ECLI:NL:RBMNE:2025:8038

ECLI:NL:RBMNE:2025:8038

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 09-07-2025
Datum publicatie 29-10-2026
Zaaknummer UTR 24/5979 en UTR 24/6007
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Tweede BNT UHT bezwaar tegen twee beschikkingen gegrond

Uitspraak

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.N. van der Ham),

en

Dienst Toeslagen, verweerder(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 28 februari 2023 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag ( [nummer 1] ) en de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/ grove schuld ( [nummer 2] ).

Bij uitspraak van 5 maart 2024 heeft deze rechtbank een eerder beroep tegen het niet tijdig beslissen van eiser gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op bezwaar te nemen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. De rechtbank heeft in de uitspraak van 5 maart 2024 (UTR 23/3918 en UTR 24/1194) een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.

2. De rechtbank stelt vast dat deze termijn op 16 april 2024 is verstreken. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op de bezwaren van eiser.

3. De beroepen zijn daarom gegrond.Verweerder moet alsnog een besluit nemen

4. Omdat verweerder nog geen (nieuwe) besluiten heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.

5. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wettelijke beslistermijn te kort is om een besluit te nemen. Over de vraag welke beslistermijn wel realistisch is, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 26 maart 2025 uitspraak gedaan. De Afdeling heeft geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar een nadere beslistermijn van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. In geval ten tijde van de uitspraak al zestig weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. De rechtbank sluit zich volledig aan bij dit oordeel van de Afdeling en hoe zij hiertoe is gekomen. Voor de overwegingen verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling.

6. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Verweerder heeft op 13 december 2022 de definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag genomen en op 29 december 2022 de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/ grove schuld (O/GS). Het bezwaarschrift van eiser tegen deze twee besluiten is door verweerder ontvangen op 28 februari 2023. De beslistermijn om op deze bezwaren te beslissen is aangevangen op 28 februari 2023 en verliep op 4 juli 2023. Sindsdien zijn meer dan 60 weken verstreken. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de bezwaren bekend moet maken.

7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn volgens het beleid van de rechtspraak het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken. De rechtbank volgt op dit punt dus niet het bedrag van € 250,- met een maximum van € 37.500,-, zoals in de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 is voorgesteld, omdat de rechtbank van oordeel is dat het hiervoor genoemde beleid daar niet toe noopt. Bij verweerder is geen sprake van weigerachtigheid, maar kort gezegd een ernstig tekort aan menskracht. Ook het belang van eiser, het verkrijgen van beslissingen, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hogere dwangsom niet. Een sterkere prikkel is daarom niet nodig.

Proceskosten en griffierecht

8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50. De rechtbank beschouwt de beroepen als één zaak op grond van artikel 3 van het Bpb. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken.

9. In deze zaken heeft de griffier ten onrechte twee keer griffierecht geheven. De griffier zal het teveel betaalde griffierecht in de zaak UTR 24/6007 aan eiser terugbetalen. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het (overige) door eiser in de zaak UTR 24/5979 betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het, met besluiten gelijk te stellen, niet tijdig nemen van besluiten;

- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak besluiten op bezwaar bekend te maken;- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- in de zaak UTR 24/5979 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Eversteijn

Griffier

  • mr. M.E.C. Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand