ECLI:NL:RBMNE:2026:1041

ECLI:NL:RBMNE:2026:1041

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer 05-31766824
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag, door meermalen met kracht (terwijl het slachtoffer op de grond lag) op het hoofd te stompen en op/tegen het hoofd te schoppen. De verdachte wordt volledig ontoerekeningsvatbaar geacht en ontslagen van alle rechtsvervolging. Aan de verdachte wordt TBS met dwangverpleging opgelegd. Ook legt de rechtbank een gedragsbeïnvloeden en vrijheidsbeperkende maatregel op.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 05/317668-24

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 maart 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 4 maart 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

Feit 1 Primair: op 4 oktober 2024 in Elst, heeft geprobeerd om [slachtoffer] van het leven te beroven door hem (terwijl hij op de grond lag) te slaan/stompen/trappen en met een kliko te slaan tegen zijn hoofd/lichaam;

Subsidiair is dit ten laste gelegd als zware mishandeling;

Meer subsidiair is dit ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling;

Feit 2 op 4 oktober 2024 in Elst een ruit van [aangever] heeft vernield;

Feit 3 op 4 oktober 2024 in Elst huisvredebreuk heeft gepleegd bij [aangever] .

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 primair, feit 2 en feit 3 heeft gepleegd.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank de verdachte vrij te spreken van feit 1, vanwege gebrek aan bewijs. Hij verzoekt, onder meer, de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] van het bewijs uit te sluiten, omdat deze volgens hem onvoldoende betrouwbaar zijn. Volgens de advocaat kan niet worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer] tegen het hoofd heeft getrapt of geschopt, of dat hij [slachtoffer] met een kliko heeft geslagen. Ook kan niet worden bewezen dat de verdachte geweld heeft gebruikt toen [slachtoffer] op de grond lag.

Tot slot voert de verdediging aan dat ook niet kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had om [slachtoffer] te doden of hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De advocaat heeft geen verweren gevoerd over feit 2 en feit 3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat poging doodslag (feit 1 primair), vernieling (feit 2) en huisvredebreuk (feit 3) zijn bewezen. Hieronder, na de bewijsmiddelen, zal de rechtbank nader uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt en ingaan op het standpunt van de officier van justitie en op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen feit 2 en feit 3

De verdachte bekent dat hij de feiten 2 en 3, namelijk de vernieling van de ruit en de huisvredebreuk, heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten verzocht. De rechtbank somt daarom alleen de bewijsmiddelen op, waarop zij haar oordeel baseert:

- de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 4 maart 2026;

- het proces-verbaal van aangifte door [aangever] .

Bewijsmiddelen feit 1 primair

De rechtbank oordeelt dat bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag (feit 1 primair). De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Bewijsoverwegingen feit 1 primair

Op 4 oktober 2024 is de verdachte naar de woning van zijn buurman [aangever] aan de [adres] in [plaats] gegaan. Vervolgens heeft de verdachte bij die woning de ruit vernield (feit 2) en is hij de woning ingegaan (feit 3). In de woning was niemand aanwezig. Daarna heeft de verdachte de woning verlaten en heeft er een incident plaatsgevonden tussen de verdachte en een andere buurman, het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Bij het incident heeft [slachtoffer] letsel opgelopen.

Hoe is [slachtoffer] aan dit letsel gekomen?

De verdachte heeft op zitting verklaard dat hij [slachtoffer] een paar klappen heeft gegeven, nadat hijzelf in eerste instantie een klap van [slachtoffer] zou hebben gekregen. De verdachte ontkent [slachtoffer] te hebben getrapt of geschopt. De verdachte ontkent ook dat hij [slachtoffer] met een kliko heeft geslagen.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig is.

Voor zover de verdachte een beroep op noodweer heeft gedaan, verwerpt de rechtbank dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie. De verklaring van de verdachte over de vermeende wederrechtelijke aanranding wordt niet ondersteund door het dossier. Bovendien rijmt de door de verdachte geschetste gang van zaken niet met de inhoud van de bewijsmiddelen.

De verdachte heeft op de zitting zelf verklaard dat hij die dag boos was op zijn buurman [aangever] en verhaal bij hem wilde halen. In die gemoedstoestand is hij naar de woning van [aangever] gegaan en heeft er een geweldsuitbarsting plaatsgevonden, waarbij de verdachte de ruit van de woning van [aangever] heeft vernield (feit 2). Vervolgens is hij de woning ingegaan, waar hij [aangever] niet heeft aangetroffen, waarna hij de woning weer heeft verlaten. Buiten trof de verdachte [slachtoffer] – een andere buurman – die vermoedelijk op het geluid van het brekend glas was afgekomen.

Tegenover de verklaring van de verdachte staan ook de verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 1] .

Betrouwbaarheid getuige [getuige 2] en [getuige 1]

De rechtbank is van oordeel dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] betrouwbare getuigen zijn. Beide getuigen hebben op drie momenten een verklaring afgelegd: als eerste op 4 oktober 2024 (de dag van het incident) tegenover de politie, vervolgens zij ze hierna een tweede keer gehoord door de politie op 6 oktober 2024 respectievelijk 7 november 2024 en het derde verhoor was op 1 september 2025 bij de rechter-commissaris. De rechtbank constateert met de verdediging dat er verschillen zijn tussen de verklaringen van de getuigen die zij op verschillende momenten hebben afgelegd. Dit maakt echter niet dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] in zijn geheel als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt en dus moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Beide getuigen hebben op al deze momenten een in hoofdlijnen consistente verklaring afgelegd over wat zij op 4 oktober 2024 hebben gezien.

