RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.028398-25 (P)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1999] te [geboorteplaats] (Syrië),zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,laatst opgegeven woon- of verblijfadres: [adres] , [woonplaats] ,gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van
27 februari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 14 januari 2025 in Huizen samen met een of meer anderen of alleen een gewapende overval heeft gepleegd op de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , waarbij een telefoon van [slachtoffer 2] is gestolen en gebruik is gemaakt van (bedreiging met) geweld door die woning ’s nachts te betreden, een hand op de mond van die [naam] ’s te leggen en hen te sommeren stil te zijn en aan [slachtoffer 1] een vuurwapen te tonen en hem te slaan/stompen;
feit 2
op 13 januari 2025 in Huizen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met de dood.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2. Hij heeft daartoe (kort gezegd) het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van feit 1 is geen bewijs aanwezig voor het stelen van de telefoon en evenmin voor een gezamenlijk plan, een gezamenlijke uitvoering en het oogmerk om een dergelijke diefstal te plegen. Ook voor de ten laste gelegde uitvoeringshandelingen zijn er geen bewijsmiddelen. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] passen in de TikTok wereld waarin deze mensen zich bevinden, maar zijn niet reëel.
De in feit 2 omschreven bedreigingen zijn geuit tijdens een ruzie op TikTok. TikTok is bedoeld voor jongeren en op TikTok worden geen serieuze mededelingen gedaan. De uitingen van de verdachte moeten niet als serieus worden beschouwd en de verdachte heeft zich dan ook niet schuldig gemaakt aan een strafbare doodsbedreiging.
De verdachte heeft verklaard dat hij op verzoek van aangever [slachtoffer 1] naar de woning van aangever is gekomen om een geschil uit te praten. De verdachte heeft verklaard dat hij voor de woning een plastic wapen zag, dat hij daar even mee heeft gespeeld en het daarna heeft weggegooid. Nadat hij de deur van de woning had geopend, werd hij direct door de aangever de woning ingetrokken en aangevallen, waarna de verdachte zich heeft teruggetrokken en is weggegaan.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feiten 1 en 2
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen feit 2
De rechtbank gaat eerst in op de tenlastegelegde bedreiging, omdat deze aan de woningoverval vooraf zou zijn gegaan.
Gebruik van het sociale media platform TikTok
Anders dan de advocaat heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat op TikTok, net als op andere social media, wel degelijk strafbare bedreigingen kunnen worden geuit. De rechtbank verwerpt het verweer dat bedreigingen op TikTok niet mogelijk zijn vanwege de aard van dit medium.
Bedreigingen serieus te nemen?
Voor een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde op de hoogte is geraakt van de bedreiging, dat de bedreiging van dien aard is en onder zulke omstandigheden is gedaan dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en dat er sprake was van opzet op de bedreiging.
De rechtbank oordeelt dat aan deze vereisten is voldaan en verwerpt het verweer dat de bedreigingen niet serieus waren te nemen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De verdachte heeft zich tijdens een livestream op TikTok rechtstreeks tot aangever [slachtoffer 1] gericht. De verdachte wist dat [slachtoffer 1] op dat moment deze livestream volgde. Gelet op de door de verdachte gebruikte bewoordingen - onder meer dat hij aangever ooit gaat pakken en neersteken, dat hij weet waar aangever in [woonplaats] woont en dat hij ooit naar het huis van aangever zal komen - moet de verdachte hebben beseft dat aangever deze boodschap serieus zou nemen en dat bij aangever de vrees kon ontstaan dat de verdachte daadwerkelijk uitvoering zou geven aan zijn bedreigingen.
Bewijsoverwegingen feit 1
Betrouwbaarheid verklaringen aangevers
De rechtbank overweegt dat de beide aangevers (tevens slachtoffers) [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] direct na de overval verklaringen hebben afgelegd en dat hun verklaringen op belangrijke punten overeenkomen. Ook in de nadien van hen afgenomen verhoren hebben zij in de kern consistent en gelijkluidend over de overval verklaard. Bovendien vinden deze verklaringen steun in de andere bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage II van dit vonnis. De rechtbank vindt de verklaringen van beide aangevers betrouwbaar en geloofwaardig en gebruikt deze voor het bewijs.
