RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
De bewaarder van het Kadaster en de openbare registers
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8204
en
(gemachtigde: mr. P.A.M. Schamp).
1. Deze uitspraak gaat over een grensgeschil, namelijk de vraag waar precies de eigendomsgrens ligt van het perceel van eisers met perceelnummer [nummer] . In het kadastrale meetrapport (relaas van bevindingen) Mijdrecht [nummer] is de zuidwestelijke grens van het perceel vastgesteld op de lijn met de meetgetallen 35,60 en 34,35 meter. Eiser is het hiermee niet eens en voert daartoe verschillende beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Op 29 juli 2024 heeft eiser een verzoek tot herstel ingediend bij het Kadaster omdat er sprake zou zijn van een verschil tussen de gegevens in het brondocument (relaas van bevindingen) en de gegevens in de Basisregistratie Kadaster.
4. Bij primair besluit van 1 augustus 2024 heeft verweerder het verzoek afgewezen.
5. Op 19 augustus 2024 heeft eiser bezwaar ingediend.
6. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij het besluit gebleven om de grens tussen percelen [nummer] en [nummer] onaangepast te laten. Dat de feitelijke terreinsituatie volgens eiser afwijkt van de in het brondocument opgenomen kadastrale grens is niet relevant omdat dit buiten het bestek van het relevante toetsingskader van artikel 7t Kadasterwet valt.
7. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
8. De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
9. Verweerder heeft in correspondentie en, tijdens de zitting, mondeling de ontvankelijkheid van het beroep aan de orde gesteld. De rechtbank dient ook ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep te beoordelen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
10. De termijn voor het indienen van beroep bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb). Een na afloop van die termijn ingediend beroepschrift is niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 van de Awb).
11. Niet in geschil is dat het bestreden besluit op 16 oktober 2024 aan eiser is bekendgemaakt en dat de beroepstermijn afliep op 27 november 2024. Eiser heeft zijn beroepschrift echter pas op 10 december 2024 ingediend, zodat het te laat is.
12. Eiser stelt dat zijn termijnoverschrijding verschoonbaar is. Hij voert daartoe aan dat hij in de betreffende periode onder intensieve medische behandeling stond. Eiser heeft toegelicht dat hij na een operatie radiotherapie onderging in de periode van 3 oktober 2024 tot en met 1 november 2024 bij het Amsterdam UMC, locatie VUmc. Volgens eiser leidde deze behandeling tot bijwerkingen, waaronder aanzienlijke vermoeidheid en lusteloosheid, waardoor hij niet heeft onderkend dat de brief van 16 oktober 2024 een afwijzing van zijn bezwaarschrift bevatte. Verweerder heeft deze toelichting niet weersproken en de rechtbank acht de door eiser geschetste persoonlijke omstandigheden op zichzelf niet ongeloofwaardig. De rechtbank acht deze omstandigheden – zonder af te willen doen aan de ernst voor eiser – niet afdoende om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dit alleen al vanwege het feit dat de beroepstermijn pas op 27 november 2024 afliep. Dat is enkele weken na het einde van de door eiser gestelde behandeling op 1 november 2024. De rechtbank is dan ook van oordeel dat – alhoewel eiser zich mogelijk door de behandeling minder fit en moe voelde, hij voor afloop van de beroepstermijn zelf beroep had kunnen instellen, dan wel iemand anders had kunnen vragen dat voor hem te doen.
13. De door eiser afgelegde verklaring dat hij de strekking van het besluit niet goed had begrepen, maakt ook niet dat de termijn overschrijding verschoonbaar is. In het besluit staat duidelijk vermeld dat het gaat om een beslissing op zijn bezwaar, en onderaan het besluit is een rechtsmiddelenclausule opgenomen waarin de mogelijkheid van beroep en de beroepstermijn helder staan vermeld.
14. De rechtbank merkt ter voorlichting van eiser op dat wanneer zij wel aan een inhoudelijke beoordeling toegekomen zou zijn, het beroep ongegrond zou zijn verklaard. Op grond van artikel 7t, eerste lid, van de Kadasterwet kan een belanghebbende slechts om wijziging van een authentiek gegeven in de Basisregistratie Kadaster (BRK) verzoeken indien sprake is van gerede twijfel over de juistheid van dat gegeven. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat toepassing van artikel 7t uitsluitend aan de orde is wanneer sprake is van een evidente misslag of een fout in de kadastrale aanduiding. Deze toets is strikt, omdat het gaat om authentieke gegevens uit een basisregistratie. In deze zaak is niet gebleken van een dergelijke fout of misslag. De grens is in 1982 aangewezen, ingemeten en verwerkt in het betreffende brondocument (het relaas van bevindingen met archiefnummer 853). De registratie in de BRK komt volledig overeen met dit brondocument. Verweerder heeft dat ook deugdelijk toegelicht. Artikel 7t van de Kadasterwet biedt geen grondslag voor het corrigeren van een – verondersteld – feitelijk grensgeschil. De door eiser aangevoerde feiten zijn, gelet op het strikte kader van artikel 7t Kadasterwet, dan ook niet relevant voor de beoordeling van onderhavig beroep.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Dit betekent dat eiser geen recht heeft op terugbetaling van het griffierecht en dat er geen aanleiding bestaat voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaard het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A. Gomes de Jorge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.