RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/295278-24; 16/223912-24 (gev. ttz); 16/256085-24 (gev. ttz);
15/017762-25 (gev. ttz)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 19 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2003] in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
nu gedetineerd te [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 5 maart 2026 en pro forma behandeld op de openbare zittingen van 17 december 2024, 4 maart 2025, 3 april 2025, 24 juni 2025, 17 september 2025 en 10 december 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:
Parketnummer 16/295278-24
Feit 1 primair:
op 14 september 2024 in Amersfoort heeft gepoogd [slachtoffer 2] zwaar te mishandelen door met een stuk glas in de richting van haar hals te steken, tegen het hoofd te stompen en haar keel dicht te knijpen;
Feit 1 subsidiair: op die datum en in die plaats met dezelfde handelingen voornoemde [slachtoffer 2] heeft mishandeld;
Feit 2 primair:
op 14 september 2024 in Amersfoort heeft gepoogd [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen door met een stuk glas in/in de richting van haar hals en gezicht te steken en haar bij de nek vast te pakken;
Feit 2 subsidiair: op die datum en in die plaats met dezelfde handelingen voornoemde [slachtoffer 1] heeft mishandeld;
Parketnummer 16/223912-24: op 9 juli 2024 in Amersfoort [slachtoffer 3] heeft mishandeld door aan haar haren te trekken, haar bij de keel te grijpen en deze dicht te knijpen;
Parketnummer 16/256085-24: op 27 juli 2024 in Amersfoort [slachtoffer 5] heeft mishandeld door met een scherf op zijn hand te krassen en te krabben en te bijten;
Parketnummer 15/017762-25: op 8 oktober 2024 in Westzaan [slachtoffer 4] heeft mishandeld door haar bij haar keel te grijpen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummer 16/295278-24 zoals tenlastegelegd onder 1 primair en onder 2 primair en onder de parketnummers 16/223912-24, 16/256085-24 en 15/017762-25 heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De verdachte heeft de feiten bekend. Zij geeft aan dat in de ten laste gelegde periode van 9 juli 2024 tot en met 8 oktober 2024 haar relatie werd verbroken en zij haar vrijwilligerswerk kwijtraakte, waarna zij depressief is geworden. Zij wilde naar een gesloten GZ-instelling voor een langdurige opname omdat zij voelde dat het niet goed met haar ging. Zij wilde niemand pijn doen, maar is toch de fout in gegaan door deze ernstige feiten te plegen. Zij wil niet dat dit soort dingen nog eens gaan gebeuren.
Oordeel van de rechtbank
Vastgestelde feiten en omstandigheden
Parketnummer 16/295278-24 onder feit 1 primair
Aangeefster [slachtoffer 2] , gezeten in haar rolstoel, bevindt zich op 14 september 2024 buiten op het terrein van GGZ [instelling] als zij onverhoeds wordt aangevallen door de verdachte, die op haar afliep. Zij kende de verdachte niet, en begroette haar nog met 'goedenavond'. Hierop reageerde de verdachte door stekende bewegingen naar haar te maken met een stuk glas dat zij in haar hand had. Zij raakte het slachtoffer daarbij in de nek. Ook heeft zij meerdere malen op het hoofd van het slachtoffer gestompt en haar bij de keel gegrepen en deze dichtgeknepen. Het slachtoffer heeft zich proberen te verweren maar kon weinig weerstand bieden omdat zij in een rolstoel zat. Uiteindelijk kwam er hulp.
Parketnummer 16/295278-24 onder feit 2 primair
Diezelfde dag 14 september 2024, maar een half uur eerder, is aangeefster [slachtoffer 1] aangevallen en gewond geraakt door de verdachte. Zij wandelde samen met een vriendin op het terrein van GGZ [instelling] toen de verdachte haar uit het niets bij de kraag van haar shirt beetpakte en (met haar andere hand) waarin zij een stuk glas had meerdere bewegingen maakte richting de nek en ogen van aangeefster. De verdachte heeft haar ongeveer drie keer beetgepakt. Ze wist uiteindelijk weg te komen, maar raakte gewond in haar gezicht en had een snee in haar hals.
