ECLI:NL:RBMNE:2026:1021

ECLI:NL:RBMNE:2026:1021

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 17-03-2026
Zaaknummer 16/219505.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor medeplegen van het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing bij een woning, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Verdachten hebben een Cobra met een petfles met ontbrandbare vloeistof voor de deur van een woning tot ontploffing gebracht. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 109 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met bijzondere voorwaarden, en een werkstraf van 100 uur. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/219505-25; 16/125868-23 (vord. tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,

wonende aan het [adres 1] , [postcode] in [plaats] ,

(hierna: [verdachte] ).

1. Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 3 maart 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:

op 15 mei 2025 in Almere, samen met een ander, een explosie heeft veroorzaakt bij een woning, door een Cobra met een fles met brandbare vloeistof bij de voordeur van die woning te plaatsen en aan te steken, waarbij gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten was.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Wat vindt de officier van justitie?

De officier van justitie vindt dat kan worden bewezen dat [verdachte] het feit heeft gepleegd.

Wat vindt de advocaat?

De advocaat vraagt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

Wat vindt de rechtbank?

Bewijsmiddelen

De rechtbank vindt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Bewijsoverwegingen

3.3.2.1. Is [verdachte] de tweede persoon op de camerabeelden?

Op 15 mei 2025 heeft er een explosie plaatsgevonden bij de woning aan het [adres 2] te [plaats] . Op camerabeelden is te zien dat er door twee personen een voorwerp voor de voordeur wordt gelegd en wordt aangestoken, waarna het voorwerp begint te roken en er vervolgens een explosie plaatsvindt. Uit forensische onderzoek blijkt dat dit voorwerp een combinatie van een petfles met ontbrandbare vloeistof en een Cobra was, een zogenaamde Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC).

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij één van de personen is die op de camerabeelden is te zien. [medeverdachte] heeft ook verklaard dat hij op de dag van de explosie werd gebeld door de persoon met wie hij de VBC tot ontploffing heeft gebracht. Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte] blijkt dat hij kort voor de explosie telefonisch contact heeft gehad met het telefoonnummer van [verdachte] en dat er voor de overval geen gesprekken werden gevoerd van of naar een ander telefoonnummer dan het telefoonnummer van [verdachte] . Verder blijkt uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [verdachte] dat zijn telefoon vlak voor de explosie de zendmast aan het [adres 3] te [plaats] aanstraalde.

[verdachte] ontkent betrokken te zijn geweest bij de explosie. Hij heeft verklaard dat hij rond het tijdstip van de explosie in de buurt kan zijn geweest van het [straat 1] omdat hij die avond met zijn moeder eten ging halen. Volgens de advocaat is het goed mogelijk dat de telefoon van [verdachte] rond die tijd contact heeft gehad met de zendmast aan het [straat 1] omdat hij toen in de auto voor een stoplicht in de buurt stond. Daar komt volgens de advocaat bij dat zendmastgegevens niets zeggen over de exacte locatie van de telefoon van [verdachte] .

Over het contact met [medeverdachte] heeft [verdachte] wisselende verklaringen afgelegd. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij [medeverdachte] lang niet heeft gesproken. Hij en [medeverdachte] zouden een gezamenlijke vriend hebben, die [medeverdachte] weleens belde met de telefoon van [verdachte] . Dat zou volgens hem het contact tussen de telefoons op 15 mei 2025 kunnen verklaren. [verdachte] wil niet zeggen wie die gezamenlijk vriend is. Bij de rechter-commissaris heeft [verdachte] verklaard dat het zou kunnen dat hij telefonische contact heeft gehad met [medeverdachte] op 15 mei 2025. Op de zitting van 3 maart heeft hij verklaard dat hij [medeverdachte] niet heeft gebeld maar dat het wel kan zijn dat hij contact met hem heeft gehad.

De rechtbank vindt de verklaring van [verdachte] niet geloofwaardig. [verdachte] heeft zijn verklaring niet genoeg concreet gemaakt en zijn verklaring is (mede daarom) niet te controleren. Verder zijn er in het dossier geen aanknopingspunten te vinden die de verklaring van [verdachte] ondersteunen. De rechtbank gaat daarom niet mee in zijn verklaring en gaat er van uit dat [verdachte] de tweede persoon is die op de camerabeelden is te zien. Dat maakt dat de rechtbank bewezen vindt dat [verdachte] het feit waarvan hij wordt beschuldigd heeft gepleegd.