Bewijs voor overval en verklaring van de verdachte
De verdachte heeft bekend dat hij op TikTok de hiervoor besproken uitingen richting aangever heeft gedaan. De verdachte heeft ook bekend dat hij in de nacht die daarop volgde bij de woning van aangever was en de voordeur met een sleutel heeft geopend. De rechtbank gaat uit van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dat er meerdere mannen in de woning waren. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij is geslagen en met een wapen is bedreigd. Zijn letsel wordt ondersteund door de bevindingen van verbalisanten, die beschrijven (en onderbouwen met foto’s) dat zij letsel in de hals, het gezicht, het scheenbeen, de borst en tenen van aangever hebben gezien. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat haar telefoon is gestolen. De politie heeft onderdelen van een nepwapen buiten voor de woning en in de woning aangetroffen.
De rechtbank vindt het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dat hij ’s nachts naar het huis van aangever ging om een ruzie uit te praten, een nepwapen zag liggen, daar even mee heeft gespeeld en weggegooid, vervolgens door de verdachte werd uitgenodigd om de deur open te maken met een sleutel die al in het slot zat en daarna zelf door de verdachte is aangevallen niet geloofwaardig. De rechtbank gaat ervan uit dat de bedreigingen die de verdachte via TikTok heeft gedaan de opmaat waren voor de diefstal met (bedreiging met) geweld die de verdachte vervolgens samen met anderen daadwerkelijk heeft uitgevoerd, waarbij een nepwapen is gebruikt.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 14 januari 2025 te Huizen tezamen en in vereniging met anderen een telefoon die aan
[slachtoffer 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - de woning van die [naam] 's in de nachtelijke uren te betreden en - een hand op de mond van die [naam] 's te leggen en die [naam] 's te sommeren stil te zijn en - aan die [slachtoffer 1] een vuurwapen te tonen en - die [slachtoffer 1] met gebalde vuist op het gezicht, althans het lichaam te slaan/stompen;
feit 2 op 13 januari 2025 te Huizen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen “laat me a.u.b. je ooit pakken, en ik zweer op god dat ik ooit naar je huis ga komen en jou ga neersteken tijdens de aanwezigheid van de andere mensen” en “er komt sowieso een dag en dat ik je ooit ga pakken/aantreffen ... ik weet waar je woont gewoon, je huis is te vinden in ( [woonplaats] ).”
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt om, gelet op de bepleite vrijspraak, geen straf op te leggen aan de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstige bedreiging en aan een gewapende overval op een woning.
Tijdens een livestream op internet met meerdere deelnemers heeft de verdachte zich rechtstreeks tot het slachtoffer gericht. De verdachte heeft doodsbedreigingen geuit en gezegd dat hij wist waar het slachtoffer woont en dat hij hem zou opzoeken. In de daaropvolgende nacht heeft de verdachte daadwerkelijk de woning van het slachtoffer opgezocht en heeft hij, samen met anderen, een gewapende overval gepleegd op deze woning. Deze overval vond plaats tijdens de nachtelijke uren, terwijl de bewoners, een man (het slachtoffer van de eerdere bedreiging) en zijn dochter, in de woning lagen te slapen. Beide slachtoffers werden wakker van een hand die op hun mond werd gedrukt om vervolgens meerdere personen met gezichtsbedekkende kleding te zien. Hiermee werd een nachtmerrie werkelijkheid. De dochter heeft verklaard dat zij ontzettend bang is geweest. De man heeft zich verweerd, is in gevecht geraakt en werd bedreigd met een voorwerp dat leek op een vuurwapen.
De rechtbank acht de bewezen verklaarde feiten en het bij de overval toegepaste geweld schokkend. Deze feiten getuigen van een volstrekte onverschilligheid ten opzichte van de belangen en gevoelens van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gebeurtenissen een grote impact hebben op slachtoffers en zelfs kunnen leiden tot traumatische ervaringen met langdurige psychische gevolgen. Voor dit soort feiten geldt bovendien dat deze sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving veroorzaken. De rechtbank merkt verder op dat niet duidelijk is geworden wat de drijfveer of katalysator is geweest van deze strafbare gedragingen. Het lijkt erop dat op de achtergrond een conflict speelde of nog steeds speelt. Kennelijk heeft verdachte het recht in eigen hand willen nemen. Het moet voor een ieder, direct of indirect betrokken bij deze zaak, volstrekt helder zijn dat dit gedrag niet wordt getolereerd.
De persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft op geen enkel moment spijt betuigd ten opzichte van de slachtoffers. Evenmin heeft hij inzicht getoond in het kwalijke van zijn handelen of verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Integendeel; hij heeft verklaard dat het slachtoffer degene is geweest die bedreigingen richting hem heeft geuit en dat zijn bedreigingen tijdens de live stream een reactie daarop waren, dat hij ‘niet het type is dat naar iemands huis gaat met dreigementen’ en dat hij, de verdachte, door het slachtoffer is aangevallen in plaats van andersom. De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met deze houding van de verdachte.
De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met een uittreksel justitiële documentatie (‘strafblad’) van 24 maart 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf en de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de hiervoor genoemde aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten door de verdachte zijn begaan. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden zoals hiervoor omschreven.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen kan, mede in verband met een juiste normmarkering en algemene preventie, niet worden volstaan met het opleggen van een andere of minder zware straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn niet aanwezig.
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor een overval op een woning waarbij licht(e) (bedreiging met) geweld is toegepast, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaren. Indien ander geweld is toegepast, geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaren.
Gelet op de omstandigheden in deze strafzaak, gaat de rechtbank uit van het eerstgenoemde oriëntatiepunt, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaren. De rechtbank zal deze gevangenisstraf verhogen, omdat de verdachte zich voorafgaand aan de overval op de woning ook schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging met de dood. Ten slotte houdt de rechtbank er in strafverzwarende zin rekening mee dat bij de overval gebruik is gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, dat de overval is uitgevoerd door meerdere personen en dat deze heeft plaatsgevonden tijdens de nachtelijke uren waarin de slachtoffers lagen te slapen en daardoor (in ieder geval op dat moment) weerloos waren.
Gelet op dit alles zal de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 40 maanden. Een lagere straf zou onvoldoende recht doen aan de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten. De tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op deze gevangenisstraf in mindering worden gebracht.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
6. Beslag
In beslag genomen voorwerpen
Volgens een ‘Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen’ van 18 februari 2026 is onder de verdachte beslag gelegd op:
een telefoontoestel, roze, merk Huawei, voorwerpnummer 3475469;
een telefoontoestel, wit, iPhone, voorwerpnummer 3475465;
een telefoontoestel, roze, iPhone, voorwerpnummer 3475468.
Ook blijkt uit ‘Kennisgevingen van inbeslagneming’ dat beslag is gelegd op:
4 een huissleutel, voorwerpnummer 3466724;
5 onderdelen van een (speelgoed) vuurwapen:
onderdelen van een airsoft wapen, verpakking: breathable bag, voorwerpnummer 3466718;
loop en slede airsoft pistool, Walther P99, zwart, voorwerpnummer 3466725;
onderdelen van een vuurwapen, Walther kastgroep en houder, voorwerpnummer 3466727.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de hiervoor onder 1 tot en met 3 genoemde telefoons terug te geven aan de verdachte en de onder 4 genoemde huissleutel terug te geven aan de rechtmatige eigenaar. Hij vordert de onder 5 genoemde onderdelen van een (speelgoed) vuurwapen te onttrekken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt te beslissen overeenkomstig de vordering van de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal bepalen dat de onder 1, 2 en 3 genoemde telefoons worden teruggegeven aan de verdachte, omdat deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
De rechtbank zal bepalen dat de onder 4 genoemde huissleutel wordt teruggegeven aan de persoon die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, te weten [slachtoffer 1] .
Ten slotte zal de rechtbank bepalen dat de onder 5a, 5b en 5c genoemde onderdelen van een (speelgoed) vuurwapen worden onttrokken aan het verkeer, omdat het onder 1 gepleegde feit met behulp van deze voorwerpen is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
7. Vorderingen benadeelde partijen
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 19.182,04, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 11.682,04 voor vergoeding van materiële schade en € 7.500,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De gestelde materiële schade bestaat uit:
kleding: € 35,00;
cilinders: € 118,39;
inbraak- en camerabeveiligingssysteem: € 5.518,65;
eigen risico zorgverzekering: € 385,00;
winstderving in 2025: € 5.625,00.
De benadeelde partij stelt dat de gewapende overval is gepleegd door meerdere personen en verzoekt daarom de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het toe te wijzen bedrag. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 10.502,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.002,00 voor vergoeding van materiële schade en € 7.500,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De gestelde materiële schade bestaat uit:
reiskosten: € 125,00;
aanschaf nieuwe telefoon: € 1.193,00;
eigen risico: € 369,93
medische inlichtingen: € 47,79 en
verlies aan arbeidsvermogen: € 1.266,00.