Parketnummer 16/223912-24
Op 9 juli 2024 is aangeefster [slachtoffer 3] , een vrouw van 83 jaar, mishandeld. Zij reed samen met haar vriend over het terrein van GGZ [instelling] om de honden uit te laten en stapte uit omdat de verdachte voor de auto sprong. De verdachte is haar vervolgens aangevlogen door haar bij haar haar vast te pakken en er hard aan te trekken. Ook heeft de verdachte haar bij haar keel gegrepen en deze dicht geknepen. Uiteindelijk is een beveiliger van het terrein te hulp geschoten en is de verdachte door de politie aangehouden.
Parketnummer 16/256085-24
Op 27 juli 2024 is aangever [slachtoffer 5] , de persoonlijk begeleider van de verdachte, mishandeld toen hij thee zette voor verdachte en verdachte hem plotseling van achteren aanvloog. Hij kon haar bij haar arm grijpen en naar de grond werken. Eenmaal op de grond probeerde hij in contact te komen met haar, maar zij deed er alles aan om hem pijn te doen, zoals krabben en bijten. In de worsteling zag hij dat de verdachte een scherf glas in haar hand had en zag hij de punt van de scherf uit haar hand komen. Met een toegesnelde collega kwam de situatie onder controle en kwam de politie.
Parketnummer 15/017762-25
Tot slot is op 8 oktober 2024 aangeefster [slachtoffer 4] , een medegedetineerde van de verdachte in PPC [verblijfplaats] , door de verdachte uit het niets van achteren aangevallen. De verdachte greep haar ineens bij haar keel en kneep deze dicht. Een beveiliger heeft de verdachte weggetrokken.
Bewijsmiddelen
Gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat zij de feiten heeft gepleegd zoals hieronder bewezen wordt verklaard en namens haar ook niet om vrijspraak van die feiten is gevraagd hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:.
De rechtbank maakt daarbij een uitzondering voor de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. Deze zal zij – mede omdat de verdachte hiermee enig inzicht geeft in haar drijfveren en gemoedstoestand op dat moment – wel inhoudelijk als bewijsmiddel opnemen.
Ten aanzien van parketnummer 16/295278-24 onder feit 1 primair
- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 14 september 2024 ;
- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] van 15 september 2024 ;
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 maart 2026:
Het klopt dat ik met mijn hand een stekende beweging heb gemaakt naar aangeefster [slachtoffer 2] en dat ik glas in mijn hand had. De scherf was van een potje appelmoes dat al kapot was, en ik had deze scherf om mezelf daarmee te kunnen beschadigen. Ik pakte de scherf nu met de intentie om iemand pijn te doen en de keel door te snijden. Ik kan mij niet herinneren dat ik aangeefster heb gestompt op haar hoofd. Het klopt wel dat ik haar bij de keel heb gepakt. Ik kan mij herinneren dat ik haar probeerde te steken en haar keel wilde dicht knijpen. Ik begreep niet waarom ik dat deed want ze was zo lief. Ik was niet mijzelf; er hing een zwarte mist om mij heen. Ik wil niet dat het nog eens gebeurt.
Het klopt dat ik die gedachten vaker heb om iemand schade toe te brengen of iemand dood te maken. Aangeefster zei ineens heel zachtjes iets van dat ik er zo lief uitzag. Toen was ik ineens terug in de werkelijkheid. Ik ben weggelopen en toen zag ik een politieauto. Ik dacht toen dat het jammer was dat het niet gelukt was, dat ik mijn kans had verspeeld. Het is dubbel.