Zo heeft [getuige 2] vanaf het begin af aan en in beide volgende verklaringen verklaard dat het slachtoffer op de grond lag en werd geslagen terwijl de verdachte bovenop hem zat. In zijn eerste twee verklaringen gaf [getuige 2] aan dat het slachtoffer op zijn hoofd werd geslagen, maar in de derde verklaring verklaarde hij dat hij niet kon zien waar het slachtoffer geraakt werd. In de kern blijft de verklaring van [getuige 2] dus overeind.

De verklaring van [getuige 1] is consistent over het deel dat de rechtbank gebruikt voor het bewijs. [getuige 1] heeft van het begin aan en in beide volgende verklaringen verklaard dat hij zag dat de verdachte het slachtoffer meerdere keren hard schopte tegen het hoofd, terwijl hij op de grond lag. In zijn eerste verklaring verklaart [getuige 1] dat de verdachte zijn knie omhoog deed en toen met zijn voet naar beneden trapte. Hij zou met zijn hele lichaam hebben getrapt.

De rechtbank gebruikt de eerste, op de dag van het incident, afgelegde verklaringen, aangezien deze kort na het incident zijn afgelegd en daarmee het minst beïnvloed zijn door tijdsverloop en externe factoren. De inhoud van deze eerste verklaringen komt bovendien authentiek op de rechtbank over. De latere verklaringen geven, voor zover ze afwijken van de eerste verklaringen, verder onvoldoende aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de eerste verklaringen te twijfelen. De verklaring van getuige Willems geeft daartoe ook geen aanleiding.

De rechtbank merkt die eerste verklaringen dan ook aan als betrouwbaar, des te meer nu deze verklaring niet alleen ondersteuning vinden in elkaar, maar ook passen bij het geconstateerde letsel bij [slachtoffer] . De rechtbank zal deze getuigenverklaringen dan ook voor het bewijs gebruiken.

Het letsel van [slachtoffer] bevindt zich met name op zijn hoofd en is zodanig ernstig van aard dat dit zich naar het oordeel van de rechtbank niet laat rijmen met het scenario dat de verdachte [slachtoffer] slechts twee á drie klappen zou hebben gegeven. Samengevat was er bij [slachtoffer] uitwendig sprake van bloeduitstortingen en huiddoorklievingen en was er inwendig sprake van een hersenschudding, een bloeding achter het linker oog en een bloeduitstorting in de rechter oorschelp. Ook beschrijft de huisarts dat er ernstige cognitieve problemen zijn na dit voorval en sprake van emotionele ontregeling, waardoor [slachtoffer] na een lange revalidatieperiode in een instelling intensieve begeleiding aan huis nodig heeft en niet zelfstandig kan functioneren. Hier is geen herstel van te verwachten.

De rechtbank leidt uit de getuigenverklaringen en het bij het slachtoffer geconstateerde letsel af dat de verdachte met kracht heeft gestompt en geschopt.

Vaststelling van de feiten en omstandigheden

De rechtbank oordeelt op basis van de bovengenoemde bewijsmiddelen dat is bewezen dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] meerdere malen met kracht op zijn hoofd heeft gestompt en op/tegen zijn hoofd heeft geschopt. Tijdens op zijn minst een deel van de klappen en alle trappen lag het slachtoffer op de grond.

De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van het slaan met een kliko. Voor deze handeling is naast de verklaring van getuige [getuige 1] onvoldoende ondersteuning in het dossier te vinden.

Poging tot doodslag

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het geweld dat de verdachte heeft gebruikt juridisch gekwalificeerd moet worden. Om tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag te komen, is vereist dat de verdachte opzet heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijk zin, op de dood van [slachtoffer] .

De rechtbank is van oordeel dat op zijn minst bewezen kan worden dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] . Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer de gedragingen van verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg in het leven hebben geroepen en de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard.

De rechtbank is van oordeel dat door meermalen met kracht op het hoofd van [slachtoffer] te stompen en op/tegen het hoofd van [slachtoffer] te schoppen er een aanmerkelijke kans was op dodelijk letsel bij [slachtoffer] . Het hoofd is een bijzonder kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam en harde trappen tegen het hoofd kunnen leiden tot dodelijke hersenschade. De hevigheid van het schoppen en stompen blijkt verder uit de manier waarop de getuigen dit hebben beschreven. [slachtoffer] is bovendien een bejaarde man en lag op de grond, waardoor hij erg kwetsbaar was. De rechtbank verwijst hierbij ook naar de forensische letselrapportage. Daaruit blijkt dat bij [slachtoffer] sprake was van een niet goed doorgankelijke luchtweg. Als deze luchtweg niet door medisch ingrijpen was vrijgemaakt, had een zuurstoftekort kunnen optreden waaraan [slachtoffer] had kunnen overlijden. Ook indien door de krachtsinwerking op het hoofd van [slachtoffer] een beschadiging van zijn hersenen was ontstaan (bijvoorbeeld een bloeding), had hij daaraan kunnen overlijden. Dat dit gevolg uiteindelijk niet is ingetreden, is niet te danken aan de verdachte, die het slachtoffer voor dood heeft achtergelaten.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat zij – bij het ontbreken van contra-indicaties – bewezen acht dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] ook bewust heeft aanvaard.

