Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 607567 HA RK 26-38
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 17 maart 2026
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 2 maart 2026 mr. P.J. Elferink (hierna: de rechter) gewraakt. De rechter is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer 1206847 (hierna: de hoofdzaak).
Het wrakingsverzoek is op 10 maart 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Alleen verzoeker is naar de zitting gekomen. De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het wrakingsverzoek
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. De brief van de rechtbank van 13 januari 2026 is voor hem onduidelijk. Uit de brief wordt niet duidelijk of de Regionale Sociale Dienst (hierna: RSD) een klacht of een verzoekschrift heeft ingediend. Verder is bij de brief een kopie van de brief die de RSD bij de rechtbank heeft ingediend gevoegd, maar volgens verzoeker is deze bijlage onvolledig. Op de zitting heeft hij toegelicht dat in ieder geval de adressering aan de rechtbank ontbreekt. Met een e-mailbericht van 13 februari 2026 heeft verzoeker de rechtbank om een verduidelijking van de brief verzocht en om het toezenden van de gehele tekst van de brief van de RSD. Op dit verzoek om aanvullende informatie heeft hij geen reactie ontvangen. Ook niet van de rechter toen hij op de zitting in de hoofdzaak nogmaals om deze informatie heeft gevraagd. Door deze onvolledige informatievoorziening heeft verzoeker zich niet goed kunnen voorbereiden tijdensop de zitting in de hoofdzaak. Verder voert verzoeker aan dat de rechter op de zitting in de hoofdzaak zonder voorbehoud bij herhaling tal van ongefundeerde beweringen, misvattingen en verdraaiingen van de RSD heeft overgenomen. Op de zitting komen selectief onderwerpen aan bod, waarin verdachtmakingen centraal staan en de rechter vermengt de begrippen ‘persoon’ en ‘rechtspersoon’. Verzoeker verwacht van de rechter een onafhankelijke, neutrale en onpartijdige benadering. Aan die verwachting werd door de rechter op de zitting in de hoofdzaak niet voldaan.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat zij het niet eens is met de wraking. In haar schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. In het dossier valt het woord ‘klacht’ op een paar momenten. Volgens de rechter is het begrijpelijk dat dat verwarring heeft opgeleverd bij verzoeker. Een verzoek van verzoeker om informatie of opheldering heeft de rechter echter niet kunnen terugvinden in het dossier. Het is haar onduidelijk welke informatie verzoeker had willen ontvangen, omdat hij als bewindvoerder als het goed is over dezelfde stukken beschikt als de rechtbank. Het signaal van de RSD en de eigen constateringen van de rechtbank in het dossier hebben ertoe geleid dat de rechtbank nadere informatie heeft opgevraagd bij verzoeker en dat er een zitting is gepland om het verloop van het bewind te bespreken. In de oproep voor de zitting staat ook ‘mondelinge behandeling inzake verloop van bewind’. Op de zitting heeft de rechter zich gefocust op de omstandigheden die de rechtbank ook in het eigen dossier bevestigd zag, namelijk dat sprake leek te zijn van een belangenverstrengeling. Verzoeker is als (particulier) bewindvoerder benoemd. Tegelijkertijd is hij direct betrokken als bestuurder bij de stichting die de grootste schuldeiser van betrokkene is. De rechter heeft dit ook benoemd tijdens de zitting. Zij citeert in haar reactie een gedeelte uit de zittingsaantekeningen. De mogelijke belangenverstrengeling is ook het onderwerp waarover verzoeker zich tijdens de zitting heeft kunnen uitlaten. Van onvoldoende hoor en wederhoor en het klakkeloos volgen van de stellingen van de RSD is daarom volgens de rechter geen sprake. Dat het op de zitting is gegaan over het feit dat verzoeker bestuurder / oprichter van de stichting was niet omdat het verschil tussen verzoeker als persoon en de stichting als rechtspersoon haar niet duidelijk was, maar omdat beide rollen van verzoeker in deze situatie juist relevant zijn. De vermenging van deze rollen heeft verzoeker ook zelf geschapen door als particulier bewindvoerder een loonverzoek met het tarief van een professioneel bewindvoerder te doen vanuit de stichting.
3. De beoordeling
Het toetsingskader
In artikel 36 Rv staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
De wrakingskamer is met verzoeker van oordeel dat de informatieverstrekking voorafgaand aan de zitting in de hoofdzaak vanuit de rechtbank aan verzoeker kennelijk niet vlekkeloos is verlopen. De wrakingskamer begrijpt dat als boven een brief als onderwerp ‘klacht’ staat, maar in de tekst van de brief vervolgens alleen nog over een ‘verzoekschrift’ wordt gesproken, dit tot verwarring bij verzoeker leidt. Ook is het begrijpelijk dat verzoeker zich afvraagt of de kopie van de melding van de RSD die aan hem is doorgestuurd wel de volledige tekst van de melding betreft, omdat de adressering ontbreekt. Ten slotte begrijpt de wrakingskamer dat het voor verzoeker vervelend was dat zijn verzoek om informatie – gedaan met zijn e-mail van 13 februari 2026 – niet voorafgaand aan de zitting in de hoofdzaak is beantwoord. Maar het feit dat de informatieverstrekking administratief niet vlekkeloos is verlopen, maakt het idee van verzoeker dat de rechter vooringenomen is naar het oordeel van de wrakingskamer niet objectief gerechtvaardigd. De rechtbank twijfelt niet aan de verklaring van de rechter in haar schriftelijke reactie dat zij in het dossier geen verzoeken om informatie en opheldering heeft kunnen terugvinden. Op de zitting heeft de wrakingskamer in het bijzijn van verzoeker vastgesteld dat de e-mail van verzoeker van 13 februari 2026 geen onderdeel uitmaakt van het dossier in de hoofdzaak, waarvan de wrakingskamer kennis heeft kunnen nemen.
De wrakingskamer maakt uit de schriftelijke reactie van de rechter en het daarin opgenomen citaat uit de zittingsaantekeningen op dat de rechter op de zitting in de hoofdzaak in de richting van verzoeker heeft aangeven dat de rechtbank toezicht houdt op het bewind en dat zij vanuit de in het dossier beschikbare informatie zorgelijke dingen heeft opgemerkt. Dat is de omstandigheid dat sprake lijkt te zijn van een belangenverstrengeling. Het is de wrakingskamer niet gebleken dat het voor de rechter niet duidelijk was welke verschillende rollen verzoeker in het bewind vervult. De rechter heeft op de zitting in de hoofdzaak niet – zoals verzoeker aanvoert – de lijn van de RSD gevolgd, maar aan verzoeker haar eigen bevindingen vanuit het dossier over het verloop van het bewind voorgehouden. De rechter heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld zich over deze bevindingen uit te laten. Naar het oordeel van de wrakingskamer blijkt hieruit geen vooringenomenheid van de rechter. Het is juist de taak van de rechter om het verloop van de bewindvoering en dus ook de schijn van belangenverstrengeling die uit het dossier naar voren komt met verzoeker te bespreken.
De conclusie is dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijst.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het wrakingsverzoek af;
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 1206847 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
Deze beslissing is genomen door mr. D. Wachter, voorzitter, en mr. S.M. Schothorst en mr. I. Helmich als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. I.C. de Zeeuw-‘t Lam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.