Ten aanzien van parketnummer 16/295278-24 onder feit 2 primair
- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 14 september 2024 ;
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 maart 2026:
Ik heb op het moment dat ik aangeefster [slachtoffer 1] in de nek stak niet van te voren nagedacht waar ik haar zou steken. Het kan kloppen dat het glinsterend voorwerp dat aangeefster tussen mijn vingers zag, de scherf was. Wat aangeefster heeft verklaard kan kloppen. Ze rende weg en ik rende erachteraan. Ik wilde het zo graag afmaken. Ik heb haar nog vastgegrepen. Het klopt dat ik gestopt ben toen ik haar Oekraïens hoorde praten omdat ik het opeens zielig vond.
Ten aanzien van parketnummer 16/223912-24
- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 9 juli 2024 ;
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 maart 2026:
Ik weet nog dat ik aangeefster [slachtoffer 3] aan haar haren trok. Aan mij wordt voorgehouden dat ik bij de politie heb verklaard dat ik een zwart gat in mijn geheugen had met betrekking tot dit feit, maar dat ik bij het Pieter Baan Centrum duidelijker heb verklaard, namelijk dat ik aan haar haren heb getrokken en dat ik haar keel heb dichtgeknepen omdat ik in paniek was. Dat klopt. Als twee jarige duwde ik al kindjes omver. Hier was ook zoiets aan de orde. Ik wilde dood en alles wat mij tegenhield, duwde ik aan de kant of deed ik pijn.
Ik weet niet wat er zou zijn gebeurd als de beveiliger er niet tussen was gekomen.
Ten aanzien van parketnummer 16/256085-24
- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] van 27 juli 2024 ;
- een geschrift in de vorm van een pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum van 15 januari 2026, opgemaakt door R. Haveman, GZ-psycholoog en M.B.F. van Berkel, psychiater ;
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 maart 2026:
Mijn begeleider was boos op de bezorger en uitte zijn boosheid ook tegen mij omdat de bestelde pizza maar niet kwam. Toen werd mijn kat heel bang. Ik geef veel om mijn kat en daarom werd ik er ook bang van. Wat ik heb gedaan, heb ik allemaal uit angst gedaan. Hij heeft teruggevochten, dus ik kon niet bij zijn nek. Aan mij wordt gevraagd of ik daar wel op uit was. Daar kan ik me niet over uitspreken. Ik weet niet wat er gebeurd zou zijn als mijn begeleider zich niet had omgedraaid. Ik weet ook niet wat ik wilde met die scherf. Ik heb eerder een aantal keer het nummer 113 gebeld omdat ik bang was dat ik anderen pijn deed. Ik wist niet wat ik moest doen. Het klopt dat 113 het nummer is dat je belt bij een suïcide gedachte, maar dat was toen ook aan de orde.
Ten aanzien van parketnummer 15/017762-25
- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] van 31 oktober 2024 ;
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 5 maart 2026:
Aangeefster [slachtoffer 4] deed schoonmaakwerk en kwam met een doek vlakbij mij. Zij kwam steeds dichterbij. Ik heb tegen haar gezegd om daarmee te stoppen maar ze bleef doorgaan.
Ik heb haar een keer opgetild aan haar nek, en gezegd dat dat de laatste keer was dat ik haar spaarde. Het zat er gewoon aan te komen. Ik ben nu nog boos op haar.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1 en 2 onder parketnummer 16/295278-24
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte strafrechtelijk gekwalificeerd moet worden als een poging tot zware mishandeling (1 primair en 2 primair) of als mishandeling (1 subsidiair en 2 subsidiair).