Conclusie

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank, net als de officier van justitie, tot de conclusie dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer en zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag (feit 1 primair). De rechtbank verwerpt hiermee de door de advocaat gevoerde verweren.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1op 4 oktober 2024 te Elst, gemeente Overbetuwe,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om[slachtoffer]opzettelijkvan het leven te beroven,meerdere malen met kracht (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag):- op het hoofd heeft gestompt en

- op/tegen het hoofd heeft geschoptterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2op 4 oktober 2024 te Elst, gemeente Overbetuwe,opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, dieaan [aangever] toebehoorde, heeft vernield;

3op 4 oktober 2024 te [plaats] , gemeente Overbetuwe,in de woning, [adres] ,

bij een ander, te weten bij [aangever] , in gebruik,

wederrechtelijk is binnengedrongen.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Strafbaarheid van het feit

Voor zover er een beroep op noodweer is gedaan, verwerpt de rechtbank dit verweer, zoals hierboven onder paragraaf 3.3. gemotiveerd is. Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair: poging tot doodslag;

Feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

Feit 3: in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich op het standpunt dat de feiten aan de verdachte in ten minste sterk verminderde mate zijn toe te rekenen. Ten aanzien van feit 1 voert de advocaat aan dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte in sterk verminderde mate toerekeningsvatbaar was.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of de gepleegde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, heeft de rechtbank gelet op de Pro Justitia-rapportage van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 24 december 2025, opgesteld door AIOS psychiatrie T.M.H. Janssen onder supervisie van psychiater H.T.J. Boerboom en psycholoog J. Meijers (hierna: de rapporteurs). Ook zijn T.M.H. Janssen en H.T.J. Boerboom op de zitting als deskundigen gehoord.

Psychische stoornis

Uit het PBC-rapport blijkt het volgende. De rapporteurs stellen vast dat sprake is van een schizofreniespectrumstoornis. Schizofrenie is een chronische aandoening die structureel aanwezig is, het denken beïnvloed en zich bij de verdachte uit in wanen, hallucinaties, een gestoorde realiteitstoetsing en desorganisatie. Daarnaast is bij de verdachte sprake van een stoornis in het gebruik van verschillende middelen, onder andere medicijnen op voorschrift, namelijk oxazepam en methylfenidaat, maar ook hard- en softdrugs.

Al deze stoornissen zijn in ernstige mate aanwezig (geweest) ten tijde van de beschuldiging. De rapporteurs benadrukken dat de verdachte acteert onder invloed van psychotische overtuigingen: hij is niet meer in staat om feiten te toetsen aan de realiteit, of hiervoor alternatieve verklaringen te bedenken, maar zit vast in zijn eigen overtuiging dat er een complot tegen hem gaande is. Hij is als het ware volledig in de ban van zijn waandenken. Dit leidt ertoe dat de verdachte ‘acting-out’ laat zien: hij voelt zich bedreigd en door vanuit zijn psychotische overtuigingen ingegeven destructief gedrag moet dit conflict hersteld worden. Op het moment dat de verdachte door zijn omgeving (vermeend) wordt getriggerd, is hij niet langer in staat toe te passen wat hij ook wél weet, namelijk wat goed en fout is, en reageert hij in de overtuiging dat hij zichzelf verdedigt tegen door hem ervaren aangedaan onrecht. De verdachte weet achteraf (buiten de instantane psychotisch geïnterpreteerde situatie) wel dat wat hij gedaan heeft natuurlijk niet mag, maar in het litigieuze moment zelf is hij niet meer in staat om daar ook naar te handelen.

De rapporteurs concluderen dat de verdachte in ieder geval zeer beperkte mogelijkheden had om zijn eigen gedrag te sturen. Zijn gedrag wordt op zijn minst grotendeels bepaald door zijn psychotische overtuigingen. Dit leidt tot het advies om de verdachte de beschuldiging ten minste sterk verminderd toe te rekenen. Hierbij merken de rapporteurs op dat een advies tot volledig niet toerekenen van de beschuldiging formeel niet gegeven kan worden. Hoewel de verdachte evident in zeer sterke mate handelt onder invloed van zijn psychotische belevingen, kan door het ontbreken van alle concrete informatie rondom het precieze moment van de feiten van de beschuldiging niet worden vastgesteld dat deze volledig het gevolg zijn van zijn psychose, hoewel dat gedragskundig natuurlijk wel heel goed voorstelbaar is. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de verdachte ten tijde van het onderzoek, en dus ook ten tijde van het bespreken van de beschuldiging, psychotisch was.

Oordeel rechtbank

Gelet op dat wat hiervoor is overwogen en wat op zitting is besproken stelt de rechtbank vast dat de verdachte, als hij ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten al in staat was om de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen te begrijpen, niet in staat was om overeenkomstig dat begrip te handelen, omdat zijn handelen volledig werd bepaald door de psychotische overtuigingen. De enige conclusie is dan dat verdachte geen verwijt kan worden gemaakt voor zijn handelen. De rechtbank is dus van oordeel dat het bewezen verklaarde in het geheel niet aan de verdachte kan worden toegerekend en acht de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar. De rechtbank beseft dat zij hiermee afwijkt van de conclusie van de rapporteurs op dit punt. De rechtbank meent evenwel dat deze conclusie deels is gevormd op basis van het argument dat de rapporteurs op formele gronden niet konden (of mochten) concluderen tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid. De rechtbank is daar niet aan gebonden. Door zijn stoornissen deed de verdachte wat hij deed. Hij kon op dat moment niet anders handelen en heeft strafrechtelijk gezien geen schuld. In ons strafrechtsysteem is het dan niet mogelijk om een straf op te leggen. Dat zou indruisen tegen het fundamentele uitgangspunt ‘geen straf zonder schuld’.

Conclusie

De verdachte is niet strafbaar. De rechtbank zal de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

5. Straf en/of maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, en dat aan de verdachte een maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

Primair verzoekt de advocaat dat, bij bewezenverklaring van alleen de vernieling en de huisvredebreuk, geen straf aan de verdachte wordt opgelegd. Voor deze feiten zou een geldboete passend zijn, maar gelet op de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en op de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, vindt de advocaat zelfs een geldboete niet (meer) passend.

Subsidiair verzoekt de advocaat om aanhouding van de zaak om de reclassering alsnog de opdracht te geven onderzoek te doen naar de mogelijkheid dat de verdachte een klinische behandeling kan ondergaan in een ander kader dan TBS met dwangverpleging en daarvoor voorwaarden te formuleren. De advocaat stelt zich op het standpunt dat de oplegging van TBS met dwangverpleging een ultimum remedium zou moeten zijn.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan de verdachte TBS met dwangverpleging op.

Bij het bepalen van deze maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door [slachtoffer] meerdere keren te stompen en te schoppen op/tegen het hoofd, terwijl [slachtoffer] op de grond lag. Door het geweld van de verdachte had [slachtoffer] kunnen komen te overlijden, zeker als er geen medisch ingrijpen had plaatsgevonden.

[slachtoffer] heeft door het geweld ernstig letsel opgelopen. Uitwending waren er bloeduitstortingen en huiddoorklievingen. Daarnaast was er inwendig letsel, waaronder een hersenschudding, een bloeding achter het linkeroog en een bloeduitstorting in de rechteroorschelp. [slachtoffer] heeft aan het geweld blijvende littekens overgehouden. Bovendien heeft hij tot op de dag van vandaag ernstige cognitieve problemen. Deze hebben een grote en blijvende invloed op zijn dagelijks functioneren. De advocaat van [slachtoffer] heeft op de zitting verklaard over de psychische gevolgen die het geweld voor hem heeft gehad en nog steeds heeft. Het is schrijnend dat [slachtoffer] , die simpelweg kwam kijken wat er bij zijn buren aan de hand was, na het door de verdachte gebruikte geweld nooit meer de oude zal zijn.

Naast deze poging tot doodslag heeft de verdachte zich, kort daarvoor, schuldig gemaakt aan de vernieling van een ruit en huisvredebreuk.

Hoewel de rechtbank de verdachte ontoerekeningsvatbaar acht, wil dit niet zeggen dat hij door zijn handelen de slachtoffers geen angst en schrik heeft aangejaagd. Het gedrag van de verdachte die dag is niet anders te omschrijven dan als conflictzoekend, onvoorspelbaar en buitengewoon gewelddadig. Het brengt voor alle betrokkene, ook de andere omwonenden, gevoelens van onveiligheid met zich mee dat dergelijke gebeurtenissen zich van het één op het andere moment, in een woonwijk, zomaar kunnen voordoen. De begrijpelijke vraag van de heer [slachtoffer] en zijn echtgenote over het ‘waarom’ en ‘waarom ik’ laten zich lastig beantwoorden, maar het lijkt erop dat dit pure pech is geweest in die zin dat de heer [slachtoffer] op het verkeerde moment op de verkeerde plaats was.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 5 december 2024. Hieruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Het advies van de deskundigen

In het hiervoor vermelde PBC-rapport concluderen de rapporteurs dat de hierboven beschreven stoornissen, waaronder de psychotische overtuigingen (wanen), bij de verdachte zonder adequate antipsychotische behandeling een hoog risico op recidive geven, maar ook een hoog risico op geweld in zijn algemeenheid, op ernstig lichamelijk letsel en op acuut dreigend gevaar. Er zijn weinig beschermende factoren aanwezig.

De rapporteurs geven aan dat een ambulante behandeling niet zal slagen. De verdachte kent een voorgeschiedenis van het afhouden van zorg. Het ontbreekt bij de verdachte aan ziektebesef en de verdachte komt afspraken niet na, waardoor een passende behandeling in een ambulante setting niet van de grond zal komen. Daarnaast is sprake van een zorgelijke prognose ten aanzien van zijn herstel en het verkrijgen van inzicht in de stoornis. Schizofrenie is een chronische aandoening en het waansysteem van de verdachte is zo uitgebreid dat het de vraag is of hij hiervan voldoende kan herstellen om het recidiverisico te verminderen en een veilige terugkeer in de maatschappij mogelijk te maken.