3.3.2.2. Levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank vindt bewezen dat er bij de explosie gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aanwezige personen te duchten was. De VBC is tot ontploffing gebracht bij de voordeur van de woning. Op het tijdstip van de explosie waren er meerdere personen in de woning aanwezig. Als iemand de deur had geopend op het moment dat het explosief afging dan had dit grote gevolgen kunnen hebben voor diegene. Hierbij treden gevaren op die samenhangen met het vuurwerk zelf, zoals gevaar voor gehoorbeschadiging en het gevaar dat ontstaat rondslingerende delen van het vuurwerk en door objecten die door het vuurwerk worden rondgeslingerd. Daarnaast bestaat het gevaar dat samenhangt met de ontbrandbare vloeistof, waarbij in zeer korte tijd binnen een straal van enkele meters brandend materiaal kan worden verspreid, met gevaar voor letsel. Ten slotte bestaat het gevaar dat de er brand wordt veroorzaakt in de woning, wat naar algemene ervaringsregels kan leiden tot levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de personen die aanwezig zijn in de woning.

Op grond van algemene ervaringsregels moet het voor [verdachte] en [medeverdachte] voorzienbaar zijn geweest dat door hun handelen levensgevaar voor de bewoners van de woning te duchten was.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :

op 15 mei 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning, gelegen aan het [adres 2] , door een Cobra, tezamen met een petfles met ontbrandbare vloeistof, zijnde een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bij de voordeur van die woning te plaatsen en aan te steken en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en omliggende woningen en goederen in d(i)e woning(en) en in de directe omgeving van die woning en

- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten aanwezige personen in die woning en omliggende woningen en passerende personen,

te duchten was.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid feit en [verdachte]

Het feit en [verdachte] zijn strafbaar.

5. Straf

Wat vindt de officier van justitie?

De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:

een jeugddetentie van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 140 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerd;

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 100 uur.

Wat vindt de advocaat?

De advocaat vraagt de rechtbank bij het bepalen van een op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en het advies van de Raad en hem een onvoorwaardelijke jeugddetentie, gelijk aan het voorarrest, en een voorwaardelijke jeugddetentie, met de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd, op te leggen.

Wat vindt de rechtbank?

De rechtbank legt aan [verdachte] een jeugddetentie van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 109 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd, en een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 100 uur op.

Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder [verdachte] dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

[verdachte] heeft samen met een ander een explosie veroorzaakt bij de voordeur van een woning waar kwetsbare jongeren begeleid wonen. Hij deed dit met een combinatie van een Cobra en een fles met ontbrandbare vloeistof. Het is niet bekend geworden wat de reden is geweest van het plaatsen van het explosief. Dit is een zeer ernstig feit dat een groot gevaar veroorzaakt voor anderen. Ook leidt dit tot enorme angst bij de bewoners van de woning en de directe omgeving. [verdachte] mag van geluk spreken dat het niet erger is afgelopen aangezien er op het moment van de explosie ook bewoners aanwezig waren in de woning. Omdat [verdachte] het feit heeft ontkend is niet duidelijk geworden waarom hij dit heeft gedaan. De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat [verdachte] het feit heeft gepleegd en daarbij niet heeft nagedacht over de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers en omwonenden. Daarnaast zijn dit soort feiten in toenemende mate een probleem in de samenleving. Dit leidt tot onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving als geheel. [verdachte] heeft hier met zijn handelen aan bijgedragen.

Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van [verdachte] waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten als het feit in deze strafzaak.

De rechtbank heeft ook gekeken naar:

een rapport van de Raad van 24 februari 2026, opgemaakt door een raadsonderzoeker;

rapport van Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: SAVE) van 24 februari 2026, opgemaakt door een jeugdreclasseerder.

De Raad heeft opgeschreven dat er veel factoren in het leven van [verdachte] zijn die het risico op herhaling beperken. Hij woont bij zijn moeder, gaat naar school, heeft werk en sport meerdere keren per week. Daarnaast houdt hij zich aan de afspraken in het kader van het jeugdreclasseringstoezicht. Tegelijkertijd maakt de Raad zich zorgen over het niet nemen van verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Als [verdachte] zijn antisociaal gedrag niet erkent, vergroot dit de kans dat hij niet genoeg leert van zijn keuzes en gedrag. Dit kan de kans op herhaling in de toekomst vergroten. De Raad vindt het belangrijk dat er wordt geprobeerd om zijn inzicht, verantwoordelijkheid en morele ontwikkeling te vergroten. Daarvoor kan behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling worden ingezet. Hiermee kan [verdachte] ondersteund worden bij het nemen van verantwoordelijkheid, het maken van een delictanalyse en het inzichtelijk maken van de gevolgen van zijn handelen. Hierbij is jeugdreclasseringstoezicht noodzakelijk.

