RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats: Utrecht
Parketnummer: 16/090762-22
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 november 2025 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 17 oktober 2025. Het onderzoek is gesloten op 14 november 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1 primairin de periode van 1 mei 2019 tot en met 9 maart 2020 in Almere samen met een of meer (rechts)personen valsheid in geschrifte heeft gepleegd;
subsidiair opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 1] B.V. om het primaire feit te plegen;
feit 2
op 9 maart 2020 in Amsterdam samen met een of meer (rechts)personen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meerdere vals/vervalst(e) geschrift(en);
feit 3 in de periode van 27 januari 2020 tot en met 9 april 2020 in Naarden samen met een of meer (rechts)personen opzettelijk een vaartuig en/of bijbehorende bootmotoren bij dat vaartuig en/of drie tweedehands vaartuigen aan het krachtens de wet gelegd beslag of aan gerechtelijke bewaring heeft onttrokken of heeft verborgen;
feit 4primairop 3 juli 2020 in Almere samen met een of meer (rechts)personen valsheid in geschrifte heeft gepleegd;
subsidiair op 3 juli 2020 in Almere en/of Amsterdam meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals/vervalst geschrift;
feit 5
primair op 3 juli 2020 in Almere en/of Amsterdam samen met een of meer (rechts)personen opzettelijk € 750.000,- aan het krachtens de wet gelegd beslag of aan gerechtelijke bewaring heeft onttrokken of heeft verborgen;
subsidiair
opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 1] B.V. om het primaire feit te plegen;
feit 6 De Besloten Vennootschap [bedrijf 1] B.V. in Naarden en/of Almere als rechtspersoon niet tijdig, binnen 13 maanden na afloop van het boekjaar 2020 en/of 2021, de jaarrekening(en) openbaar heeft gemaakt aangezien op 21 juli 2022 de jaarrekening(en) nog niet openbaar was/waren gemaakt, terwijl verdachte opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven;
feit 7 De Besloten Vennootschap [bedrijf 2] B.V in Muiden en/of Almere als rechtspersoon niet tijdig, binnen 13 maanden na afloop van het boekjaar 2020 en/of 2021, de jaarrekening(en) openbaar heeft gemaakt aangezien op 21 juli 2022 de jaarrekening(en) nog niet openbaar was/waren gemaakt, terwijl verdachte opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd, te weten feit 1 primair, 2, 3, 4 primair, 5 primair, 6 en 7.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken onder paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 tot en met 5.
De advocaat van de verdachte voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
De advocaat van de verdachte refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de feiten 6 en 7.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Deze strafzaak kent een lange voorgeschiedenis, waarbij een civielrechtelijk conflict aanleiding heeft gevormd voor de aan de verdachte verweten gedragingen en deze strafzaak. De rechtbank zal voor een goed begrip van de zaak kort de achtergrond uiteenzetten, voordat de rechtbank in dit vonnis bespreekt wat naar haar oordeel wel en niet kan worden bewezenverklaard.
De verdachte is de [functie] van het bedrijf [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] is gespecialiseerd in het bouwen en verkopen van bijboten (‘Tenders’) voor superjachten. Aangever [aangever] heeft in maart 2018 een tender ( [bootnaam 1] , building nr. [nummer] ) gekocht bij [bedrijf 1] voor een bedrag van € 800.013,-. Volgens de overeenkomst had [bedrijf 1] de tender in maart 2019 af moeten hebben en moeten leveren. In april 2019 had de aangever ruim € 600.000,- aanbetaald, maar was de tender nog niet klaar. De aangever heeft de koopovereenkomst ontbonden en het aanbetaalde bedrag teruggevorderd in een procedure bij de rechtbank Amsterdam. Die procedure heeft de aangever gewonnen. Maar [bedrijf 1] bood geen verhaal.
