RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] ,eisers
de burgemeester van de gemeente Zeist
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V., met de handelsnaam [handelsnaam] , uit [plaats] ( [handelsnaam] )
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3998
en
(gemachtigden: mr. M.W. Holtkamp en mr. M.P.K. Ahsmann).
(gemachtigde: mr. K. Gerritsen).
Procesverloop
7. De rechtbank oordeelt dat ook dit beroep van eisers niet-ontvankelijk is. Gelet op de locatie van [handelsnaam] ten opzichte van hun woonadres, zijn eisers namelijk geen belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de vergunningverlening. De rechtbank licht dat hierna toe.
8. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb staat dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de rechtbank naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
9. Eisers wonen hemelsbreed 163 meter van [handelsnaam] en over de weg is de afstand 270 meter. Tussen hun woning en de [horecagelegenheid] staat bebouwing. Eisers hebben dus geen zicht op de [horecagelegenheid] . Dat roept daarom de vraag op of zij zich voldoende onderscheiden van anderen. Zij hebben, ondanks dat de rechtbank daarnaar heeft gevraagd, niet uiteengezet welke feitelijke gevolgen zij ondervinden van de aanwezigheid van de [horecagelegenheid] . Volgens de burgemeester wonen zij niet in een straat die bekendstaat als aanfietsroute naar de [horecagelegenheid] . De andere belanghebbende heeft op de regiezitting gewezen op mogelijke drugsoverlast en hij heeft genoemd dat Bergervoet een geval van vernieling heeft gemeld. Daargelaten dat deze belanghebbende niet gemachtigd is om namens eisers op te treden, is deze overlast niet concreet toegelicht en ook niet zonder meer gerelateerd aan de aanwezigheid van [handelsnaam] in [plaats] . Dit is daarom onvoldoende om hierin een direct belang te zien voor eisers. De overlast die verder in het beroepschrift is verwoord, is de overlast die andere indieners van het beroepschrift, die in een andere straat wonen, van de [horecagelegenheid] stellen te ondervinden. Deze andere indieners hadden samen met eisers aanvankelijk beroep ingesteld tegen de vergunningverlening, maar zij hebben dat beroep ingetrokken. Eisers hebben de regiezitting niet bijgewoond en de mogelijke overlast ook niet verder toegelicht.
10. De rechtbank komt tot de conclusie dat eisers te ver weg wonen van de [horecagelegenheid] en dat niet is gebleken dat zij gevolgen van enige betekenis van de [horecagelegenheid] ondervinden. Zij kunnen daarom niet worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Hun beroep is om die reden niet-ontvankelijk.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.