De rechtbank komt tot het oordeel dat het handelen van verdachte (in beide gevallen) een poging tot zware mishandeling oplevert. Bij een poging tot zware mishandeling moet het opzet gericht zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hoewel de rechtbank, mede gelet op de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting, de aanwezigheid van ‘vol’ opzet op (onderdelen van) het ten laste gelegde niet volledig kan uitsluiten, is er wat de rechtbank betreft minst genomen sprake van voorwaardelijk opzet bij verdachte. Van voorwaardelijke opzet is sprake indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Uit de hierboven opgenomen bewijsmiddelen volgt dat de verdachte van aangeefster [slachtoffer 2] de keel heeft dicht geknepen en haar in haar nek heeft gestoken met een stuk glas. Verdachte heeft aangeefster [slachtoffer 1] bij de nek vastgepakt en met een stuk glas in haar nek en gezicht gestoken. Door de verdachte is verklaard dat zij de scherf pakte met de intentie om iemand pijn te doen en de keel door te snijden. Zij kan zich herinneren dat zij aangeefster [slachtoffer 2] probeerde te steken en haar keel wilde dicht knijpen en dat zij vaker die gedachten heeft om iemand schade toe te brengen of iemand dood te maken.
Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de keel vitale delen -waaronder het strottenhoofd- bevinden, en dat de aanmerkelijke kans bestaat dat deze bij krachtig samendrukken beschadigd raken. Ook is het een feit van algemene bekendheid dat de kans op het optreden van hersenletsel ten gevolge van zuurstoftekort aanmerkelijk is. Daar komt bij dat het steken met een stuk glas in de nek en het gezicht ook kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel, zoals ernstig ontsierende littekens en/of oogletsel. Als in de nek en het gezicht met een stuk glas wordt gestoken in combinatie met de overige geweldshandelingen, is daarmee de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel gegeven. Het letsel dat aangeefster [slachtoffer 1] heeft opgelopen, onderstreept dit. Zij heeft, zoals ter terechtzitting is gebleken, een zichtbaar litteken in haar nek opgelopen. Er is geen reden om aan te nemen dat verdachte gestopt zou zijn met de geweldshandelingen als de beveiliging bij aangeefster [slachtoffer 2] niet had ingegrepen of als aangeefster [slachtoffer 1] het niet was gelukt om te ontsnappen.
Deze geweldshandelingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit de bewuste aanvaarding van de verdachte van die aanmerkelijke kans op zwaar letsel volgt.
De rechtbank acht de onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling daarom bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
Parketnummer 16/295278-24
1. primairop 14 september 2024 te Amersfoort,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen- met een stuk glas in de nek van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en- meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gestompt, en- de keel van die [slachtoffer 2] met kracht heeft dicht geknepen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2 primairop 14 september 2024 te Amersfoort,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen- met een stuk glas in/in de richting van de hals en het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en- die [slachtoffer 1] bij de nek heeft vastgepakt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 16/223912-24
op 9 juli 2024 te Amersfoort [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3]- (met kracht) aan haar haren te trekken,- bij de keel te grijpen en vast te pakken, en- (vervolgens) de keel dicht te knijpen;
Parketnummer 16/256085-24
op 27 juli 2024 te Amersfoort [slachtoffer 5] heeft mishandeld door hem met een scherf op de hand te krassen en door te krabben en te bijten;
Parketnummer 15/017762-25
op 8 oktober 2024 te Westzaan, gemeente Zaanstad [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] bij haar keel te grijpen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Parketnummer 16/295278-24
Feit 1 primair en 2 primair: poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.
Parketnummers 16/223912-24, 16/256085-24 en 15/017762-25: mishandeling, meermalen gepleegd.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Standpunt van de officier van justitie en de verdediging
Zowel de officier van justitie als de advocaat hebben het standpunt ingenomen dat de verdachte strafbaar is voor het plegen van alle hiervoor genoemde strafbare feiten, zij het in sterk verminderde mate.
Oordeel van de rechtbank
Over de verdachte is een pro Justitia rapportage uitgebracht door het Pieter Baan Centrum op 15 januari 2026, opgemaakt door R. Haveman, GZ-psycholoog en M.B.F. van Berkel, psychiater.