De rapporteurs concluderen dat ook een behandeling in het kader van een zorgmachtig niet afdoende zal zijn. Een zorgmachtiging biedt onvoldoende mogelijkheden voor het voldoende en duurzaam beïnvloeden van de complexe problematiek van de verdachte en daarmee het recidiverisico. Een zorgmachtiging ziet slechts op kortdurende klinische stabilisatie en verdere behandeling in de ambulante setting. Hiertoe is de verdachte echter te weinig in staat zich te conformeren aan te stellen voorwaarden. De verdachte moet langdurig en wellicht zelfs blijvend behandeld worden. Doordat de verdachte in het verleden meermaals heeft laten zien zich niet te kunnen houden aan afspraken, worden bijzondere voorwaarden of een TBS met voorwaarden ook als niet-doelmatig ingeschat.

De rapporteurs adviseren om de TBS-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen. De verwachting is dat de verdachte zich binnen sterk georganiseerde professionele omstandigheden, met antipsychotische medicatie en zonder het gebruik van middelen, enigszins kan conformeren aan wat hem wordt opgelegd. Om die reden wordt dan ook geadviseerd om de behandeling van de verdachte op beveiligingsniveau 4 (Forensisch Psychiatrisch Centrum) te starten, mede vanwege de intensieve zorg en begeleiding die hem daar geboden kan worden.

Op de zitting hebben rapporteurs T.M.H. Janssen en H.T.J. Boerboom aangegeven nog steeds achter het advies te staan. Ten aanzien van de zorgmijdende houding van de verdachte merkt Janssen nog op dat de verdachte zijn leven vormgeeft vanuit een bepaalde psychotische overtuiging. Vanuit die overtuiging vertoont hij bepaald gedrag.

Volgens de deskundige is deze overtuiging zo bepalend dat de dreiging van omzetting van een TBS met voorwaarden in TBS met dwangverpleging hem naar verwachting ook niet zal bewegen tot medewerking aan behandeling. Het gebrek aan ziekte- en zelfinzicht en het patroon van het weigeren van zorg bij de verdachte maken dat een gedwongen kader noodzakelijk is.

Tot slot heeft de rechtbank ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 29 januari 2026, van Reclassering Nederland. Gelet op het advies van het PBC, te weten de oplegging van TBS met dwangverpleging, onthoudt de reclassering zich van een inhoudelijk advies. De reclassering verzoekt bij oplegging van een TBS-maatregel met dwangverpleging ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) op te leggen.

Oplegging van tbs-maatregel met dwangverpleging.

De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de deskundigen over de noodzaak van het opleggen van een TBS-maatregel met dwangverpleging over. Dit betekent dat de rechtbank uitgaat van een hoog risico op nieuwe vergelijkbare strafbare feiten, bij het uitblijven van de geadviseerde behandeling. Het is daarom noodzakelijk dat de verdachte middels TBS met dwangverpleging gedwongen wordt behandeld voor zijn stoornissen.

Aan de wettelijke eisen voor de oplegging van een TBS-maatregel met dwangverpleging wordt voldaan. Ten eerste bestond ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte. Ten tweede is (poging tot) doodslag een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Tot slot eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van de maatregel. Gelet op de aard en ernst van de psychische problematiek bij verdachte die een intensieve en langdurige behandeling vereist, het ontbreken van ziekte-inzicht en een jarenlang patroon van hulp weigeren, ziet de rechtbank geen alternatief voor een TBS met dwangverpleging.

Gelet op het advies van de rapporteurs ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden om de reclassering alsnog de mogelijkheid om binnen en ander kader dan TBS met dwangverpleging een klinische behandeling te ondergaan te laten onderzoeken. De rechtbank wijst het voorwaardelijke verzoek van de verdediging daarom af.

Geen gemaximeerde terbeschikkingstelling

De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betreft de onder feit 1 primair bewezen verklaarde poging tot doodslag. De maatregel kan daarom langer duren dan vier jaren.

GVM-maatregel

Om het recidivegevaar in te perken, kan een maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd. Deze maatregel houdt in dat de verdachte zich na afsluiting van de tbs aan gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregelen dient te houden en zich moet conformeren aan langdurig toezicht door de reclassering, zodat het risico op herhaling wordt geminimaliseerd.

Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan, aangezien de TBS-maatregel wordt opgelegd en de oplegging van de maatregel naar het oordeel van de rechtbank in het belang is van de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van die maatregel en het eventuele bepalen van specifieke voorwaarden zal in de laatste fase van de executie van de tbs-maatregel plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan nog aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.

Geen vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank zal de door de advocaat van de benadeelde partij gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht niet opleggen. Volgens de tekst van dit artikel kan deze maatregel alleen worden opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Gelet op de op te leggen TBS-maatregel zijn er op dit moment geen concrete aanwijzingen dat het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel nodig is.

Voorlopige hechtenis

Gelet op de bewezenverklaring en de op te leggen maatregel ziet de rechtbank geen aanleiding om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. De rechtbank wijst het verzoek van de advocaat af.