De aangever is vervolgens ook een procedure gestart tegen de verdachte op grond van bestuurdersaansprakelijkheid en tegen een aantal vennootschappen waarvan de verdachte bestuurder en eigenaar is. De aangever heeft vennootschappen van de verdachte, waaronder [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ), aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade doordat [bedrijf 1] geen verhaal bood. Ook die procedure heeft de aangever in eerste aanleg gewonnen. Van dat vonnis loopt op dit moment nog hoger beroep. De aangever heeft ter verzekering van verhaal op verschillende momenten geprobeerd conservatoir beslag te leggen, eerst ten laste van [bedrijf 1] ; en later ook ten laste van zowel de verdachte zelf als ten laste van de vennootschappen die de aangever in het kader van de bestuurdersaansprakelijkheidszaak had gedagvaard.
De verdachte wordt er kortgezegd van verdacht dat hij:
in de procedure bij de rechtbank Amsterdam met vervalste documenten heeft geprobeerd zijn stellingen namens [bedrijf 1] kracht bij te zetten (feiten 1 en 2);
goederen die krachtens de wet conservatoir waren beslagen aan het beslag heeft onttrokken (feiten 3 en 5);
een akte van cessie heeft vervalst of doen vervalsen om deze akte als echt te gebruiken om de hypothecair gezekerde vorderingsrechten waarop beslag was gelegd aan het beslag te onttrekken (feit 4);
als feitelijk leidinggever jaarrekeningen van zijn ondernemingen te laat heeft gepubliceerd (feiten 6 en 7).
Vrijspraak feiten 1 en 2
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2, het plegen van valsheid in geschrift en het gebruikmaken van een vervalst geschrift, niet zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt dit als volgt uit.
De aangever heeft in de procedure tegen [bedrijf 1] vraagtekens gezet bij een door [bedrijf 1] ingebrachte e-mail waaruit zou blijken dat de bouwfase op 3 oktober 2018 was gestart. In rechte is vastgesteld dat het om een geantedateerde en dus vervalste e-mail gaat. De e-mail is vervalst door de verzenddatum te veranderen van 11 oktober 2018 naar 3 oktober 2018. De rechtbank Amsterdam houdt [bedrijf 1] verantwoordelijk voor deze vervalsing.
De verdachte heeft verklaard dat een onervaren medewerker van [bedrijf 1] de verzenddatum heeft veranderd. De verdachte geeft aan dat hij niet op de hoogte was van de wijziging van de datum en zegt ook niet te weten waarom de medewerker de datum heeft veranderd. Het lijkt erop dat de verdachte moet hebben geweten dat de e-mail vervalst was, gelet op de momenten waarop de e-mail is ingebracht in de civiele procedure. Dit is echter niet voldoende voor een bewezenverklaring voor valsheid in geschrift en het gebruik maken daarvan. Het dossier bevat geen bewijs dat de verdachte zelf de e-mail heeft vervalst noch dat hij daartoe opdracht heeft gegeven. In het dossier bevindt zich evenmin bewijs waaruit blijkt dat de verdachte wist of moet hebben geweten dat de e-mail vervalst was toen hij deze in de civiele procedure inbracht. De rechtbank komt tot de conclusie dat het opzet op het vervalsen en het gebruiken van de e-mail ontbreekt. De feiten 1 en 2 kunnen daarom niet worden bewezen.
Vrijspraak feit 3
De rechtbank oordeelt dat feit 3, het onttrekken van goederen aan het beslag, niet is bewezen en zal de verdachte hiervan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom zij tot dit oordeel komt.
De voorzieningenrechter heeft op verzoek van de aangever verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag onder [bedrijf 1] . De aangever had toestemming om beslag te leggen op de volgende goederen:1. de onafgebouwde tender (boot nr. [nummer] welke in beginsel door de aangever was besteld);2. bootmotoren (bijhorende bij de te leveren tender);3. drie tweedehands vaartuigen die destijds bij [bedrijf 1] te koop stonden ( [bootnaam 2] , kenteken [kenteken 1] ; [bootnaam 3] , kenteken [kenteken 2] ; [bootnaam 4] ).
De deurwaarder heeft op 27 januari 2020 beslag gelegd op een in aanbouw zijnde tender met nr. [nummer] . Op 29 januari 2020 heeft de deurwaarder beslag gelegd op twee tweedehands vaartuigen met kenteken [kenteken 1] en kenteken [kenteken 2] . Uit het dossier blijkt dat de deurwaarder de bootmotoren en het andere tweedehands vaartuig niet heeft aangetroffen en dat op deze goederen geen beslag is gelegd.