Het rapport houdt onder meer het volgende in:
“In meer samenvattende termen kan gezegd worden dat er sprake is geweest van een problematische persoonlijkheidsontwikkeling op een wankel neurobiologisch fundament en dat zich dit thans op volwassen leeftijd laat classificeren als een borderline persoonlijkheidsstoornis.Naast de classificatie van een borderline persoonlijkheidsstoornis worden de terugkerendeagressieve impulsdoorbraken als een separate stoornis geclassificeerd, namelijk als een‘andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis’.
De geconstateerde stoornissen waren allen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde- indien bewezen - aanwezig. Het betreffen immers stoornissen met een structureel karakter.Gesproken kan worden van een substantiële doorwerking van de pathologie in het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt om alle vijf de feiten in sterk verminderde mate toe te rekenen.”
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen R. Haveman en M.B.F. van Berkel over en is op basis van deze conclusies van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde in sterk verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.
De verdachte is strafbaar.
6. Straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie vordert daarnaast dat aan de verdachte een maatregel tot terbeschikkingstelling (tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege voor ongemaximeerde duur wordt opgelegd (hierna: tbs met dwangverpleging).
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit dat de verdachte zich kan vinden in tbs met dwangverpleging en refereert zich met betrekking tot de vereisten voor tbs met dwangverpleging aan het oordeel van de rechtbank. De advocaat acht een gevangenisstraf echter niet noodzakelijk. Er dient rekening te worden gehouden met de meewerkende proceshouding van de verdachte. Verdachte heeft oprechte spijt. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is en bereid is om zich laten te behandelen. Zij wil graag weten wat er aan de hand is en wil dat het beter gaat. Tbs met dwangverpleging is een langdurig traject en zal zwaar zijn voor haar. Een gevangenisstraf is dan niet meer op zijn plaats en is niet nodig in het kader van vergelding, gezien haar houding ten opzichte van de slachtoffers. Een gevangenisstraf zal -anders dan de behandeling - haar niet weerhouden om nieuwe strafbare feiten te plegen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van hierna te noemen duur en de tbs-maatregel met dwangverpleging op.
Bij het bepalen van deze straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
Op 14 september 2024 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling van twee toevallige voorbijgangsters op het terrein van GGZ [instelling] .
De verdachte heeft daarbij eerst het slachtoffer [slachtoffer 1] bij de nek vastgepakt en met een stuk glas in haar nek en gezicht gestoken. Een half uur later heeft de verdachte de keel van het slachtoffer [slachtoffer 2] dicht geknepen, haar in haar nek gestoken met een stuk glas en ook op haar hoofd gestompt.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan drie mishandelingen. Op 9 juli 2024 heeft zij een slachtoffer van 83 jaar die haar honden op het terrein van GGZ [instelling] wilde uitlaten, aangevallen. Op 27 juli 2024 heeft zij haar persoonlijk begeleider mishandeld en op 8 oktober 2024 een medegedetineerde.
De slachtoffers zijn door verdachte uit het niets aangevallen. Uit de aangiftes komt naar voren hoe beangstigend het voor de slachtoffers is geweest en hoe machteloos zij zich hebben gevoeld. Een aantal slachtoffers is gewond geraakt omdat de verdachte hen aanviel met een stuk glas. Bij het slachtoffer [slachtoffer 1] is een litteken in haar hals nog steeds zichtbaar, zoals ter zitting is gebleken.
Dat er geen zwaarder letsel is ontstaan is niet aan de verdachte te danken, maar veelal aan het feit dat omstanders hebben ingegrepen. Door zo te handelen heeft de verdachte niet alleen de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden, maar hen ook veel angst aangejaagd hetgeen - zo is algemeen bekend - het functioneren in het dagelijkse leven in (zeer) negatieve zin kan beïnvloeden.