6. Vordering benadeelde partijen

Vordering van de benadeelde partijen

Benadeelde partij [aangever]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.000,- voor de gevolgen van feit 2 en 3 van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.000 voor vergoeding van materiële schade. De benadeelde partij vordert geen concreet bedrag voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Benadeelde partij [slachtoffer]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 34.806,62 voor de gevolgen van feit 1 van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 14.806,62 voor vergoeding van materiële schade en € 20.000 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

Ziekenhuis- en revalidatiegeldvergoeding: € 5.565,-;

Eigen bijdrage zorgverzekering: € 572,99;

Kosten curatele: € 7.624,53;

Kosten CBR en rijbewijs: € 1.044,10;

Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

Benadeelde partij [aangever]

Materiële schade

De officier van justitie verzoekt de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaring in zijn vordering. Uit de vordering volgt dat de volledige materiële schade al door de verzekeraar is vergoed.

Immateriële schade

De officier van justitie verzoekt de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaring in zijn vordering, omdat de schade onvoldoende is onderbouwd.

Benadeelde partij [slachtoffer]

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert hij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Benadeelde partij [aangever]

De advocaat verzoekt de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, dan wel die vordering af te wijzen. De materiële schade lijkt al volledig te zijn vergoed door de verzekeringsmaatschappij en is onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade merkt de advocaat op dat het causaal verband tussen de strafbare gedragingen en de immateriële schade ontbreekt.

Benadeelde partij [slachtoffer]

De advocaat verzoekt primair de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, wegens de bepleite vrijspraak.

Subsidiair verzoekt de advocaat de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting is van het strafproces. Het gaat om een omvangrijke vordering, die slechts twee werkdagen voorafgaand aan de zitting is ingediend. De verdediging heeft onvoldoende voorbereidingstijd gehad.

Materiële schade

Ten aanzien van de gevorderde daggeldvergoeding voor verblijf in het ziekenhuis en/of in een revalidatievoorziening merkt de advocaat het volgende op. In 2024 was de daggeldvergoeding € 35,- per dag opname in het ziekenhuis en € 15,- per dag opname in het revalidatiecentrum. Hiermee komt hij uit op een bedrag van €3.582,- in plaats van het gevorderde bedrag.

Ten aanzien van het gevorderde eigen risico merkt de advocaat op dat het bedrag voor 2025 € 385,- is, maar dat niet is vast te stellen of alle behandelingen en/of medicijnen in rechtstreeks verband staan tot het ten laste gelegde feit. Reden waarom hij verzoekt om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in dit deel van de vordering (€1.115,-), dan wel dit deel van de vordering af te wijzen.

De advocaat verzoekt de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde kosten van de ondercuratelestelling (€ 7.624,53) niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dit deel van de vordering af te wijzen, nu het causaal verband tussen de schade en het bewezen verklaarde feit ontbreekt.

Ten aanzien van de gevorderde kosten van het onderzoek naar de rijgeschiktheid merkt de advocaat op dat dit het gevolg is van het feit dat [slachtoffer] heeft verzuimd om de Gezondheidsverklaring in te sturen. De advocaat verzoekt de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in dit deel van zijn vordering (€1.044,10), dan wel om ook dit deel af te wijzen, omdat de schade onvoldoende is onderbouwd.

Immateriële schade

De advocaat verzoekt om de gevorderde immateriële schadevergoeding te matigen tot een bedrag van € 4.000,- en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, dan wel dit deel van de vordering af te wijzen.

Oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [aangever]

Materiële schade

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. Uit de vordering volgt dat schade door de verzekering is vergoed. Voor zover de benadeelde partij meent dat er nog een deel van zijn schade resteert, rust op hem de verplichting de vordering te specificeren en te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Immateriële schade

Ter zake van immateriële schade is door de benadeelde partij op het voegingsformulier geen concreet bedrag gevorderd. De rechtbank leidt hieruit af dat het de bedoeling is van de benadeelde partij dat de rechtbank de schade naar billijkheid begroot.

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen.

Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor hem heeft gehad. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake.

De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

Benadeelde partij [slachtoffer]

De rechtbank verwerpt het verweer dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De advocaat van de benadeelde partij heeft op 27 februari 2026 per e-mail de vordering aan de rechtbank en de verdediging verstrekt voor de inhoudelijke behandeling op 4 maart 2026. Dat is, ook gelet op de beperkte complexiteit van de vordering, niet zodanig laat dat niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij het gevolg moet zijn.

Materiële schade

a. Daggeldvergoeding voor verblijf in het ziekenhuis en/of revalidatievoorziening.

Volgens de Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding was in 2024 de daggeldvergoeding € 35,- per dag opname in het ziekenhuis en € 15,- per dag opname in het revalidatiecentrum. In 2025 was de daggeldvergoeding € 19,- per dag opname in het revalidatiecentrum. In totaal heeft [slachtoffer] 47 dagen doorgebracht in het ziekenhuis (in 2024) en 111 dagen in een revalidatievoorziening, waarvan 43 dagen in 2024 en 68 dagen in 2025. De rechtbank komt hiermee op een bedrag van € 3.582,- in plaats van het gevorderde bedrag.

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder feit 1 primair bewezen verklaarde. De rechtbank wijst dit deel (€3.582,-) van de vordering daarom toe. Het meer gevorderde wordt afgewezen.

Eigen risico

De rechtbank merkt op dat de advocaat van de benadeelde partij heeft laten weten dat de post voor het eigen risico is verlaagd. Het eigen risico voor 2024 betreft € 0,- en voor 2026 € 187,99. Het gevorderde bedrag komt daarmee uit op € 572,99.