Vrijspraak ten aanzien van de bootmotoren en één van de drie tweedehands vaartuigen
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onttrekken aan het gelegde beslag van de bootmotoren en het andere vaartuig zonder kenteken, omdat de deurwaarder niet krachtens de wet beslag heeft gelegd op deze goederen. Dat de verdachte heeft geweigerd om de deurwaarder te zeggen waar deze goederen zich bevonden, maakt dat niet anders. Een dergelijke weigering is in andere procedures wel uitgelegd als onttrekken aan beslag, maar dan ging het om een weigering te informeren over de vindplaats van een goed waar reeds conservatoir beslag op lag. In deze zaak speelt dat niet. Er was nog geen beslag. Dan is een weigering om informatie te geven niet het onttrekken aan gelegd beslag.
Is er sprake van ‘krachtens de wet’ gelegd beslag op de overige goederen?
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat het beslag niet ‘krachtens de wet’ is gelegd omdat [bedrijf 1] niet (meer) de eigenaar was van de goederen.
Dat verweer volgt de rechtbank niet. Voor een gelegd beslag in de zin van artikel 198 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet sprake zijn van een formeel rechtmatig beslag. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de conservatoire beslagen ‘krachtens de wet gelegd’, omdat is voldaan aan de formele vereisten voor het leggen van conservatoir beslag; kortgezegd dat de voorzieningenrechter daarvoor verlof heeft verleend; dat het beslag bij exploot wordt gelegd door een deurwaarder en dat de deurwaarder een afschrift van het exploot afgeeft aan degene voor wie het bestemd is. Al deze stukken bevinden zich in het dossier. De civielrechtelijke discussie over of de beslagdebiteur eigenaar was van deze goederen is voor het strafrechtelijke leerstuk ten aanzien van het onttrekken aan het beslag op grond van artikel 198 Sr irrelevant.
Vrijspraak ten aanzien van de onafgebouwde tender, boot nr. [nummer]
Over de tender nummer [nummer] in aanbouw waar de deurwaarder beslag op heeft gelegd overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank constateert dat weliswaar krachtens de wet beslag is gelegd op de tender (nummer [nummer] ) maar dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte deze tender heeft onttrokken of verborgen. Het enkele feit dat verdachte op het moment dat nog beslag gelegd moest worden heeft verklaard dat de tender nummer [nummer] niet aanwezig was op de locatie, terwijl die wel op de locatie aanwezig was, is daartoe immers onvoldoende. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onttrekken van de tender nummer [nummer] aan het gelegde beslag.
Vrijspraak ten aanzien van de twee tweedehands vaartuigen (kenteken [kenteken 1] en [kenteken 2] )
Tot slot overweegt de rechtbank over de twee tweedehands vaartuigen het volgende. Op 29 januari 2020 heeft de deurwaarder krachtens de wet beslag gelegd op twee tweedehands vaartuigen met kenteken [kenteken 1] en kenteken [kenteken 2] . Op 6 maart 2020 heeft de deurwaarder geconstateerd dat deze twee vaartuigen niet meer in de jachthaven in Naarden lagen waar deze eerder wel lagen toen de deurwaarder in januari 2020 er beslag op had gelegd. Desgevraagd heeft de havenmeester gezegd dat de eigenaar, of iemand namens hem, de vaartuigen na het beslag had verplaatst naar een onbekende locatie buiten de jachthaven. Uit het dossier blijkt niet dat de deurwaarder daarna contact heeft gezocht met de verdachte om de verkregen informatie te verifiëren, noch dat de deurwaarder aan de verdachte heeft gevraagd waar de betreffende vaartuigen zich bevonden. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat de vaartuigen voor service uit de jachthaven zijn gehaald. Dat de boten destijds niet meer lagen op de plaats waar er beslag op was gelegd en de verklaring van de verdachte pas op de zitting is gegeven en niet meer valt te verifiëren, maakt niet dat er sprake is van het onttrekken aan het gelegd beslag. Het eigenmachtig beschikken over een beslagen goed kan niet reeds op zichzelf – dus ongeacht de omstandigheden van het geval – worden aangemerkt als onttrekken aan het beslag in de zin van artikel 198 lid 1 Sr. Voor dat laatste is nodig dat blijkt van omstandigheden die meebrengen dat de omvang of werking van de beslaglegging als daad van het openbaar gezag wordt beperkt, bijvoorbeeld door het frustreren, beperken of bemoeilijken van de verhaalsmogelijkheden.
