ECLI:NL:RBMNE:2026:108

ECLI:NL:RBMNE:2026:108, Rechtbank Midden-Nederland, 20-01-2026, 16.407008.24

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 20-01-2026
Datum publicatie 20-01-2026
Zaaknummer 16.407008.24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Wet Seksuele Misdrijven. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (meermalen) verkrachting van een 15-jarig meisje. Er was geen sprake van een gelijkwaardige relatie tussen leeftijdsgenoten zoals bedoeld in lid 3 van artikel 248 Sr. Oplegging van een gevangenisstraf van 120 dagen waarvan 104 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Tevens oplegging van een taakstraf van 240 uren. Partiele toewijzing van door het slachtoffer gevorderde immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.407008.24

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2000] in [geboorteplaats] (Bulgarije),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 19 december 2025. Het onderzoek is, met instemming van de raadsvrouw van de verdachte en de officier van justitie, enkelvoudig gesloten op 20 januari 2026, waarna direct uitspraak is gedaan.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

in de periode van 21 december 2024 tot en met 25 december 2024 in [woonplaats] de 15-jarige

[slachtoffer] heeft verkracht;

feit 2

in de periode van 23 december 2024 tot en met 25 december 2024 in [woonplaats] 16 video’s van seksuele aard heeft gemaakt en in zijn bezit heeft gehad, waarbij de 15-jarige [slachtoffer] is betrokken.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de twee aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

3.2 Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte stelt dat de verdachte niet wist dat het slachtoffer minderjarig was. Zij stelt daarbij dat het leeftijdsverschil gering is en dat er geen sprake is van ontuchtig handelen omdat de (seksuele) contacten vrijwillig en gelijkwaardig waren. Zij verzoekt daarom de verdachte vrij te spreken van feit 1. De advocaat van de verdachte voert geen bewijsverweer bij feit 2.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feiten 1 en 2 De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

De verdachte heeft op de zitting van 19 december 2025 onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik heb in de periode van 21 december 2024 tot en met 25 december 2024 twee keer met [slachtoffer] afgesproken in [woonplaats] en wij hebben beide keren seks met elkaar gehad. De eerste keer dat we hadden afgesproken bij haar woning heeft zij mij gepijpt en heb ik seks met haar gehad door penetratie. Ik heb dat gefilmd. Twee dagen later hebben we een tweede keer afgesproken en toen hebben we op de achterbank van mijn auto seks gehad. Zij heeft mij toen gepijpt en daarna zijn we overgegaan op penetratie. Ik heb deze tweede keer dat wij seks hadden ook gefilmd.

Uit de verklaring van [slachtoffer] (geboren op [2009]) van 3 januari 2025 volgt, zakelijk weergegeven:

De eerste keer was bij mij thuis in [woonplaats] . Hij kuste mij en zei tegen mij dat ik mijn kleren uit moest doen. Dit deed ik. Hij raakte mijn kont aan en hij deed zijn vingers in mijn vagina. Ik moest hem pijpen. Hij ging liggen en deed een condoom om. Ik moest liggen en hij heeft het met mij gedaan. Hij had seks met mij met zijn penis in mijn vagina. Hij heeft mij gefilmd met zijn Instagram account en dit opgeslagen.

De tweede keer was in zijn auto. Ik heb aan zijn penis gezogen, daarna heeft hij mijn vagina gezogen. Hij had de leiding. Hij had zijn hand op mijn hoofd toen ik hem zoog. Hij duwde mijn hoofd naar beneden. Ik stikte daardoor een beetje. Hij likte mijn vagina en hij kuste mij. Daarna hadden we seks zonder condoom. Ik lag op mijn rug in de auto met mijn benen wijd open en hij kwam met zijn penis bij mij binnen. Het ging steeds harder. Het deed pijn. Het stopte en er kwam sperma op mijn buik. Daarna hebben we het nog een keer gedaan en zat ik bovenop hem. Toen kwam de politie. Hij heeft mij deze keer in de auto ook gefilmd.

Verbalisant [verbalisant] heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 30 januari 2025, zakelijk weergegeven, het volgende beschreven:

Van de seks die [verdachte] op 23 december 2024 had met [slachtoffer] , trof ik in zijn telefoon 15 video's aan. Op deze 15 video’s is te zien dat [slachtoffer] voorover gebogen zit op haar knieën. De 15 video’s zien voornamelijk op de bovenkant van de billen, waarbij een penis deze langdurig en meerdere malen penetreert. Achter [slachtoffer] zit een man, die met zijn penis haar penetreert van achteren.