De Raad adviseert de rechtbank om [verdachte] een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, op te leggen, met als bijzondere voorwaarden, kort gezegd:

meewerken aan behandeling bij De Waag;

het hebben van een zinvolle dagbesteding;

een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachte.

SAVE heeft opgeschreven dat [verdachte] zich de afgelopen maanden aan afspraken houdt en dat het risico op herhaling wordt ingeschat op laag, zolang hij de structuur die hij heeft en het jeugdreclasseringstoezicht blijft houden. [verdachte] laat zien dat hij zijn leven op orde probeert te houden en dat het hem op dit moment lukt.

De ontkennende houding van [verdachte] roept vragen op over zijn inzicht in eigen handelen en het nemen van verantwoordelijkheid. Het is volgens de SAVE belangrijk om te onderzoeken of er sprake is van onderliggende problematiek, bijvoorbeeld op het gebied van emotieregulatie, impulscontrole of moreel redeneren. Behandeling kan dan bijdragen aan het voorkomen van herhaling en het verder versterken van de positieve lijn die nu te zien is.

SAVE schat het risico op herhaling in als laag en adviseert de rechtbank om [verdachte] een onvoorwaardelijke werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met als bijzonder voorwaarde – kort gezegd – meewerken aan diagnostiek en behandeling.

Strafkader

Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor jeugdigen voor brandstichting met aanzienlijke schade gevaarzetting/gevaar voor personen is een onvoorwaardelijke jeugddetentie.

Het bewezen verklaarde feit is een ernstig feit. Daarom is een jeugddetentie passend. De rechtbank heeft gelezen en gehoord dat [verdachte] zich tijdens het schorsingstoezicht aan de afspraken heeft gehouden. Hij heeft zijn leven op de rit gekregen en wil dit zo houden. De rechtbank vindt het daarom niet passend om [verdachte] terug naar de jeugdgevangenis te sturen. Tegelijkertijd heeft [verdachte] geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Dit is kwalijk. Daarom zal de rechtbank het advies van de Raad en de jeugdreclassering volgen en een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan het voorarrest.

Dit alles betekent dat de rechtbank aan [verdachte] een jeugddetentie van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 109 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd, en een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 100 uur oplegt.

De rechtbank wijkt af van het standpunt van de advocaat over de strafmaat, omdat de rechtbank vindt dat het feit dat [verdachte] heeft gepleegd zo ernstig is dat (naast het voorarrest) niet kan worden volstaan met een volledig voorwaardelijke straf.

6. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij(en)

Stichting [naam] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De stichting vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 11.383,25, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend.. Zij vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.500,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Wat vindt de officier van justitie?

De officier van justitie vindt dat beide vorderingen gedeeltelijk moeten worden toegewezen. De vordering namens de stichting moet worden toegewezen tot een bedrag van € 6.487,70. De vordering van benadeelde partij [aangever] zelf moet worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00.

Wat vindt de advocaat?

De advocaat vindt primair dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen aangezien zij heeft gevraagd om verdachte vrij te spreken van het feit waarvoor [verdachte] wordt beschuldigd. Subsidiair vindt de advocaat dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen of gematigd moeten worden omdat de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd.

Wat vindt de rechtbank?

De vordering van Stichting [naam]

De rechtbank vindt het voorstelbaar dat bewoners van een woning waar kennelijk een aanslag door middel van een explosie heeft plaatsgevonden tijdelijk niet in die woning kunnen verblijven. Het gedeelte van de vordering van Stichting [naam] dat ziet op het tijdelijke verblijf op een vakantiepark ( [locatie] ’) ter hoogte van € 373,88 is dan ook voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering is door de advocaat van [verdachte] betwist. Het is niet duidelijk of de gestelde schadeposten allemaal rechtstreekse schade betreffen en of deze kosten (of een deel daarvan) ook gemaakt waren als de bewoners in de woning waren gebleven. Er is binnen deze strafprocedure geen gelegenheid meer om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Hoofdelijkheid

Omdat [verdachte] het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen. Om te voorkomen dat dit leidt tot problemen in verband met het opgelegde contactverbod tussen [verdachte] en zijn mededader, zal de rechtbank bij het contactverbod een uitzondering opnemen voor zover contact moet plaats moet vinden over de onderlinge verdeling van de schadevergoeding door (professionele) derden.

Wettelijke rente en (proces)kosten

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 15 mei 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.