Het gelegd beslag was nog in de conservatoire fase en het enkele gebruik en verplaatsen van de vaartuigen betekenen niet dat deze goederen daardoor worden onttrokken aan het beslag in de zin van artikel 198 Sr. Dat zou anders kunnen zijn als destijds bijvoorbeeld door de deurwaarder was gevraagd aan de verdachte waar de vaartuigen zich bevonden. Als de verdachte destijds zou hebben geweigerd daar een mededeling over te doen, dan zou het verplaatsen en gebruiken wellicht uitgelegd kunnen worden als het onttrekken, maar van die omstandigheid is niet gebleken. Ook is uit het dossier en hetgeen op de zitting is besproken niet gebleken van een andere bijkomende omstandigheid waaruit verhaalsfrustratie blijkt. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onttrekken van de twee tweedehands vaartuigen aan het gelegd beslag.
Conclusie
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van feit 3.
Bewijsmiddelen feiten 4 en 5 De rechtbank oordeelt dat feit 4, valsheid in geschrift, en feit 5 onttrekken van goederen aan het beslag, zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de wettige bewijsmiddelenen gaat uit van het volgende.
De verdachte is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] . [bedrijf 3] GmbH (hierna [bedrijf 3] ), een Duitse vennootschap, heeft blijkens een driepartijen-lening-overeenkomst van 18 april 2019 aan [bedrijf 2] een geldbedrag geleend, dat zou worden doorgeleend aan verdachte. [bedrijf 2] zou daarbij een recht van hypotheek bedingen op de woning van de verdachte. De verdachte heeft de overeenkomst namens [bedrijf 2] en zichzelf ondertekend. Op 13 september 2019 is aan de verdachte en zijn vrouw [A] door [bedrijf 2] een lening verstrekt en overeengekomen via een leningsovereenkomst. Ook die overeenkomst is door de verdachte ondertekend namens zichzelf en [bedrijf 2] . Op 2 juli 2020 heeft de aangever van de voorzieningenrechter verlof gekregen om onder meer conservatoir beslag te laten leggen ten laste van [bedrijf 2] op alle vorderingen van [bedrijf 2] op de verdachte. De vordering van aangever is begroot op € 750.000,-. Op 3 juli 2020 om 11:55 uur is met het verlof dit conservatoir derdenbeslag gelegd en in persoon aan de verdachte betekend. Ook is op die dag door aangever beslag gelegd op de woning van de verdachte en zijn vrouw. De verdachte heeft verklaard dat hij kort na het gelegd beslag de notaris heeft gebeld. Op 3 juli 2020 is om 16:00 uur, een akte van cessie hypothecair gedekte vordering (documentnummer [nummer] ) opgemaakt door notaris M.J. Prinsze en ingeschreven in het register. In deze akte van cessie is bij artikel 1 onder “Verzoek, aanbod en aanvaarding tot overname financiering. Overname hoofdsom” opgenomen: “De cedent en de cessionaris zijn bij verstrekken door de cessionaris aan de cedent van een geldlening op achttien april tweeduizend negentien en addendum (Bijlage) overeengekomen dat de cessionaris de vordering van de cedent op de schuldenaar overneemt onder de hierna te melden voorwaarden”. [bedrijf 2] is de cedent, [bedrijf 3] de cessionaris en de verdachte de schuldenaar.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen feiten 4 en 5
De vordering van [bedrijf 2] op de verdachte was een vordering binnen het vermogen van de verdachte omdat hijzelf aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 2] was. Doordat aangever beslag had gelegd op het woonhuis ten laste van de verdachte en beslag op vorderingen van [bedrijf 2] op de verdachte bestond de kans dat de aangever bij winst van de civiele procedures tegen de verdachte en zijn vennootschappen, verhaal zou kunnen nemen op de woning van de verdachte. Door inschrijving van de akte van cessie later diezelfde dag, werd ervoor gezorgd dat de vordering van [bedrijf 2] op de verdachte met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de verdachte verdween, en overging naar [bedrijf 3] ; en dat ook de hypothecaire rechten met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de (vennootschappen van de) verdachte verdwenen. Beslag op de woning van de verdachte kwam toen dus na het recht van hypotheek, dat zich niet meer in het vermogen van de verdachte bevond.