Op 25 december 2025 is ook door [verdachte] gefilmd. Op dit filmpje zag ik een blote vagina van een vrouw met donkere huidskleur, die op haar rug ligt/zit. De vrouw draagt een witte BH. De vagina wordt gepenetreerd door een penis van een man, met een lichtere huidskleur dan de vrouw. De vrouw ligt vermoedelijk in een auto.

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

. Bewijsoverwegingen

Geobjectiveerde leeftijd

De leeftijd in de ten laste gelegde gedraging onder feit 1, de verkrachting, is geobjectiveerd. Dit betekent dat het niet relevant is of de verdachte wist of had moeten vermoeden dat hij te maken had met een 15-jarig meisje. De wetgever heeft de bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik voorop gezet, evenals het belang van kinderen om zich ongestoord seksueel te kunnen ontwikkelen. Dat het slachtoffer in deze zaak volgens de verdachte ouder leek en zich ouder heeft voorgesteld, is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Hierin geldt een zware onderzoeksplicht, waaraan niet is voldaan door het enkel vragen naar de leeftijd en afgaan op het uiterlijk van een (nog thuiswonend) meisje.

Gelijkwaardigheid

In de oude zedentitel, meer specifiek het oude artikel 245 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) – de voorloper van de tenlastegelegde gedraging onder feit 1-, stond het bestanddeel ‘ontuchtige handelingen’ centraal. Ontuchtige handelingen zijn handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Met andere woorden betreft het seksuele gedragingen die in de samenleving als onaanvaardbaar worden gezien. In de nieuwe Titel Seksuele Misdrijven is ’ontuchtige handelingen’ vervangen door ‘seksuele handelingen’. De wetgever heeft hiermee tot uitdrukking willen brengen dat alle benoemde seksuele gedragingen en handelingen t (bijvoorbeeld zoals in dit geval seksuele handelingen met een kind in de leeftijd tussen 12 en 16 jaar) per definitie in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en dus onaanvaardbaar zijn. Slechts in een enkel geval ligt dit anders: waar het normaal, gelijkwaardig, seksueel contact betreft tussen jongeren van 12 tot 16 jaar. De verdachte schrok op de zitting van de term ‘verkrachting’ en verklaarde dat de seks met wederzijds goedvinden had plaatsgevonden. Volgens de verdachte was het daarom geen verkrachting. De wetgever heeft in de nieuwe wet echter wel het hebben van seks met een meisje van 15 jaar geduid als ‘verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren’.

In de nieuwe zedentitel heeft de wetgever onder lid 3 van artikel 248 Sr een strafuitsluitingsgrond opgenomen voor gelijkwaardige seksuele handelingen tussen leeftijdsgenoten. Alhoewel de advocaat van de verdachte geen verweer heeft gevoerd op basis van deze strafuitsluitingsgrond, heeft zij wel de argumenten benoemd die deze grond raken en op grond van de aangevoerde argumenten verzocht om verdachte vrij te spreken. Onder de nieuwe wetgeving kan echter een dergelijk verweer niet leiden tot vrijspraak, maar enkel tot een ontslag van alle rechtsvervolging. De rechtbank zal daarom onder 4.2 haar oordeel verder uitleggen.

Bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1 op meerdere tijdstippen in de periode van 21 december 2024 tot en met 25 december 2024 te [woonplaats] met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten

[slachtoffer] , geboren [2009] , seksuele handelingendie mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] en- het brengen van zijn vingers tussen de schaamlippen en bij de vagina en in de vagina van die [slachtoffer] en- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] ;

feit 2 op meerdere tijdstippen in de periode van 23 december 2024 tot en met 25 december 2024 te [woonplaats] , meermalen visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] (geboren [2009] ) was betrokken, heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad, te weten 16 video’s, waarop te zien is dat die persoon vaginaal wordt gepenetreerd met de penis van verdachte;

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.

feit 2: visuele weergaven van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben.

Strafbaarheid feiten en de verdachte

Feit 1: verkrachting 15-jarige

In lid 3 van artikel 248 Sr is, als hiervoor genoemd, een strafuitsluitingsgrond opgenomen voor gelijkwaardig seksueel contact tussen leeftijdsgenoten. De advocaat van de verdachte heeft betoogd dat er sprake was van vrijwillig en gelijkwaardig seksueel handelen.