De benadeelde partij stelt dat de gewapende overval is gepleegd door meerdere personen en verzoekt daarom de verdachte hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het toe te wijzen bedrag. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geheel toe te wijzen tot de gevorderde bedragen van € 19.182,04, respectievelijk
€ 10.502,00.
De officier van justitie heeft ten aanzien van beide benadeelde partijen gevorderd het toe te wijzen bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, verzocht de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.
Oordeel van de rechtbank
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van materiële schade betreffende:
kleding: € 35,00,
cilinders: € 118,39
inbraak- en camerabeveiligingssysteem: € 5.518,65 en
eigen risico zorgverzekering: € 385,00
is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, voor de gevorderde bedragen zoals hierboven vermeld. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade ten aanzien van deze schadeposten daarom geheel toe.
De benadeelde partij heeft de vordering tot vergoeding van materiële schade betreffende winstderving in 2025 onvoldoende onderbouwd. Bij de vordering is een e-mail gevoegd van een bedrijf dat een schadebegroting heeft opgesteld. De rapportage ontbreekt echter, waardoor de rechtbank niet kan verifiëren hoe de berekening is gemaakt en op welke informatie deze is gebaseerd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat hij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft de ernst van de gevolgen voldoende onderbouwd.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding let de rechtbank op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding door rechters worden toegekend en zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit laatste betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. Gelet op deze uitgangspunten is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 4.000,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Totaal toe te wijzen bedrag
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van [slachtoffer 1] toewijzen tot een bedrag van (in totaal) € 10.057,04 aan materiële en immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente voor de volgende posten toe vanaf het moment dat de schade is ontstaan of de kosten zijn gemaakt tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De cilinders zijn aangeschaft op 10 november 2025. De factuur van het eigen risico dateert van 30 september 2025. Voor het beveiligingssysteem heeft de benadeelde een bevestiging van acceptatie van de offerte toegevoegd van 25 februari 2026. Deze kosten waren op het moment van de zitting dus nog niet gemaakt. Om die reden zal de rechtbank over dit bedrag de wettelijke rente toewijzen met ingang van de datum van dit vonnis. Voor de kleding en de immateriële schade wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 14 januari 2025 (de pleegdatum).
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is. Voor zover (een van) de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft/hebben betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Veroordeling in de kosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 10.057,04 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente van de betreffende ingangsdatum zoals hiervoor toegelicht tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van materiële schade betreffende:
reiskosten: € 125,00,
aanschaf nieuwe telefoon: € 1.193,00,
eigen risico: € 369,93
medische inlichtingen: € 47,79 en
verlies aan arbeidsvermogen: € 1.266,00
is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit, voor de gevorderde bedragen zoals hierboven vermeld. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade ten aanzien van deze schadeposten daarom geheel toe.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat zij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft de ernst van de gevolgen voldoende onderbouwd.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding let de rechtbank op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding door rechters worden toegekend en zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit laatste betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. Gelet op deze uitgangspunten is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 4.000,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Totaal toe te wijzen bedrag
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van [slachtoffer 2] toewijzen tot een bedrag van (in totaal) € 7.001,72 aan materiële en immateriële schade samen.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf het moment dat de schade is ontstaan of de kosten zijn gemaakt, zoals hierna per post toegelicht, steeds tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De reiskosten zijn gemaakt in de periode van 14 januari 2025 tot en met januari 2026. De rechtbank zal de wettelijke rente over dit bedrag toekennen vanaf het midden van deze periode, te weten 1 juli 2025. De telefoon is aangeschaft op 6 februari 2025. Het eigen risico is blijkens de factuur rond 6 augustus 2025 afgeschreven. De factuur voor de medische inlichtingen dateert van 4 februari 2026. Blijkens de onderbouwing heeft [slachtoffer 2] van medio januari 2025 tot en met medio maart 2025 niet gewerkt. De wettelijke rente over het verlies aan arbeidsvermogen zal de rechtbank toewijzen vanaf het midden van deze periode, te weten 15 februari 2025. De wettelijke rente over de immateriële schade zal worden toegekend vanaf 14 januari 2025 (pleegdatum).