De rechtbank zal [verdachte] ook veroordelen in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt dat de schadevergoedingsmaatregel voor enkel het deel waar [verdachte] verantwoordelijk voor is (dus de helft van het toegewezen bedrag) geldt. [verdachte] moet daarom een bedrag van € 186,94 aan de Staat betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.

Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gezien de jonge leeftijd van [verdachte] vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt daarom dat geen gijzeling zal worden toegepast.

[verdachte] mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

De vordering van [aangever]

De rechtbank begrijpt dat het strafbare feit een grote impact heeft gehad op de benadeelde partij, zeker gelet op haar rol als leidinggevende bij de stichting die verantwoordelijk is voor de bewoners. Om echter in aanmerking te komen voor immateriële schadevergoeding moet er ofwel sprake zijn van objectief vastgesteld geestelijk letsel of er moet sprake zijn van een zo ernstig feit dat dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor het slachtoffer zó voor de hand liggen, dat (reeds daarom) ook zonder onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon (bijvoorbeeld verkrachting of een inbraak met geweld bij iemand thuis). Voor beide gevallen is de vordering onvoldoende onderbouwd.

advocaat heeft de vordering tot schadevergoeding van [aangever] betwist. Gelet op deze betwisting is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid omEr is binnen deze strafprocedure geen ruimte meer om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. . De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering omdat nadere onderbouwing van de vordering leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. Daarom moeten beide partijen hun eigen kosten betalen.

7. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

Voorwaardelijke straf

De kinderrechter in Lelystad heeft aan [verdachte] in de zaak met parketnummer 16/125868-23 op 5 oktober 2023 onder meer een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 45 uur voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.

Wat vindt de officier van justitie?

De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan [verdachte] opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft [verdachte] zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.

Wat vindt de advocaat?

De advocaat vraagt de rechtbank primair de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Subsidiair laat zij de beslissing over de vordering tot tenuitvoerlegging aan de rechtbank over.

Wat vindt de rechtbank?

De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf toe. [verdachte] heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.

8. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat [verdachte] het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid [verdachte]

- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 109 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast;

- als voorwaarden gelden dat [verdachte] :

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

o met uitzondering van het contact dat door (professionele) derden moet plaatsvinden over de eventuele onderlinge verdeling van de schadevergoeding te betalen aan Stichting [naam] ;

o zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

* zal meewerken aan behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling;

* naar school zal gaan en zich zal houden aan afspraken rondom school;

* zal meewerken aan het organiseren en behouden van een zinvolle vrijetijdsbesteding in de vorm van sport en/of werk;

* zal meewerken aan begeleiding, indien de jeugdreclassering dit nodig acht;

- waarbij de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 100 uur;

- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 jeugddetentie;

benadeelde partij Stichting [naam]

- wijst de vordering van Stichting [naam] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 373,88;

- veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan Stichting [naam] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart Stichting [naam] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van Stichting [naam] aan de Staat € 186,94 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, waarbij gijzeling in verband met de jeugdige leeftijd van [verdachte] achterwege blijft;

- bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

benadeelde partij [aangever]

- verklaart [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en [verdachte] , in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/125868-23

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 5 oktober 2023 opgelegde voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 45 uren;

voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. van Meer, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. N.P.J. Janssens en T. van Haaren-Paulus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.S.A. Nahumury als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

De voorzitter en de oudste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 mei 2025 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een woning, gelegen aan het [adres 2] , door een cobra, althans knalvuurwerk, tezamen met een (pet)fles met ontbrandbare vloeistof, zijnde een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), althans een explosief en/of een brandbare stof, bij de voordeur van die woning te plaatsen en aan te steken en/of tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en/of omliggende woningen en/of een of meer goederen in d(i)e woning(en) en/of in de directe omgeving van die woning en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten aanwezige personen in die woning en/of omliggende woningen en/of passerende personen,

te duchten was.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 15 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 15 mei 2025 om 20:00 uur werd ik gebeld door mijn collega [A] die dienst had. [A] gaf aan dat ik moest komen omdat er een bom was ontploft en dat de gevel er uit lag.

Op 15 mei 2025 kwam bij de woning op het [adres 2] te [plaats] .

Ik zag later op de camerabeelden dat er twee jongens aan kwamen lopen vanuit de oplopende nummers. De ene jongen gaf iets aan de ander. De jongen zette wat bij de deur neer terwijl de andere jongen al weg rende. Ik zag dat de andere jongen ook wegrende. Ik zag enkele seconden later enorm veel vuur voor de woning.

Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] , opgemaakt op 16 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: Was jij met de persoon die het vuurwerk had afgestoken?

A: Ja.

V: Hoe ben je met deze persoon samen gekomen?

A: Hij belde mij.