In de akte van cessie van 3 juli 2020 staat dat al op 18 april 2019 zou zijn afgesproken om de lening van [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] te cederen. Dat gelooft de rechtbank niet. Dat staat niet in de driepartijen-lening-overeenkomst, terwijl daarin wel een zogenaamde ‘entire agreement clause’ is opgenomen. Kortom: wat er niet staat, is niet afgesproken. Dat het niet was afgesproken wordt ook ondersteund door de hypothecaire inschrijving in december 2019 ten gunste van [bedrijf 2] en de verlenging van de driepartijen-overeenkomst in december 2019. Dat is allemaal totaal onlogisch als al in april 2018, althans uiterlijk in september 2019 cessie van de lening en de hypotheek zou zijn overeengekomen en met de notaris zou zijn gecommuniceerd.
De gang van zaken op 3 juli 2020 en de tekst van de akte van cessie van 3 juli 2020 vallen niet anders uit te leggen dan dat de notaris opdracht kreeg van de verdachte om het nodige te doen om de lening van [bedrijf 2] aan de verdachte en de rechten van hypotheek op de woning van de verdachte aan het beslag te onttrekken. De verdachte heeft daarbij minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het valselijk opmaken van de akte cessie en inschrijving daarvan.
De verklaring van de verdachte dat hij de notaris geen opdracht zou hebben gegeven en dat hij alleen heeft gebeld om te vragen wat hij in de verklaring derdenbeslag moest opnemen, gelooft de rechtbank niet. Dat de notaris heeft opgeschreven dat hij zonder expliciete opdracht van verdachte uitvoering heeft gegeven aan een eerdere afspraak en gebruik heeft gemaakt van een eerder aan hem daartoe verleende volmacht maakt dit ook niet anders. De door de notaris gekozen formulering sluit niet uit dat de verdachte van de notaris heeft gevraagd om de hypotheekrechten en lening buiten het vermogen van de verdachte te brengen, en dus te onttrekken aan het gelegde beslag.
Bewijsmiddelen feiten 6 en 7
De rechtbank acht de feiten 6 en 7, namelijk het niet tijdig openbaar maken van jaarrekeningen, bewezen, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door de advocaat van de verdachte is ook niet om vrijspraak van deze feiten gevraagd. De rechtbank noemt alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
een geschrift, te weten een aanvullende aangifte, p. 4;
een geschrift, te weten een jaarrekeningenoverzicht, p. 15;
een geschrift, te weten een jaarrekeningenoverzicht, p. 19.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 4 (primair)
op 3 juli 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met (rechts)personen, een geschrift dat
bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een akte van cessie hypothecair gedekte vordering met documentnummer [nummer] opgemaakt door notaris M.J. Prinsze, valselijk heeft laten opmaken, door in deze akte van cessie in strijd met de waarheid te (laten) vermelden bij Artikel 1, onder “Verzoek, aanbod en aanvaarding tot overname financiering. Overname hoofdsom”: “de cedent en de cessionaris zijn bij verstrekken door de cessionaris aan de cedent van een geldlening op achttien april tweeduizend negentien en addendum (Bijlage) overeengekomen dat de cessionaris de vordering van de cedent op de schuldenaar overneemt onder hierna te melden voorwaarden”, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
feit 5 (primair)
op 3 juli 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een (rechts)persoon, opzettelijk een vordering van [bedrijf 2] BV op verdachte en [A] en het door verdachte en [A] als schuldenaar gevestigde recht van eerste hypotheek op de woning gelegen te [postcode] [plaats] , [adres] , kadastraal bekend gemeente Bussum, sectie [letter] , nummer [nummer] aan het krachtens de wet, te weten door gerechtsdeurwaarder (Michael Ronald Swier) op grond van door de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad d.d. 2 juli 2020 verleende verlof strekkende tot verhaal tot € 750.000,- daarop gelegd beslag heeft onttrokken;
feit 6
De Besloten Vennootschap [bedrijf 1] B.V. te Naarden, gemeente Gooise Meren en/of Almere althans (als rechtspersoon) niet uiterlijk binnen dertien maanden na afloop van het boekjaar 2020 en 2021 op de in artikel 394 lid 1 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven wijze de jaarrekening van dat boekjaar openbaar heeft gemaakt, aangezien op 21 juli 2022 voormelde jaarrekeningen nog niet openbaar waren gemaakt door
nederlegging van een volledig in de Nederlandse taal gesteld exemplaar, ten kantore van het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel, hebbende hij, verdachte, tot voornoemde feiten feitelijk leiding gegeven aan voornoemde verboden gedragingen;
feit 7
De Besloten Vennootschap [bedrijf 2] B.V. te Muiden, gemeente Gooise Meren en/of Almere, (als rechtspersoon) niet uiterlijk binnen dertien maanden na afloop van het boekjaar 2020 en 2021 op de in artikel 394 lid 1 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven wijze de jaarrekening van dat boekjaar openbaar heeft gemaakt, aangezien op 21 juli 2022
voormelde jaarrekeningen nog niet openbaar waren gemaakt door nederlegging van een volledig in de Nederlandse taal gesteld exemplaar, ten kantore van het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel, hebbende hij, verdachte, tot voornoemde feiten feitelijk leiding gegeven aan voornoemde verboden gedragingen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 4 (primair): medeplegen van valsheid in geschrift;
feit 5 (primair): medeplegen van opzettelijk enig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag onttrekken;
t.a.v. feit 6 en feit 7: overtreding van een voorschrift, gesteld bij art. 394, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek, feitelijk leiding geven.
Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte voor feiten 1 tot en met 5 wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;
- een taakstraf van 400 uur, te vervangen door 200 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
De officier van justitie eist dat de verdachte voor feiten 6 en 7, te weten overtredingen, schuldig wordt bevonden zonder het opleggen van een straf of maatregel (artikel 9a Sr).
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 tot en met 5 en voor de overtredingen van de feiten 6 en 7 geen straf of maatregel op te leggen. Verder verzoekt hij aan om rekening te houden met de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte voor de feiten 4 en 5 een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden op en een taakstraf van 100 uur. De rechtbank zal geen straf of maatregel opleggen voor de feiten 6 en 7. Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte is samen met de aangever betrokken in een jarenlang zakelijk conflict. De verdachte heeft hierbij een notariële akte valselijk laten opmaken en door inschrijving daarvan een vordering onttrokken aan het beslag. Uit het plegen van deze strafbare feiten blijkt dat de verdachte geen respect heeft gehad voor het door de rechtbank verleende beslagverlof en het door de deurwaarder gelegde beslag. Het handelen van de verdachte is mede vanwege de hoogte van het bedrag waarvoor beslagverlof was verleend een ernstig strafbaar feit, dat inbreuk maakt op een goed verloop van het handelsverkeer en het ambtelijk gezag.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Straf
De rechtbank acht, door de ernst van de bewezenverklaarde feiten, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf passend. De ernst van de feiten rechtvaardigt zonder meer een gevangenisstraf. Maar omdat het oude feiten betreft en de verdachte niet eerder en ook niet daarna strafbare feiten heeft gepleegd, zal de rechtbank de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast acht de rechtbank het nodig dat de verdachte voelt dat hij zwaar over de schreef is gegaan. Daarom zal de rechtbank ook een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte voor de feiten 4 en 5 een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden op en een taakstraf van 100 uur.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat zij tot minder bewezen verklaarde feiten komt. Voor de feiten 6 en 7 zal de rechtbank het laten bij een schuldig verklaring zonder dat daarbij nog een straf of maatregel wordt opgelegd.
6. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 198 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.
7. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 3 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 4 tot en met 7 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 4 primair, feit 5 primair, feit 6 en feit 7 bewezenverklaarde;
t.a.v. de overtredingen (feiten 6 en 7): geen straf of maatregel
- bepaalt dat ten aanzien van het onder feit 6 en feit 7 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;
t.a.v. de misdrijven (feiten 4 en 5): straf
- veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder feit 4 primair en feit 5 primair bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf van 3 maanden;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
- als algemene voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder feit 4 primair en feit 5 primair bewezen verklaarde tot een taakstraf van 100 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mr. L.R.H. Koekoek en mr. J.E.S. Dolmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2024.
De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2019 tot en met 9 maart 2020 te Almere,
althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)personen,
althans alleen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,
te weten een e-mail met als onderwerp: ‘RE: [nummer] Quote updated’ verzonden van
[B] naar [C] valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst,
door de verzenddatum van de e-mail te veranderen van 11 oktober 2018 naar 3
oktober 2018 met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door
anderen te doen gebruiken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[bedrijf 1] B.V. in of omstreeks de periode van 1 mei 2019 tot en met
9 maart 2020 te Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of
meer (rechts)personen, althans alleen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs
van enig feit te dienen, te weten een e-mail met als onderwerp: ‘RE: [nummer] Quote
updated’ verzonden van [B] naar [C] valselijk heeft opgemaakt
en/of heeft laten opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft laten vervalsen, door de
verzenddatum van de e-mail te (laten) veranderen 11 oktober 2018 naar 3 oktober
2018 met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te
doen gebruiken tot het plegen van welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte
opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging
verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;
2
hij op of omstreeks 9 maart 2020, te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en
in vereniging met een of meer (rechts)personen, althans alleen, opzettelijk gebruik
heeft gemaakt van meerdere, althans een, vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), zijnde
(telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als
ware het echt en onvervalst, te weten:
- een e-mail met als onderwerp: ‘RE: [nummer] Quote updated’ verzonden op 3 oktober
2018 waarin akkoord is gegeven betreffende productie van de betrokken romp en
medegedeeld wordt dat de productie van de carbon romp kon starten,
bestaande die vervalsing en/of die valsheid hierin dat in strijd met de waarheid
- in de e-mail die ingebracht is 3 oktober 2018 als verzenddatum staat, terwijl deze
e-mail eigenlijk pas op 11 oktober 2018 is verzonden.
bestaande dat gebruikmaken en/of gebruik doen maken hierin dat hij, verdachte,
en/of zijn mededader(s), de hiervoor genoemde factuur en e-mail heeft verstrekt
aan de Rechtbank Amsterdam, sectie kanton, terwijl hij, verdachte en/of zijn
mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat de
eerdergenoemde factuur en/of e-mail bestemd was/waren voor zodanig gebruik;
3
hij in of omstreeks de periode van 27 januari 2020 tot en met 9 april 2020 te
Naarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer
(rechts)personen, althans alleen, opzettelijk een Vaartuig ( [bootnaam 1]
nr. [nummer] ) en/of bijbehorende bootmotoren bij het voornoemd vaartuig en/of drie
tweedehands vaartuigen ( [bootnaam 2] , kenteken [kenteken 1] ,
[bootnaam 3] , kenteken [kenteken 2] , [bootnaam 4]
) althans enig goed, aan het krachtens de wet, te weten
door gerechtsdeurwaarder (Arend Pothof), op grond van het vonnis van de
Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad gelegd beslag of aan een
gerechtelijke bewaring heeft onttrokken, of wetende dat het daaraan onttrokken
was, heeft verborgen;
4
hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Almere, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met een of meer (rechts)personen, althans alleen, een geschrift dat
bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een akte van cessie
hypothecair gedekte vordering met documentnummer [nummer] opgemaakt door
notaris M.J. Prinsze, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft laten opmaken, door in
deze akte van cessie in strijd met de waarheid te (laten) vermelden bij Artikel 1,
onder “Verzoek, aanbod en aanvaarding tot overname financiering. Overname
hoofdsom”: “de cedent en de cessionaris zijn bij verstrekken door de cessionaris
aan de cedent van een geldlening op achttien april tweeduizend negentien en
addendum (Bijlage) overeengekomen dat de cessionaris de vordering van de cedent
op de schuldenaar overneemt onder hierna te melden voorwaarden”, met het
oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen
gebruiken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Almere en/of Amsterdam meermalen, althans
eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat
bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een akte van cessie
hypothecair gedekte vordering met documentnummer [nummer] als ware het echt
en onvervalst, door die valselijk opgemaakte akte van cessie te gebruiken in de op 18
april 2019 gesloten geldleningsovereenkomst.
