in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd. Er is dus bij hoge uitzondering ruimte om van de beroepsbeoefenaar te verlangen dat hij zich niet op zijn verschoningsrecht beroept. Ook van [eisende partij] als cliënt(e) van de beroepsbeoefenaar kan (ervan uitgaande dat [eisende partij] , althans haar zijn gemachtigde, in het bezit is van het intakeformulier) geen inzage worden verlangd omdat gewichtige redenen als bedoeld in het vierde lid van artikel 843a Rv, zich daartegen verzetten. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eisende partij] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens, via een toegewezen exhibitievordering, bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Al met al oordeelt de kantonrechter dat de incidentele vordering van Dexia moet worden afgewezen.

De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op € 82,00.

vorderingen Dexia

Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.

proceskosten

Omdat [eisende partij] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eisende partij] gevallen.

Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.

De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:

- dagvaarding € 135,97

- griffierecht € 87,00

- salaris gemachtigde € 542,00( 2 x tarief € 271,00)

- nakosten € 135,00

Totaal € 899,97

De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

5. Beslissing

De kantonrechter

in het incident van [eisende partij]

wijst de vordering af,

compenseert de proceskosten,

in het incident tot afgifte van het intakeformulier

wijst de vordering van Dexia af,

veroordeelt Dexia in proceskosten van [eisende partij] , tot op heden begroot op € 82,00,

in conventie

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld door [eisende partij] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisende partij] niet alleen als klant aanbracht maar [eisende partij] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,

verklaart voor recht dat [eisende partij] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,

veroordeelt Dexia om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 2.359,06, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 4.13.,

veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 899,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,

veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisende partij] gevallen, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.

typ:

coll:

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand