Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 6074141 HA RK 26-30
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 17 maart 2026
op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 23 februari 2026 mr. A.M. den Dulk (hierna: de rechter) gewraakt. De rechter is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer UTR 25/3440 BESLU (hierna: de hoofdzaak).
Verzoeker heeft op 9 maart 2026 de leden van de wrakingskamer gewraakt. Dit wrakingsverzoek van de leden van de wrakingskamer is op 10 maart 2026 door een andere wrakingskamer op zitting behandeld. Na afloop van de behandeling op de zitting heeft de andere wrakingskamer direct mondeling uitspraak gedaan en het wrakingsverzoek van de leden van de wrakingskamer afgewezen. De wrakingskamer heeft de behandeling van het wrakingsverzoek van verzoeker daarna voortgezet.
Het wrakingsverzoek is op 10 maart 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker en de rechter zijn beiden niet naar de zitting gekomen. De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het wrakingsverzoek
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. Uit de e-mail van 5 september 2024 – in het dossier van de hoofdzaak opgenomen onder tabblad A7 – blijkt dat er stukken worden achtergehouden, omdat hier gegevens van derden op zouden staan. Deze e-mail staat niet op de inventarislijst van het dossier in deze zaak en ook niet op die van de strafzaak, waarvan de zitting in april 2025 was. Dit is een overtreding van artikel 7:18 van de Awb en artikel 6 van het EVRM. Het bewijs in de strafzaak is illegaal verkregen en ten onrechte vernietigd. De vier verbalisanten hebben meineed gepleegd. Hiermee is volgens verzoeker bewezen dat er nooit een eerlijk proces heeft plaatsgevonden en de politierechter heeft gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM. Hij eist dat de politierechter wordt ontslagen, een schadevergoeding van € 4.000,- en dat zijn wapenverlof met terugwerkende kracht wordt hersteld.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. De rechter heeft de stukken in de hoofdzaak kort voor de geplande zitting van 24 februari 2026 voor het eerst gezien. Hij heeft in het voortraject geen procesbeslissingen genomen of anderszins handelingen verricht. Ook heeft hij niet eerder zaken van verzoeker behandeld. In de wrakingsgronden refereert verzoeker volgens de rechter ook niet aan hem, maar uitsluitend aan inhoudelijke en procedurele punten in deze procedure en in een eerdere strafrechtelijke procedure.
3. De beoordeling
Het toetsingskader
In artikel 8:15 Awb staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
De wrakingskamer stelt vast dat de stukken waarnaar verzoeker verwijst de stukken zijn die door de verweerder in de hoofdzaak bij de rechtbank zijn ingediend. De rechter beschikt niet over andere stukken dan verzoeker. Als in het dossier – zoals verzoeker aanvoert – stukken ontbreken, dan komt dat door verweerder in de hoofdzaak die deze stukken heeft ingediend. Van een handelen van de rechter is hierbij geen sprake. Hieruit kan dus geen vooringenomenheid van de rechter blijken.
De rechter is bestuursrechter en heeft geen betrokkenheid gehad bij de eerder doorlopen strafrechtelijke procedure of het daaraan voorafgegane onderzoek. Alles wat verzoeker daarover aanvoert kan dus niet tot een toewijzing van het wrakingsverzoek leiden.
De overige vorderingen die verzoeker met zijn wrakingsverzoek heeft ingediend behoren niet tot de bevoegdheid van de wrakingskamer.
De conclusie is dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijst.
Wrakingsverbod
De wrakingskamer legt een wrakingsverbod op aan verzoeker op grond van artikel 8:18, vierde lid, Awb.
Dit betekent dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de procedure met zaaknummer UTR 25/3440 BESLU niet in behandeling wordt genomen. De reden hiervan is dat moet worden voorkomen dat verzoeker de behandeling van de hoofdzaak (verder) vertraagt door opnieuw een wrakingsverzoek in te dienen. Naast het wrakingsverzoek waarover deze beslissing gaat en dat wordt afgewezen, heeft verzoeker ook de wrakingskamer gewraakt, welke wraking inmiddels is afgewezen. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker het wrakingsmiddel hiermee misbruikt.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het wrakingsverzoek af;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer UTR 25/3440 BESLU moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de zaak met het zaaknummer UTR 25/3440 BESLU niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is genomen door mr. D. Wachter, voorzitter, en mr. S.M. Schothorst en mr. I. Helmich als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. I.C. de Zeeuw-‘t Lam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.