RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/156558-24 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 maart 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (Kaapverdië),
wonende aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats] , hierna: verdachte.
1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 februari 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Kalsbeek en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Wortel, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
2. TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1, primair:
op 8 mei 2024 in Utrecht heeft geprobeerd [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
feit 1, subsidiair: op 8 mei 2024 in Utrecht [aangever] heeft mishandeld.
3. VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. WAARDERING VAN HET BEWIJS
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Door [aangever] (hierna: aangever) tijdens een gevecht, een ongecontroleerde situatie, met een scherpe snoeischaar te steken heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde, nu geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Gezien de verklaring van verdachte, de camerabeelden en het letsel van aangever, heeft verdachte enkel met de snoeischaar op de bovenarm van aangever gericht, en niet op zijn torso, nek of gelaat. Daarnaast heeft de (onafhankelijke) getuige [getuige] gezien dat verdachte de snoeischaar op enig moment weggooide. Dit is een duidelijk teken dat verdachte niks met de snoeischaar wilde doen en opzet ontbreekt dan ook.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
feit 1, primair:
Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:
Het klopt dat ik aangever op 8 mei 2024 met een snoeischaar heb gestoken en geraakt. Die snoeischaar zag er ongeveer uit als die op pagina 32 van het procesdossier.
Aangever heeft onder meer - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:
Ik werk bij [bedrijf] te Utrecht. Vandaag, 8 mei 2024, stonden [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) en ik naast het pand van [bedrijf] . Ik zag en voelde dat [verdachte] mij een paar keer stak met een mes. Ik zag dat [verdachte] met zijn hand steekbewegingen maakte. Op dat moment zag ik dat mijn onderarm hevig bloedde. In het ziekenhuis kwam de arts erachter dat ik nog twee keer ben gestoken.Een steekwond zit aan de binnenkant van mijn elleboog.
Ter terechtzitting heeft de rechtbank bij het bekijken van de bewegende camerabeelden vanuit de [bedrijf] in Utrecht onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende waargenomen:
Op de beelden is te zien dat verdachte (de man met het donkere shirt) zijn arm (meermaals) naar achteren brengt en vervolgens, met deze arm, zwaaiende stekende bewegingen maakt richting het bovenlichaam van aangever (de man met het lichte shirt), terwijl aangever op de grond ligt.
Bewijsoverweging
Om tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling te komen is vereist dat bij verdachte vol of voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanwezig is geweest. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg (in dit geval zwaar lichamelijk letsel) zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
Vast staat dat het op 8 mei 2024 in Utrecht tot een confrontatie is gekomen tussen verdachte en aangever. Uit de ter terechtzitting bekeken camerabeelden volgt dat verdachte, terwijl aangever op de grond lag en afwerende schoppende bewegingen maakte, meerdere keren met een voorwerp heeft gestoken in de richting van het bovenlichaam van aangever. Daarbij is de arm van aangever (meermaals) geraakt.
De rechtbank komt tot het oordeel dat er geen bewijs is voor vol opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Naar het oordeel van de rechtbank is wel sprake van voorwaardelijk opzet. Het wapen waarmee verdachte heeft gestoken betreft een kapotte snoeischaar. Op de zich in het dossier bevindende foto van de snoeischaar – waarvan verdachte ook heeft verklaard dat het door hem gebruikte wapen daarop leek – is te zien dat het ondermes van de snoeischaar gedeeltelijk is afgebroken, waardoor enkel het scherpe puntige bovenmes is overgebleven. Het is een feit van algemene bekendheid dat het steken met een metalen, scherp en puntig voorwerp, wat deze snoeischaar ondanks de beschadiging nog steeds was, in de richting van het bovenlichaam kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. De kans daarop is naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk. Het bovenlichaam is namelijk een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam, omdat zich daar belangrijke organen, (slag)aders, pezen, spieren en zenuwen bevinden. Bij aantasting daarvan kan operatief ingrijpen nodig zijn. Ook kunnen permanente beschadigingen en blijvend ontsierende littekens ontstaan. Die wetenschap mag bij eenieder - en dus ook bij verdachte - als bekend worden verondersteld. Door desondanks meerdere keren tijdens een gevecht, een dynamische situatie waarbij zowel verdachte als aangever blijkens het dossier in beweging waren, met snelheid én zonder rem (gelet op de eigen waarneming van de rechtbank op de camerabeelden) te steken met de snoeischaar richting het bovenlichaam van aangever, heeft verdachte daarom bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard. Dat verdachte nadien op enig moment de snoeischaar heeft weggegooid, doet niet af aan dit eerdere handelen.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van aangever.
5. BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
feit 1, primair:
op 8 mei 2024 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een snoeischaar meermalen in en in de richting van het bovenlichaam van die [aangever] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6. STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
feit 1, primair: poging tot zware mishandeling.
7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. OPLEGGING VAN STRAF
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie ziet geen aanleiding verdachte volgens het jeugdstrafrecht te berechten. Zij heeft gevorderd verdachte ter zake van het bewezen geachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de (bijzondere) voorwaarden zoals geadviseerd in het rapport van de Reclassering van 4 februari 2025, met uitzondering van het contactverbod met aangever en het locatieverbod voor de [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) in Utrecht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren, met aftrek van het voorarrest, op te leggen. In het voordeel van verdachte heeft de officier van justitie in haar strafeis rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het eigen aandeel van aangever bij het ontstaan van de confrontatie.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij het opleggen van een straf in het voordeel van verdachte rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden en het eigen aandeel van aangever bij de totstandkoming van de confrontatie. De raadsvrouw heeft in het kader van de persoonlijke omstandigheden aangevoerd dat verdachte first offender is en dat hij zich tijdens zijn schorsing uit voorlopige hechtenis goed aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden. Zo heeft verdachte na het incident geen contact met aangever gezocht of gehad. Daarnaast heeft verdachte op dit moment werk en een stageplek. Gelet op het voorgaande heeft de raadsvrouw verzocht verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De raadsvrouw vindt de eis van de officier van justitie passend, maar heeft wel bepleit deze te matigen nu slechts het subsidiair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Aard en ernst van het feit
Verdachte en aangever waren ten tijde van het bewezenverklaarde collega’s van elkaar bij [bedrijf] in Utrecht. De dag voor het incident was het restaurant niet goed afgesloten en de eigenaar heeft hier zijn onvrede over geuit in een Whatsappgroep. Aangever wees vervolgens verdachte aan als de schuldige, waarna er via Whatsapp ruzie is ontstaan tussen verdachte en aangever. Op 8 mei 2024 hebben zij bij de [bedrijf] de confrontatie met elkaar opgezocht, waarbij beiden hebben geslagen en geschopt. Op enig moment, nadat dit geweld een aantal seconden was opgehouden, heeft verdachte een snoeischaar, die hij naar eigen zeggen onderweg heeft gevonden en heeft meegenomen, uit zijn jaszak gehaald en aangever hiermee aangevallen. Aangever heeft daarop geprobeerd weg te rennen, maar is daarbij gevallen. Toen aangever op de grond lag en geen kant op kon, heeft verdachte stekende bewegingen richting het bovenlichaam van aangever gemaakt. Aangever heeft (onder andere) een forse wond van ongeveer 5 centimeter op zijn onderarm opgelopen, die in het ziekenhuis is gehecht. Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Dat aangever geen ernstiger lichamelijk letsel heeft opgelopen is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte te danken is. Ondanks het eigen aandeel van aangever bij het ontstaan van de confrontatie, moet het voor hem een beangstigende situatie zijn geweest om met een steekwapen te worden aangevallen. Daarnaast zorgen dit soort feiten, ook in bredere zin voor gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Dat geldt temeer als zij in het openbaar worden gepleegd. Verdachte heeft kennelijk niet bij deze gevolgen stilgestaan en voor zover hij daarbij wel heeft stilgestaan, zich daardoor niet laten weerhouden.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 januari 2025 op naam van de verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 4 februari 2025, opgesteld door de heer J.A.M. Schiks, reclasseringswerker. De reclassering benoemt dat veel leefgebieden van verdachte stabiel zijn. Zo heeft verdachte huisvesting, volgt hij een opleiding, loopt hij stage en beschikt hij over werk.
Uit het NIFP-consult komen aanwijzingen naar voren voor PTSS gerelateerde klachten. Ook zijn er aanwijzingen voor impulsief gedrag. Verdachte geeft de reclassering te kennen vaak eerst te doen en dan pas na te denken. Het psychosociaal functioneren van verdachte is dan ook een mogelijke risicofactor, maar door het ontbreken van een volledige NIFP-rapportage is het onduidelijk in hoeverre en op welke wijze dit invloed heeft gehad op het delictgedrag.