Een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, opgemaakt op 17 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 15 mei 2025 kwam ik, naar aanleiding van een brandstichting, voor forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] , [postcode] [plaats] .

Interpretatie van bevindingen

Aangetroffen werd een brandbeeld welke bevestigd dat de explosie direct voor de voordeur van perceel [adres 2] heeft plaatsgevonden waarna er een brand aan de deur en deurkozijn was ontstaan. Er werden restanten van een Super Cobra 6, tape, petfles en ontbrandbare vloeistof aangetroffen en veilig gesteld. Bij het veroorzaken van de explosie is gebruik gemaakt van een VBC.

Samenvatting

GEVAARZETTING:

Het ontsteken van een knalvuurwerk is onomkeerbaar en afhankelijk van het gebruikte type/soort zal deze tussen de 3 en 30 seconden tot ontploffing komen en daarbij schade en gevaar veroorzaken.

In onderhavige casus is er gemeen gevaar aan goederen ontstaan. De deur, deurkozijn en trottoir liepen brand- & explosieschade op.

Gezien het tijdstip van ontsteken (omstreeks 20:00 uur) is de mogelijkheid tot (levens)gevaar voor personen niet uit te sluiten. Op elk moment had iemand naar de woning toe kunnen komen of erger de woning kunnen verlaten, onbewust van het aanwezige gevaar.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 18 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 15 mei 2025 omstreeks 20:00 uur vond er een explosie plaats aan het [adres 2] te [plaats] .

Ik, verbalisant, heb de camerabeelden bekeken. Op de camerabeelden was te zien dat twee verdachten zich samen ophielden rondom het woonblok van het [adres 2] waar later een explosie plaats vond. Op de beelden was te zien dat verdachte 1 een aansteker overdroeg aan verdachte 2. Op de beelden was te zien dat verdachte 1 uit de tas van verdachte 2 een voorwerp haalde wat leek op een petfles. Op de beelden was te zien dat verdachte 1 het voorwerp voor een van de woningen plaatste. Op de beelden was te zien dat verdachte 2 vervolgens voorover boog richting het voorwerp waarna het voorwerp begon te roken. Op de beelden is te zien dat er een explosie bij de gevel van de woning plaatsvond waarbij een enorme steekvlam zich ontwikkelde welke daarna doofde en er een kleine brand over bleef.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op bevel van de Officier van Justitie werden de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer] , welke in gebruik is bij verdachte [medeverdachte] , gevorderd over de periode van 08-05-2025 te 00:00 uur tot en met 16-05-2025 te 09:30 uur.

Uit de historische verkeersgegevens bleek het volgende:

Op 15 mei 2025 kort voor de explosie en de dagen ervoor, vanaf begin gevorderde periode, zag ik dat er veelvuldig telefonisch contact was geweest met het telefoonnummer [telefoonnummer] .

Er werden op 15 mei 2025 voor de overval geen gesprekken gevoerd van of naar een ander telefoonnummer dan genoemde telefoonnummer [telefoonnummer] .

Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op bevel van de Officier van Justitie werden de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer] gevorderd over de periode van 14-5-2025 tot en 15-05-2025.

Uit de historische verkeersgegevens bleek het volgende:

Ik zag dat het telefoonnummer omstreeks 19:48:52 uur een zendmast gebruikt aan het [adres 3] te [plaats] . Op het tijdstip 19:49:07 kort voor het incident wordt er telefonisch contact gelegd met een telefoonnummer waarbij geen startpaal wordt weergegeven in de gegevens van de provider. Echter het verschil in tijd betreft 15 seconden. Het vermoeden is dat de telefoon nog altijd in de omgeving is van het plaats delict.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Uit de gegevens van de historische verkeersgegevens blijkt dat verdachte [verdachte] op 15 mei 2025 meerdere keren wordt gebeld door [medeverdachte] .

Daarbij is te zien dat de mobiele telefoon in de avonduren vanaf 19:05 uur aanstraalt op de Zadkinestraat, vervolgens op het Westeinde. Dit zijn de gesprekken tussen [medeverdachte] en [verdachte] . Verdachte [verdachte] wordt hier gebeld door [medeverdachte] .

Verdachte [verdachte] werd op 15 mei 2025 te 19:48 uur door een ander telefoonnummer gebeld namelijk [telefoonnummer] . De mobiele telefoon bevond zich toen op de [straat 2] te Almere.

De verklaring van [verdachte] op de zitting van 3 maart 2026, zakelijk weergegeven:

U vraagt mij of het klopt dat ik het telefoonnummer [telefoonnummer] gebruik. Dat klopt.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?