Of er sprake is van deze genoemde strafuitsluitingsgrond, is afhankelijk van de omstandigheden. De wetgever stelt hierbij, in lijn met de reeds bestaande jurisprudentie onder de oude wetgeving, dat de volgende factoren relevant zijn:

het leeftijdsverschil van de betrokkenen;

de mate van vrijwilligheid;

of betrokkenen een (seksuele) relatie hadden;

de aard van de seksuele handelingen.

De verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde 24 jaar oud. Het slachtoffer was 15 jaar oud. Niet alleen is dit leeftijdsverschil groot in kalenderjaren, beiden bevonden zich ook in een verschillende levensfase en hadden een ander ontwikkelingsniveau op seksueel gebied. De omstandigheid dat de verdachte licht verstandelijk beperkt is en (mede daardoor) jonger van geest is maakt dit niet anders. De rechtbank heeft (in de berichten tussen hen) gezien dat het (korte en digitale) contact tussen de verdachte en het slachtoffer van twee kanten kwam: beiden toonden vervolgens initiatief om af te spreken. Zij hadden echter geen (affectieve) relatie met elkaar. Het komt de rechtbank voor dat beiden vooral wilden experimenteren met seks. Die seksuele handelingen vonden zowel (stiekem) bij het slachtoffer thuis plaats als in de auto van de verdachte, op een parkeerplaats. Er werd soms wel en soms niet een condoom gebruikt. Nu er sprake was van een behoorlijk leeftijdsverschil en er geen sprake was van een (affectieve) relatie tussen beiden is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van gelijkwaardigheid. Met andere woorden: de verdachte had geen seksuele handelingen met dit meisje mogen verrichten. De wetgever beschermt kinderen in deze leeftijdscategorie tegen seksueel misbruik en het belang van kinderen om zich ongestoord seksueel te kunnen ontwikkelen. De feiten en verdachte zijn strafbaar.

5. Straf en/of maatregel

Vordering van de officier van justitie De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden als geadviseerd door de reclassering in haar advies van 9 december 2025 en een contactverbod met het slachtoffer.

Standpunt van de verdediging De advocaat van de verdachte heeft verzocht, bij een bewezenverklaring voor feit 1, de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. Bij feit 2 verzoekt de advocaat van de verdachte rekening te houden met de uitgangspunten van het jeugdstrafrecht, nu de verdachte nog jong is, en bij het opleggen van een straf niet zozeer het strafdoel vergelding voorop te stellen, maar het voorkomen van recidive. Zo bezien is een voorwaardelijke werkstraf met daaraan gekoppeld toezicht en begeleiding passend in deze zaak.

Oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich in een paar dagen tijd schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van een jong meisje. Na een kort digitaal contact, leidde een eerste ontmoeting al snel tot orale en vaginale seks waarbij de verdachte voorbij gegaan is aan de leeftijd van het meisje. In haar huis, een plek waar zij bij uitstek veilig zou moeten zijn, is zij door de verdachte verkracht en heeft hij haar gefilmd. Bij een tweede ontmoeting, enkele dagen later, draaide het ook voornamelijk om seksueel contact en het filmen van de seks. De betrapping door de politie

heeft een eind gemaakt aan een aantal dagen van seksueel misbruik.

De gevolgen van seksueel misbruik kunnen een leven lang voelbaar blijven en diepe sporen achterlaten. Door zich te laten leiden door zijn eigen seksuele lust, heeft de verdachte de normale seksuele ontwikkeling van het slachtoffer doorkruist en haar lichamelijke integriteit op ernstige wijze geschonden. Het slachtoffer kampt sinds het misbruik met psychische klachten en haar gedrag is veranderd. De verdachte is daar verantwoordelijk voor.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar:

het strafblad van de verdachte van 5 september 2025;

een advies van de reclassering van 9 december 2025.

Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor andersoortige feiten. Ook heeft de verdachte in het verleden (deels) voorwaardelijke straffen gekregen. Uit het advies van de reclassering blijkt dat hij wisselend gemotiveerd bleek zich te houden aan de voorwaarden. Ook pleegde hij tijdens zijn proeftijd nieuwe strafbare feiten. De rechtbank neemt dit mee in haar strafbepaling.