In de periode van de verdenking was ook sprake van problematisch middelengebruik. Zo dronk verdachte dagelijks alcohol, voornamelijk om zijn stress gerelateerde klachten te dempen. Onduidelijk is in hoeverre dit invloed heeft gehad op de verdenking.
De reclassering schat het risico op toekomstig geweld in als gemiddeld, waarbij zij het problematisch middelengebruik meewegen. Verdachte heeft, als gevolg van de verdenking, bij de reclassering (en ook ter terechtzitting) aangeven te zijn gestopt met het gebruik van middelen.
Gelet op de aard en ernst van de verdenking, de (vermoedelijke) PTSS-klachten, het middelengebruik (destijds) en de jonge leeftijd van verdachte acht de reclassering reclasseringsbegeleiding wenselijk en ambulante behandeling geïndiceerd. De reclassering adviseert dan ook een (deels) voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij Reclassering Nederland, ambulante behandeling door de Waag, een contactverbod met aangever, een locatieverbod voor de [bedrijf] in Utrecht en het meewerken aan middelencontrole.
Jeugdstrafrecht
Ten aanzien van de vraag of het volwassenenstrafrecht of het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte was ten tijde van de het bewezenverklaarde feit 18 jaar oud, en dus meerderjarig. In beginsel wordt ten aanzien van meerderjarige verdachten het volwassenenstrafrecht toegepast. De rechtbank kan op grond van artikel 77c Sr, indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, het jeugdstrafrecht toepassen, bij een verdachte die ouder is dan 18 jaar en niet ouder is dan 23 jaar.
Uit voornoemd reclasseringsadvies van 4 februari 2025 blijkt het volgende. Hoewel er, gelet op het soms impulsieve gedrag van verdachte en zijn ontvankelijkheid voor pedagogische beïnvloeding, enige indicaties zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht, ziet de reclassering hier onvoldoende noodzaak voor. De reclassering neemt hierbij de handelingsvaardigheden van verdachte in aanmerking. Verdachte organiseert zijn gedrag op meerdere vlakken zelfstandig. Zo volgt hij een opleiding, loopt hij stage en beschikt hij over werk. Daarnaast vertoont verdachte geen kinderlijker gedrag dan kan worden verwacht op basis van zijn kalenderleeftijd.
De rechtbank ziet op grond van de persoon van verdachte zoals daar ter terechtzitting van is gebleken, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en bovenstaande conclusie van de reclassering geen aanleiding af te wijken van voornoemd uitgangspunt. Bij de strafmaat wordt wel rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte.
De op te leggen straf
De aard en ernst van het feit en de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) rechtvaardigen de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In de persoon van verdachte ziet de rechtbank echter aanleiding een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf (met bijzondere voorwaarden) aan verdachte op te leggen. De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte erg jong was toen hij het ten laste gelegde feit pleegde. Daarbij komt dat verdachte op dit moment gemotiveerd is zijn leven te beteren en daarin ook lijkt te slagen. Zo heeft hij structurele dagbesteding in de vorm van stage en werk en is hij, naar eigen zeggen, gestopt met middelengebruik. Met het voorwaardelijke kader wordt niet alleen beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen, maar ook het mogelijk maken van reclasseringsbegeleiding en behandeling voor de vermoedelijke problematiek van verdachte. Om de ernst van het feit te benadrukken zal de rechtbank, naast een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist, een forse taakstraf aan verdachte opleggen, zodat hij (ook) op die manier de consequenties van zijn handelen ondervindt.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daaraan gekoppeld de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het contact- en locatieverbod, én een taakstraf voor de duur van 80 uren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Zoals benoemd zal de rechtbank geen contactverbod met aangever en locatieverbod voor de [bedrijf] in Utrecht opleggen. Dergelijke verboden acht de rechtbank uit oogpunt van recidivebeperking niet nodig. Verdachte werkt niet meer bij de [bedrijf] en hij heeft aangegeven geen contact te willen met aangever.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis, gelet op de straf die zij aan verdachte zal opleggen, opheffen.