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder feit 1 primair bewezen verklaarde. De gevraagde vergoeding komt de rechtbank ook niet bovenmatig voor. De rechtbank wijst dit deel (€ 572,99) van de vordering daarom toe.

Kosten van ondercuratelestelling

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder feit 1 primair bewezen verklaarde. De gevraagde vergoeding komt de rechtbank ook niet bovenmatig voor. De rechtbank wijst dit deel (€ 7.624,53) van de vordering daarom toe.

Kosten van het onderzoek naar de rijgeschiktheid

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder feit 1 primair bewezen verklaarde. De gevraagde vergoeding komt de rechtbank ook niet bovenmatig voor. Dat de benadeelde partij niet heeft voldaan aan de schadebeperkingsplicht, zoals de advocaat van de verdachte lijkt te suggereren, is niet gebleken. De rechtbank wijst dit deel (€ 1044,10) van de vordering daarom toe.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.

De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.

De Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor ‘(d) minder ernstig hersenletsel’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 10.000,- tot

€ 29.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is van geheugenproblemen en ontremd gedrag die het dagelijks functioneren beïnvloeden.

Uit de brief van de huisarts volgt dat [slachtoffer] voorafgaand aan het incident een zelfstandig functionerende man was die actief in het leven stond. Hij was degene die de praktische zaken binnen het huishouden coördineerde. Als gevolg van het geweld dat de verdachte heeft gebruikt zijn echter cognitieve stoornissen en problemen in de emotieregulatie ontstaan. Het verwerken van nieuwe informatie en het schakelen bij onverwachte situaties blijven voor [slachtoffer] lastig. Daarnaast is hij somber en ervaart hij veel stress. Ook heeft hij een groot deel van zijn zelfstandigheid verloren.

De werkzaamheden die hij voorheen, ook voor zijn echtgenote, verrichtte, kan hij niet langer uitvoeren. Zijn dagen brengt hij nu grotendeels thuis door. Hij ontvangt ondersteuning van de thuiszorg en is onder curatele gesteld. Ook uit het bij de vordering overgelegde filmpje, waarop [slachtoffer] uitlegt op welke manieren zijn leven is veranderd, blijkt op indringende wijze welke blijvende gevolgen het incident voor [slachtoffer] heeft.

Gelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 20.000,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.

Wettelijke rente

De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Veroordeling in de kosten van de benadeelde partij

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 32.823,62,- aan de Staat moet betalen.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 167 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen. De rechtbank ziet in de ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte geen aanleiding de gijzeling geheel achterwege te laten. De schadevergoedingsmaatregel is niet bedoeld als straf. Bij oplegging van een maatregel speelt, anders dan bij een straf, de mate van verwijtbaarheid geen rol. Bovendien wordt bij de tenuitvoerlegging van de maatregel rekening gehouden met draagkracht. Gijzeling wordt namelijk niet toegepast als de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij niet in staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.

7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde maatregelen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

36f, 37a, 37b, 38z, 45, 57, 138, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.2 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten;

maatregel

- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

- bepaalt dat de totale duur van de TBS-maatregel niet is gemaximeerd;

- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever] (feit 2 en feit 3)

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 primair)

 over een bedrag van € 12.823,62 met ingang van 27 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;

 over een bedrag van € 20.000,- met ingang van 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;

 over een bedrag van € 12.823,62 met ingang van 27 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;

 over een bedrag van € 20.000,- met ingang van 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;

- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 167 dagen gijzeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Reitsma, voorzitter, mr. S. Ourahma en mr. J.S. Spijkerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Mr. Spijkerman is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Elst, gemeente Overbetuweter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om[slachtoffer]opzettelijkvan het leven te beroven,meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) (terwijl die [slachtoffer] opde grond lag):- in/op/tegen het hoofd/gezicht, althans het lichaam van die [slachtoffer]heeft geslagen/gestompt en/of- op/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeftgetrapt/geschopt- met een kliko op/tegen het hoofd/gezicht, althans het lichaam van die[slachtoffer] heeft geslagen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Elst, gemeente Overbetuweaan [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door meerdere malen, althanseenmaal (met kracht) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag):- in/op/tegen het hoofd/gezicht, althans het lichaam van die [slachtoffer] teslaan/stompen en/of- op/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] tetrappen/schoppen- met een kliko op/tegen het hoofd/gezicht, althans het lichaam van die[slachtoffer] te slaan;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot eenveroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Elst, gemeente Overbetuweter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengenmeerdere malen, althans eenmaal (met kracht) (terwijl die [slachtoffer] odde grond lag):- in/op/tegen het hoofd/gezicht, althans het lichaam van die [slachtoffer]heeft geslagen/gestompt en/of- op/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeftgetrapt/geschopt- met een kliko op/tegen het hoofd/gezicht, althans het lichaam van die[slachtoffer] heeft geslagen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Elst, gemeente Overbetuweopzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/diegeheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/ofweggemaakt

3hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [plaats] , gemeente Overbetuwein de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, de[adres] , bij een ander, te weten bij [aangever] , althans bijeen ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk isbinnengedrongen;

Bijlage II: Bewijsmiddelen

De verklaring van de verdachte op de zitting van 4 maart 2026, voor zover inhoudende:

Ik heb hem (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer]) geslagen.