Uit de slachtofferverklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] blijkt ook dat zij nog steeds de psychische gevolgen ervaren. [slachtoffer 2] heeft tot op heden last van herbelevingen en ervaart momenten van angst, vooral wanneer zij (alleen) buiten is. [slachtoffer 1] kreeg last van psychologische klachten, waaronder ernstige nachtmerries, toenemende angst en paniekaanvallen, waardoor slapen, studeren en dagelijks functioneren veel moeilijker voor haar zijn geworden.
Het uitgangspunt bij de strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld. Bij de raadpleging van de oriëntatiepunten vormt de bewezenverklaring van de rechtbank het uitgangspunt. In dit geval is de rechtbank - naast de drie mishandelingen - tweemaal tot een bewezenverklaring gekomen van (een poging tot) zware mishandeling waarvoor als oriëntatiepunt geldt een gevangenisstraf van 7 maanden. De rechtbank houdt er in strafverminderende zin rekening mee dat sprake is van een poging en niet van een voltooid delict.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 maart 2025. Hieruit volgt dat de verdachte op 8 maart 2021 door de kinderrechter in de rechtbank Gelderland schuldig is verklaard zonder oplegging van straf of maatregel voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportages
Over de verdachte is zoals hierboven vermeld door een psychiater en een psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, een Pro Justitia rapportage opgemaakt. Uit deze rapportage blijkt dat de verdachte een uitgebreide psychiatrische voorgeschiedenis heeft. Zoals hiervoor in paragraaf 5 besproken stellen de deskundigen bij verdachte de diagnose van een borderline persoonlijkheidsstoornis en een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis. Met betrekking tot het recidiverisico rapporteren de deskundigen als volgt.
Het recidiverisico dat vanuit de pathologie van de verdachte naar voren komt, wordt als hoog
beoordeeld, zowel in de situatie dat zij zonder behandeling op zichzelf zou zijn aangewezen,
als in een gestructureerde klinische omgeving. De zeer beperkte emotie- en agressieregulatie kunnen hierbij als de belangrijkste functiestoornissen worden genoemd. Het geïntegreerde oordeel over het recidiverisico dat zowel op basis van de pathologie als de
risicotaxatie tot stand is gekomen, laat een hoog risico op gewelddadige recidive zien. Dit risico is acuut te noemen en kan al op de korte termijn optreden. Er is daarbij ook
escalatiegevaar. Het gedrag van verdachte kan als onvoorspelbaar en risicovol worden getypeerd.
Om het risico op recidive te beperken en het gevaar terug te brengen, is een langdurige,
intensieve psychotherapeutische interventie nodig. Te denken valt aan een vorm van
dialectische gedragstherapie (DGT) of een vorm van mentalisation based therapy (MBT). Daarbij is ook een passend socio-therapeutisch behandelklimaat noodzakelijk, als ook (zo mogelijk beperkte) medicamenteuze ondersteuning. Gelet op de intensiteit van behandeling die nodig is, is het noodzakelijk dat dit binnen een klinische opname gebeurt. De verwachting is dat het traject langdurig zal zijn en zeker jaren in beslag zal nemen. Gelet op de continue risico’s die verdachte met zich meebrengt, ook in klinische omgevingen, is een forensische context die rekening houdt met deze risico’s en in staat is tot het toepassen van risicomanagement noodzakelijk. Er moet daarbij sprake zijn van een hoog zorgniveau. Het beveiligingsniveau daarentegen hoeft niet van het hoogste niveau te zijn. De intensiteit van de behandeling en het risicomanagement moeten hoog zijn. Vanwege deze intensiteit is een tbs-maatregel met dwangverpleging het aangewezen juridische kader. Een tbs met voorwaarden is overwogen, maar verdachte kan door de aard en ernst van haar pathologie de verantwoordelijkheid voor het intensieve en langdurige traject onvoldoende dragen, waardoor een tbs met voorwaarden niet zal kunnen leiden tot een adequate behandeling en het recidiverisico onvoldoende zal afnemen.
In het reclasseringsadvies van 12 februari 2026, opgesteld door reclasseringswerker F. Wielakker, staat beschreven dat de reclassering zich aansluit bij de conclusie van de deskundigen. Naast de ernstige pathologie van de verdachte ziet de reclassering het gegeven dat de hulpverlening tot op heden geen grip op de problematiek van de verdachte lijkt te krijgen en de zoals in de PJ-rapportages beschreven resistentie tegen therapie, als zeer zorgelijke risicofactoren. Naast een gemotiveerde houding van de verdachte om mee te werken aan klinische behandeling, ziet de reclassering geen beschermende factoren.
De reclassering schat het recidiverisico eveneens in als hoog en is ook van mening dat een tbs met voorwaarden niet voldoende zal kunnen leiden tot adequate behandeling en voldoende afname van het recidiverisico.
De oplegging van een straf en maatregel
Gevangenisstraf
De rechtbank acht de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar en houdt hier in sterk strafverminderende zin rekening mee.
Gelet op de recidive van de verdachte en de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich meebrengt. Rekening houdend met de sterk verminderende toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, is de rechtbank - conform de eis van de officier van justitie - van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden is.
Ten aanzien van de gevorderde tbs-maatregel
De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of, naast de oplegging van een gevangenisstraf, ook de noodzaak aanwezig is tot het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging, zoals door de officier van justitie is gevorderd.
De rechtbank zal de adviezen van de deskundigen volgen en aan de verdachte de maatregel van tbs met dwangverpleging opleggen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Aan de voorwaarden voor het opleggen van die maatregel is voldaan. Zoals hiervoor is overwogen blijkt uit de rapportages van de deskundigen dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezenverklaarde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestesvermogens. De feiten van 14 september 2024 (twee pogingen tot zware mishandeling) zijn feiten waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, de oplegging van die maatregel. Uit het strafblad van de verdachte, haar behandelgeschiedenis en de bevindingen van de deskundigen, blijkt dat de kans groot is dat de verdachte zonder verdere behandeling in de toekomst recidiveert.
De verdachte kampt met meervoudige en complexe problematiek. Sinds haar kinderjaren zijn tal van diagnoses gesteld. Ondanks de intensieve psychiatrische en systeemgerichte interventies die vanaf jonge leeftijd zijn ingezet, blijft sprake van ernstige psychische ontregeling, pseudo-suïcidaliteit en agressie gericht op zichzelf en anderen. Ook op High Intensive Care afdelingen, gedurende jarenlange verplichte zorg-plaatsingen in de GGZ (middels een zorgmachtiging) én gedurende detentie in PPC [verblijfplaats] en PPC [verblijfplaats] liet de verdachte forse agressie zien jegens medepatiënten, medegedetineerden en personeel.
Dit gedragspatroon voortvloeiend uit haar complexe stoornissen dient doorbroken te worden en daarvoor is een langdurig traject van intensieve behandeling in een beveiligde omgeving noodzakelijk. Het is noemenswaardig en positief dat ook de verdachte zelf inziet dat een dergelijke behandeling noodzakelijk is.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een tbs-maatregel met dwangverpleging op dit moment het meest passende kader is waarbinnen de verdachte kan - en moet - worden behandeld. De rechtbank is zich hierbij bewust van de problematiek rondom wachtlijsten en het ontbreken van een alternatief.
Ongemaximeerde tbs
De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel kan daarom langer duren dan vier jaren.
Voorlopige hechtenis
Omdat de rechtbank een vrijheidsbenemende maatregel oplegt, zal zij het bevel tot voorlopige hechtenis niet opheffen.
7. Vordering benadeelde partij
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.750,- aan immateriële schadevergoeding ten gevolge van het onder feit 1 onder parketnummer 16/295278-24 ten laste gelegde, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 14 september 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 1.750,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 17 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als zij dat heeft gedaan, is zij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 4.025,- aan immateriële schadevergoeding voor feit 2 onder parketnummer 16/295278-24, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering geheel toe te wijzen onder oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Er wordt in het verzoek verwezen naar twee uitspraken. In deze uitspraken is sprake van fors ernstiger letsel. De advocaat verzoekt daarom de vordering te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie A van de Rotterdamse schaal.