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is. Voor zover (een van) de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft/hebben betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Veroordeling in de kosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 7.001,72 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de betreffende ingangsdatum zoals hiervoor toegelicht tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 60 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
8. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en beslissingen op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- 36b, 36c, 36f, 57, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;
Straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 40 (veertig) maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Beslag (feiten 1 en 2)
- gelast de teruggave aan de verdachte van:
- gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [slachtoffer 1] , van:
4 een huissleutel, voorwerpnummer 3466724;
- verklaart onttrokken aan het verkeer:
5 onderdelen van een (speelgoed) vuurwapen:
a onderdelen van een airsoft wapen, verpakking: breathable bag, voorwerpnummer 3466718;
b loop en slede airsoft pistool, Walther P99, zwart, voorwerpnummer 3466725;
c onderdelen van een vuurwapen, Walther kastgroep en houder, voorwerpnummer 3466727;
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)
€ 35,00 (kleding) vanaf 14 januari 2025;
€ 118,39 (cilinders) vanaf 10 november 2025;
€ 5.518,65 (inbraak- en camerabeveiligingssysteem) vanaf 13 maart 2026;
€ 385,00 (eigen risico zorgverzekering) vanaf 30 september 2025;
€ 4.000,00 (immateriële schade) vanaf 14 januari 2025
telkens tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat indien en voor zover door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
€ 35,00 (kleding) vanaf 14 januari 2025;
€ 118,39 (cilinders) vanaf 10 november 2025;
€ 5.518,65 (inbraak- en camerabeveiligingssysteem) vanaf 13 maart 2026;
€ 385,00 (eigen risico zorgverzekering) vanaf 30 september 2025;
€ 4.000,00 (immateriële schade) vanaf 14 januari 2025
telkens tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 75 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1)
€ 125,00 (reiskosten) vanaf 1 juli 2025;
€ 1.193,00 (aanschaf nieuwe telefoon) vanaf 6 februari 2025;
€ 369,93 (eigen risico) vanaf 6 augustus 2025;
€ 47,79 (medische inlichtingen) vanaf 4 februari 2025;
€ 1.266,00 (verlies aan arbeidsvermogen) vanaf 15 februari 2025; en
€ 4.000,00 (immateriële schade) vanaf 14 januari 2025
telkens tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat indien en voor zover door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
€ 125,00 (reiskosten) vanaf 1 juli 2025;
€ 1.193,00 (aanschaf nieuwe telefoon) vanaf 6 februari 2025;
€ 369,93 (eigen risico) vanaf 6 augustus 2025;
€ 57,83 (medische inlichtingen) vanaf 4 februari 2025;
€ 1.266,00 (verlies aan arbeidsvermogen) vanaf 15 februari 2025; en
€ 4.000,00 (immateriële schade) vanaf 14 januari 2025
telkens tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 60 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. van Woudenberg, voorzitter, mr. A.J. Reitsma en mr. R.W. Nederveen, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:
1op of omstreeks 14 januari 2025 te Huizen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- de woning van die [naam] 's in de nachtelijke uren te betreden en/of- vervolgens een hand op de mond van die [naam] 's te leggen en/of die [naam] 's te sommeren stil te zijn en/of- vervolgens aan die [slachtoffer 1] één of meerdere vuurwapens te tonen en/of- die [slachtoffer 1] met gebalde vuist op het gezicht, althans het lichaam te slaan/stompen;
2op of omstreeks 13 januari 2025 te Huizen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "laat me a.u.b. je ooit pakken, en ik zweer op god dat ik ooit naar je huis ga komen en jou ga neerstekken tijdens de aanwezigheid van de andere mensen" en/of "er komt sowieso een dag en dat ik je ooit ga pakken/aantreffen ... ik weet waar je woont gewoon, je huis is te vinden in ( [woonplaats] )", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
feiten 1 en 2
Het proces-verbaal aangifte, met daarin een verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik woon op de [adres] in [woonplaats] , samen met mijn vader [slachtoffer 1] .
Ik ben vannacht, 14 januari 2025, wakker geworden omdat ik een hand op mijn mond voelde. Ik was hierdoor ontzettend bang. Ik zag dat hij met zijn andere hand het gebaar deed voor zijn gezicht dat ik stil moest zijn, dit deed hij door zijn wijsvinger richting zijn mond te brengen, ik hoorde de man 'Sssstt' zeggen. Daardoor wist ik dat het een man was. Ik zag dat de man mijn telefoon pakte die lag naast mij. In de gang ter hoogte van mijn slaapkamerdeur zag ik nog twee mannen staan.