Forensisch medische letselrapportage, opgesteld door forensisch arts W. Duijst, voor zover inhoudende:

Betrokkene: [slachtoffer] (verder te noemen betrokkene)

Naam en geboortedatum Geb. [geboortedatum] -1949

Wilt u alle letsels zo volledig mogelijk beschrijven? Geef per type aangetroffen letsel aan wat het ontstaansmechanisme ervan is.

Samengevat is er uitwendig sprake van bloeduitstortingen en huiddoorklievingen (die zowel snijwonden als scheurwonden zouden kunnen betreffen). Bloeduitstortingen ontstaan door de inwerking van stomp uitwendig geweld zoals slaan, schoppen, samendrukken, stoten, knijpen of zuigen. Snijverwondingen ontstaan ten gevolg van beschadigen van de huid met door (half) scherp-randige of puntige voorwerpen. Scheurverwondingen worden veroorzaakt doordat door stomp uitwendig geweld de rekbaarheid van de huid wordt overschreden.

Inwendig is er sprake van een hersenschudding, een bloeding achter het linker oog en een bloeduitstorting in de rechter oorschelp. Bij een hersenschudding is sprake van kortdurend bewustzijnsverlies zonder letsel aan de schedel en hersenen. Een hersenschudding kan ontstaan door een directe krachtsinwerking (zoals slaan, stompen, stoten) of door een indirecte krachtsinwerking waarbij het hoofd in beweging plotseling tot stilstand wordt gebracht. Een bloeding achter het oog kan zowel door een scherpe als een stompe krachtsinwerking ontstaan. Een bloeduitstorting in de oorschelp ontstaat net als reguliere bloeduitstortingen door de inwerking van stomp uitwendig geweld zoals slaan, schoppen, samendrukken of stoten.

Hoe gevaarlijk is het letsel dat daadwerkelijk is opgetreden? Had de persoon aan dit letsel kunnen overlijden? Had de persoon aan dit letsel kunnen overlijden indien niet tijdig medisch was ingegrepen? Betrokkene had bij aankomst van de ambulancediensten een niet goed doorgankelijke luchtweg en hierdoor had hij een snurkende ademhaling. Als de luchtweg niet goed doorgankelijk was gemaakt door het medisch handelen, had er een zuurstoftekort kunnen optreden waaraan betrokkene had kunnen overlijden.

Hoe ernstig is een letsel met dit ontstaansmechanisme als het letsel nabij gelegen structuren had geraakt? Beschrijf dit in termen van risico op ernstiger letsel, risico op complicaties, levensbedreigend of risico op overlijden, risico op blijvende schade en/of langdurige revalidatie. Indien er door de krachtsinwerking op het hoofd wel een beschadiging van de hersenen was ontstaan (bijv. bloeding), waardoor er uitgebreide en onomkeerbare schade aan belangrijke delen van de hersenen was ontstaan, had betrokkene aan het trauma mechanisme kunnen overlijden.

Indien de bloeding achter het oog groter was, had er meer schade van de oogzenuw kunnen optreden. Dit had tot permanente schade van het zicht kunnen leiden.

Een geneeskundige verklaring van 20 juni 2026, opgemaakt door [A] , inclusief brief van de huisarts, voor zover inhoudende:

Medische informatie betreffende:

Voornamen: [slachtoffer]

Achternaam: [slachtoffer]

Geboortedatum: [geboortedatum] -1949

Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 04-10-2025

Wonden zijn genezen met wel blijvende littekens aangezicht. Persisterende cognitieve problemen.

Er zijn ernstige cognitieve problemen na dit voorval, wat een grote invloed heeft op het dagelijks functioneren. Dit heet niet-aangeboren hersenletsel. Cognitief zijn er blijvende vergeetachtigheid, moeite met inprenting en onthouden nieuwe informatie, beperkt ziekte-inzicht, zelfoverschatting, gestoord probleemoplossend vermogen, waardoor moeite

met complexere taken en plannen. Daarnaast is er sprake van een snelle emotionele ontregeling. Dit maakt dat patiënt na een lange revalidatie periode in een instelling, intensieve begeleiding aan huis nodig heeft en niet zelfstandig kan functioneren. Hier is geen herstel van te verwachten.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 4 oktober 2024 ben naar het pad gelopen. Daar zag ik de buurman van nummer [nummer] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) boven op [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer]) zitten. [slachtoffer] lag op de grond in de bosjes. Ik zag de buurman met zijn rechter vuist op het hoofd van Rene slaan.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

V getuige

P verhoorder

O geconstateerde opmerking

A: Ik kwam de brandgang in en ik zag de verdachte boven [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer]) staan. Hij schopte een paar keer met zijn rechterbeen tegen het hoofd. [slachtoffer] lag toen al in de struiken.

V: Hoe schopte de verdachte?A: Hij trapte heel hard. Je zag de agressie van hem, dat hij [slachtoffer] echt wilde trappen.

V: Kunt u mij laten zien hoe de verdachte [slachtoffer] trapte?O: Ik zag dat de heer [getuige 1] opstond, dat hij zijn rechterknie omhoog deed, in een hoek van 90 graden en dat hij naar beneden trapte.A: Ik zag zijn knie omhoog gaan en toen met zijn voet naar beneden trappen.A: Hij trapte met zijn hele lichaam. V: Hoe vaak trapte hij?A: Zeker drie keer.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?