5
hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Almere en/of Amsterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)personen, althans alleen, opzettelijk
een vordering van [bedrijf 2] BV op verdachte en/of [A] en het door
verdachte en/of [A] als schuldenaar gevestigde recht van eerste hypotheek
op de woning gelegen te [postcode] [plaats] , [adres] , kadastraal bekend gemeente
Bussum, sectie [letter] , nummer [nummer] aan het krachtens de wet, te weten door
gerechtsdeurwaarder (Michael Ronald Swier) op grond van door de
voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad d.d. 2 juli
2020 verleende verlof strekkende tot verhaal tot € 750.000,- daarop gelegd beslag of aan
een gerechtelijke bewaring heeft onttrokken, of wetende (lat het daaraan onttrokken
was, heeft verborgen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[bedrijf 2] BV op of omstreeks 3 juli 2020 te Almere en/of Amsterdam, althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)personen, althans alleen,
opzettelijk een vordering van [bedrijf 2] BV op verdachte en/of [A] en
het door verdachte en/of [A] als schuldenaar gevestigde recht van eerste
hypotheek op de woning gelegen te [postcode] [plaats] , [adres] , kadastraal
bekend gemeente Bussum, sectie [letter] , nummer [nummer] aan het krachtens de wet, te weten
door gerechtsdeunvaarder (Michael Ronald Swier) op grond van door de
voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad d.d. 2 juli
2020 verleende verlof strekkende tot verhaal tot € 750.000,- daarop gelegd beslag of aan
een gerechtelijke bewaring heeft onttrokken, of wetende dat het daaraan onttrokken
was, heeft verborgen tot het plegen van welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte
opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging
verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;
6
De Besloten Vennootschap [bedrijf 1] B.V. te Naarden, gemeente
Gooise Meren en/of Almere althans in Nederland, (als rechtspersoon) niet uiterlijk
binnen dertien maanden na afloop van het boekjaar 2020 en/of 2021 op de in artikel
394 lid 1 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven wijze de jaarrekening
van dat boekjaar openbaar heeft gemaakt, aangezien op of omstreeks 21 juli 2022
voormelde jaarrekening(en) nog niet openbaar was/waren gemaakt door
nederlegging van een volledig in de Nederlandse taal gesteld exemplaar, ten kantore
van het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel,
hebbende hij, verdachte, tot voornoemd(e) feit(en) opdracht gegeven, dan wel
feitelijk leiding gegeven aan voornoemde verboden gedraging(en);
7
De Besloten Vennootschap [bedrijf 2] B.V. te Muiden, gemeente Gooise
Meren en/of Almere althans in Nederland, (als rechtspersoon) niet uiterlijk binnen
dertien maanden na afloop van het boekjaar 2020 en/of 2021 op de in artikel 394 lid
1. Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven wijze de jaarrekening van dat
boekjaar openbaar heeft gemaakt, aangezien op of omstreeks 21 juli 2022
voormelde jaarrekening(en) nog niet openbaar was/waren gemaakt door
nederlegging van een volledig in de Nederlandse taal gesteld exemplaar, ten kantore
van het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel,
hebbende hij, verdachte, tot voornoemd(e) feit(en) opdracht gegeven, dan wel
feitelijk leiding gegeven aan voornoemde verboden gedraging(en).