9. BENADEELDE PARTIJ
[aangever] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 4.595,-. Dit bedrag bestaat uit € 595,- materiële schade en € 4.000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering benadeelde partij geheel niet-ontvankelijk te verklaren. Zowel de materiële als immateriële schadeposten zijn niet onderbouwd. Daarbij komt dat de aard en de ernst van de normschending niet met zich brengen dat geestelijk letsel kan worden verondersteld, zodat de benadeelde, zonder verdere onderbouwing, niet in aanmerking komt voor immateriële schadevergoeding.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij onvoldoende onderbouwd is en daarom geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij heeft om vergoeding van de volgende materiële schadeposten gevraagd: ‘een telefoon’ (€ 180,-), ‘eigen risico ambulance’ (385,-), ‘medicijnkosten’ (€ 30,-) en ‘een (nog) onbekend bedrag aan ziekenhuiskosten’. De rechtbank is van oordeel dat deze schadeposten onvoldoende onderbouwd zijn, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard zal worden. De benadeelde kan zijn vordering in zoverre aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Niet-ontvankelijkheid
Op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek kan een vergoeding worden toegekend indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als de benadeelde geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens het oplopen van psychische klachten ten gevolge van het bewezenverklaarde feit; dus omdat hij ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast.’ Benadeelde heeft gesteld na het incident angst te ervaren om naar buiten te gaan en met mensen te communiceren, waardoor hij niet meer kan werken.
De benadeelde partij heeft echter geen gegevens overgelegd op grond waarvan objectief kan worden vastgesteld dat er sprake is van geestelijk letsel. Ook heeft hij de gevolgen van de normschending voor hem met onvoldoende concrete gegevens onderbouwd. De rechtbank overweegt tot slot dat de aard en de ernst van de normschending in de huidige zaak niet met zich brengen dat de nadelige (psychische) gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. Van een dergelijke uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is geen sprake.
De rechtbank heeft overwogen of in de vordering kan worden ‘ingelezen’ dat daar ook mee bedoeld was vergoeding van schade wegens het oplopen van lichamelijk letsel. Dat is niet het geval. Benadeelde heeft niet artikel 6:106 lid 1 sub b BW als grondslag genoemd, en bij de toelichting juist tussen haakjes toegevoegd ‘psychologisch trauma’. Omdat de rechtbank de grondslag voor de vordering niet ruimer kan zien dan gevorderd, en zoals hierboven toegelicht er onvoldoende onderbouwing is voor het geestelijk letsel bepaalt de rechtbank dat de benadeelde partij ook voor zijn vordering voor immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk is en deze in zoverre aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.
Schadevergoedingsmaatregel
Hoewel de benadeelde niet artikel 6:106 lid 1 sub BW als grondslag heeft genoemd, en ook anderszins niet is gebleken dat benadeelde vergoeding vordert wegens het opgelopen letsel, heeft benadeelde wel recht op vergoeding van schade wegens het opgelopen letsel. Uit het dossier blijkt immers dat de benadeelde na het geweldsincident door een arts in het ziekenhuis is onderzocht, waarbij de volgende verwondingen zijn vastgesteld: een snijverwonding op de onderarm van ongeveer 5 centimeter en twee kleine laceraties (snijwonden) op de bovenarm. De rechtbank stelt de schade als gevolg van het lichamelijk letsel naar billijkheid vast op € 500,-. Daarom zal de rechtbank voor het fysieke letsel ten behoeve van de benadeelde ambtshalve aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2024 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 10 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
Proceskosten
Hoewel benadeelde in zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, is wel vastgesteld dat hij schade heeft geleden. Verdachte zal daarom ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
10. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
11. BESLISSING
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis;
Benadeelde partij [aangever]
Voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mrs. G. Schnitzler en T.M. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 maart 2025.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 8 mei 2024 te Utrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een snoeischaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in/tegen/in de richting van bovenlichaam van die [aangever] heeft gestoken en/of geprikt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 8 mei 2024 te Utrecht, in elk geval in Nederland, [aangever] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal,- tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam, van die [aangever] te slaan,- tegen het (onder)lichaam van die [aangever] heeft geschopt, en/of- met een snoeischaar, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/tegen/in de richting van het (boven)lichaam van die [aangever] te steken en/of te prikkenen/of te slaan.