De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 1.500,- tot € 5.500,- tot uitgangspunt.
De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding van € 3.000,- passend is. De rechtbank wijst de vordering tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 14 september 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 3.000,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als zij dat heeft gedaan, is zij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 339,- aan materiele schadevergoeding (sierraden die niet te herstellen zijn) en daarnaast een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
Voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder parketnummer 16/223912-24 bewezenverklaarde feit, voor het gevorderde bedrag van € 339,-. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van
€ 1.000,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 9 juli 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 1.339,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 13 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als zij dat heeft gedaan, is zij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 600,- aan immateriële schadevergoeding voor het feit onder parketnummer 15/017762-25, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering geheel toe te wijzen De officier van justitie vordert tevens toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Het verzoek van € 600,- is onderbouwd met een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De advocaat refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding.
Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 8 oktober 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 600,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 6 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als zij dat heeft gedaan, is zij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
8. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder parketnummer 16/295278-24 onder 1 primair en 2 primair en het onder de parketnummers 16/223912-24, 16/256085-24 en 15/017762-25 bewezenverklaarde;
oplegging straf en maatregel
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat zij van overheidswege wordt verpleegd;
vordering benadeelde partij [slachtoffer 2]
€ 1.750,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 17 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering benadeelde partij [slachtoffer 1]
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van
€ 3.000,-;
vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]
€ 1.339,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 13 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering benadeelde partij [slachtoffer 4]
€ 600,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 6 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Edgar, voorzitter, mrs. C.S.K. Fung Fen Chung en M. Pieplenbosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Soeteman als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
Parketnummer 16/295278-24
1zij op of omstreeks 14 september 2024 te Amersfoort,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen- met een stuk glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althanseenmaal, in/tegen/in de richting van de hals en/of de nek van die [slachtoffer 2] heeftgestoken en/of geprikt en/of geslagen, en/of- meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gestompt, en/of- de keel van die [slachtoffer 2] met kracht heeft dicht geknepen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 14 september 2024 te Amersfoort, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door- met een stuk glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althanseenmaal, in/tegen/in de richting van de hals en/of de nek van die [slachtoffer 2] te stekenen/of te prikken en/of te slaan, en/of- meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te stoppen, en/of- de keel van die [slachtoffer 2] met kracht dicht te knijpen;
2zij op of omstreeks 14 september 2024 te Amersfoort,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen- met een stuk glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althanseenmaal, in/tegen/in de richting van de hals en/of het gezicht van die [slachtoffer 1]heeft gestoken en/of geprikt en/of geslagen, en/of- die [slachtoffer 1] bij de nek heeft vastgepakt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 14 september 2024 te Amersfoort, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door- met een stuk glas, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althanseenmaal, in/tegen/in de richting van de hals en/of het gezicht van die [slachtoffer 1]te steken en/of te prikken en/of te slaan, en/of- die [slachtoffer 1] bij de nek vast te pakken;
Parketnummer 16/223912-24
zij op of omstreeks 9 juli 2024 te Amersfoort [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3]- (met kracht) aan haar haren te trekken,- bij de keel te grijpen en/of vast te pakken, en/of- (vervolgens) de keel dicht te knijpen;
Parketnummer 16/256085-24
zij op of omstreeks 27 juli 2024 te Amersfoort[slachtoffer 5] heeft mishandeld door hem met een scherf op de hand te krassen endoor te krabben en te bijten;
Parketnummer 15/017762-25
zij op of omstreeks 8 oktober 2024 te Westzaan, gemeente Zaanstad[slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] bij haar keel te grijpen.