Het proces-verbaal aangifte, met daarin een verklaring van aangever [slachtoffer 1] , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik woon met mijn dochter [slachtoffer 2] aan de [adres] in [woonplaats] .
Toen ik vannacht, 14 januari 2025, sliep voelde ik ineens handen op mijn gezicht en mijn mond. Ik werd wakker en toen ik mijn ogen opende zag ik mannen met wapens. Ik zag drie of vier personen. Er werd tegen mij gezegd dat ik stil moest zijn. Ik hoorde meerdere mannenstemmen. Ik werd geslagen. Ik werd geraakt met een vuist op mijn gezicht. Ik ben op meerdere plekken geraakt. De wond naast mijn rechter oog komt waarschijnlijk omdat ze met het wapen tegen mijn gezicht wilden zetten.
Eén van de mannen lijkt op een man die mij gisteren, 13 januari 2024 (de rechtbank begrijpt: 13 januari 2025) heeft bedreigd via TikTok. Ik heb een stukje op kunnen nemen van deze live uitzending. Hij vertelde dat hij mij door mijn hoofd zou schieten en dat hij naar mijn huis zou komen. Ik weet dat het om dezelfde persoon gaat omdat ik zijn stem herkende.
Ik zag iemand uit de kamer van mijn dochter komen. De telefoon van mijn dochter is weggenomen.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon, met daarin beschreven de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , met als bijlage een fotomap, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 14 januari 2025 hebben wij onderzoek gedaan en foto’s gemaakt van [slachtoffer 1] .
Wij zagen dat [slachtoffer 1] letsels had in zijn hals, gezicht, scheenbeen, borst en tenen (foto's 3 t/m 14).
Het proces-verbaal van bevindingen, met daarin beschreven de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Door de aangever werden twee filmpjes aangeleverd waarop live TikTok filmpjes zichtbaar zijn. De vertaling van deze filmpjes:
“Ik ben nu TikTok live video aan het streamen. Ik zweer dat ik ooit naar je huis ga komen.” “Er komt sowieso een dag en dat ik je ooit ga pakken/aantreffen. Ik weet waar je woont gewoon, je huis is te vinden in ( [woonplaats] ).”
De verklaring van de verdachte, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb tegen hem gesproken op TikTok. Hij verscheen in mijn stream. Het is een ruzie geworden op TikTok. Wat in feit 2 is omschreven heb ik gezegd tegen de persoon die aangifte heeft gedaan. Anderen hadden mij gezegd dat hij in [woonplaats] woont.
In de nacht van 14 januari 2025 ben ik in de woning van aangever in [woonplaats] geweest. Ik opende de deur met de sleutel. Ik ben er maximaal 10 minuten geweest. Er heeft een worsteling plaatsgevonden. Ik heb hem weggeduwd.
Het wapen was een nepwapen, een plastic ding. Ik heb het weggegooid op straat voordat ik naar de woning van aangever ging.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] [woonplaats] ), met daarin beschreven de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , met als bijlage een fotomap, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 14 januari 2025 deden wij forensisch onderzoek op de locatie [adres] in [woonplaats] .
Wij zagen in de gang meerdere onderdelen liggen. Deze onderdelen hadden de uiterlijke kenmerken die passend zijn bij een airsoft wapen, dit betreft een replica van een Walther P99 (. Wij hebben deze onderdelen veiliggesteld (sin: AAPW2413NL en AAPW2412NL).
Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] [woonplaats] ), met daarin beschreven de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , met als bijlage een fotomap, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ter hoogte van de [adres] te [woonplaats] zagen wij een personenauto geparkeerd staan. Wij zagen onder het voertuig een onderdeel van een vuurwapen liggen. Wij zagen dat het wapen de kastgroep betrof. Bij het veilig maken (ontladen) van het wapen zagen wij: - dat het vuurwapen van het merk Walther - dat het wapen was voorzien van een lege patroonhouder, - dat het wapen niet compleet was, - dat de loopgroep en de sledegroep ontbrak.
Wij hebben de kastgroep van het vuurwapen en de patroonhouder veiliggesteld onder SIN nummer AASC5699NL.
Het proces-verbaal van bevindingen, met daarin beschreven de bevindingen van de verbalisant [verbalisant 6] , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
SIN: AAPW2412NL, AAPW2413NL, AASC5699NL
Wapen: veerdrukpistool
Het voorwerp is in losse onderdelen aangetroffen en door een deskundige weer
in elkaar gezet.