De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij diverse bijzondere voorwaarden, namelijk:

een meldplicht;

dat de verachte zich laat behandelen (een ambulante behandeling);

dat de verdachte verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

een contactverbod met het slachtoffer.

De reclassering signaleert op vrijwel alle leefgebieden zorgen, ondanks alle eerder ingezette hulp en de eerder bij de verdachte betrokken instanties. De verdachte is dakloos, heeft geen baan, geen inkomen en nauwelijks een sociaal steunend netwerk. Recent is een ander toezichtkader negatief retour gestuurd. Desondanks ziet de reclassering nog mogelijkheden de verdachte een nieuwe kans te geven met als doel de kans op recidive te verminderen en gedragsverandering proberen te bereiken. De kans op recidive wordt ingeschat als matig-hoog.

Strafkader: gevangenisstraf, bijzondere voorwaarden en werkstraf

De bewezenverklaarde feiten zijn ernstige strafbare feiten. Vanwege die ernst is een gevangenisstraf passend. Bovendien is het taakstrafverbod als bedoeld in artikel 22b, eerste lid onder a en b, van toepassing. Dit betekent dat de rechtbank niet alleen een taakstraf kan opleggen. De rechtbank heeft ten aanzien van de op te leggen straf gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, maar merkt hierbij op dat zaken waarin seksueel misbruik speelt nooit een-op-een vergelijkbaar zijn. In de strafoplegging spelen immers zowel de aard en duur van de gepleegde seksuele handelingen als de context van het seksuele misbruik als de persoonlijke omstandigheden van de verdachte een rol.

Eén van de doelen van strafoplegging is vergelding. Een ander doel is preventie: het voorkomen van herhaling. De verdachte heeft veel zorgen op eigenlijk alle denkbare leefgebieden. Het ontbreekt hem aan een woning, aan werk, inkomen, dagbesteding en een sociaal netwerk. De reclassering ziet nog een kans met de verdachte te werken aan deze omstandigheden. De rechtbank ziet echter ook dat hij zich in het verleden niet altijd liet begeleiden door de betrokken instanties. Alhoewel de rechtbank de grote noodzaak tot hulpverlening ziet, moet de verdachte beseffen dat deze handreiking mogelijk een laatste kans is op een beter en meer zorgenvrij leven.

De eis van de officier van justitie ziet op een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk en een voorwaardelijk gedeelte. Als de rechtbank deze eis volgt, moet de verdachte terug naar de gevangenis. Dit vindt de rechtbank, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, niet wenselijk. Hoewel de rechtbank oordeelt dat geen sprake was van een gelijkwaardige relatie tussen de verdachte en het slachtoffer, neemt de rechtbank in strafmatigende zin wel mee dat de verdachte nog jong is en dat de initiatieven tot contact van zowel het slachtoffer als de verdachte kwamen. Dit blijkt ook uit de inhoud van de door hen gevoerde gesprekken die zich in het dossier bevinden. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een andere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.

Concluderend vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 104 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Dit betekent dus dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis, nu hij het onvoorwaardelijke deel reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf is de algemene voorwaarde gekoppeld dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Ook legt de rechtbank de bijzondere voorwaarden op zoals door de reclassering geadviseerd, op de wijze zoals in het dictum van dit vonnis is opgenomen. Om recht te doen aan de ernst van de feiten legt de rechtbank de verdachte een forse werkstraf op, namelijk de maximaal op te leggen werkstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als deze niet of niet naar behoren wordt verricht.

6. In beslag genomen voorwerpen

Er is een beslaglijst met daarop de volgende voorwerpen:

Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd het telefoontoestel te onttrekken aan het verkeer, omdat hierop kinderpornografische afbeeldingen staan. Het stuk ondergoed mag terug naar de rechthebbende.

Standpunt van de verdediging

De advocaat van de verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten de hierboven genoemde telefoon, onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, omdat hierop – door de verdachte zelf vervaardigd – kinderpornografisch materiaal staat. Met behulp van dit voorwerp is bovendien het onder 2 bewezen verklaarde feit begaan.

Teruggave rechthebbende

De hoofdregel is dat inbeslaggenomen voorwerpen, in dit geval het ondergoed, terug gaan naar de rechthebbende. Die beslissing zal de rechtbank ook nemen. De rechtbank merkt daarbij wel op dat zij zich sterk afvraagt of dit door het slachtoffer ook gewenst is. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de executerende instantie niet zomaar overgaat tot teruggave, maar eerst nagaat of het slachtoffer teruggave wenst.

7. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij, door/namens haar wettelijk vertegenwoordiger mevrouw [wettelijk vertegenwoordiger] (haar moeder), gevoegd en vordert een bedrag aan immateriële schade van € 10.000,00, ten gevolge van de aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie concludeert dat de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade geheel kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De advocaat van de verdachte concludeert primair dat de vordering moet worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de door haar bepleite vrijspraak. Daarnaast is aangevoerd dat het gevorderde bedrag zeer hoog is, het geestelijk letsel niet onderbouwd is en de aangehaalde jurisprudentie niet relevant is. Subsidiair verzoekt de advocaat het gevorderde bedrag aanzienlijk te verlagen en rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte bij het bepalen van een billijke vergoeding. Verder is verzocht de gijzeling in geval van het niet voldoen aan de betalingsverplichting in verband met de schadevergoedingsmaatregel te bepalen op één dag.

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat zij door het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt, zoals de bevestiging van de gevolgde (trauma)therapie bij GGZ Centraal. Dat seksueel misbruik psychische schade kan aanrichten ligt, gelet op de aard en ernst van de normschending, voor de hand. De benadeelde partij heeft in haar toelichting op de vordering aangegeven met welke klachten zij kampt sinds het misbruik en hoe dit haar leven beïnvloedt.

Bij het bepalen van welk bedrag aan schadevergoeding in deze zaak billijk is, kijkt de rechtbank onder andere naar de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en hoe die zich verhouden tot deze zaak. De rechtbank ziet dat het in deze zaak gaat om twee nog jonge mensen die op seksueel gebied zijn gaan experimenteren. Initiatieven tot contact kwamen vanuit zowel de verdachte als [slachtoffer] . Op enig moment bestond ook bij [slachtoffer] de wens om dit contact tot seks te laten leiden. Zo ver is het twee keer gekomen. Ook heeft zij ermee ingestemd dat de verdachte deze handelingen zou filmen. Hoewel de moeder van [slachtoffer] haar zorgen hierover heeft geuit, is niet gebleken dat de verdachte deze beelden vervolgens ook met anderen heeft gedeeld. Zoals hiervoor al overwogen neemt het voorgaande allemaal niet weg dat de verdachte strafbare feiten heeft gepleegd en dat de benadeelde partij daardoor schade heeft geleden. Wel ziet de rechtbank in deze specifieke omstandigheden in deze zaak aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen. De rechtbank oordeelt dat een vergoeding van € 3.500,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 25 december 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van

€ 3.500,00 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 35 dagen. De rechtbank ziet geen aanleiding om (nu al) het aantal dagen gijzeling naar beneden bij te stellen, zoals door de advocaat van de verdachte is bepleit. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

Proceskosten Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

8. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen, maatregel en de beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 36f, 57, 248 en 252 Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 104 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:

* zich binnen 3 (drie) werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Leger des Heils, regio Utrecht, op het adres Zeehaenkade 30;

* zich laat behandelen door het forensisch Fact team van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Van belang hierbij is dat er rekening wordt gehouden met de LVB problematiek van de verdachte en dat er outreachend wordt gewerkt. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Bij verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor maximaal 7 (zeven) weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor behandeling;

* verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met [slachtoffer] (geboren [2009] ), zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis;

beslag

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1 en 2) - wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 3.500,00.

Deze toegewezen schade bestaat uit immateriële schade;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 december 2024 tot de dag van volledige betaling;

€ 3.500,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 december 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 35 dagen gijzeling;

Dit vonnis is gewezen door mr. T. van Haaren-Paulus, voorzitter, mr. A.J. Reitsma en mr. mr. H.J. van Woudenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.

De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is na een toegewezen nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1. hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 21 december 2024 tot en met 25

december 2024 te [woonplaats] met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren [2009] ,

een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het

seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- (steeds) het brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer] en/of

- (steeds) het brengen van zijn vingers tusssen de schaamlippen en/of bij de vagina

en/of in dee vagina van die [slachtoffer] en/of

- (steeds) het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] ;

2. hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 23 december 2024 tot en met 25 december 2024 te [woonplaats] , meermalen, althans eenmaal,een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] (geboren [2009] ) was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad,te weten 16 video’s, waarop te zien is dat die persoon oraal, vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met de penis en/of vinger(s) van verdachte(video’s 23-12-2025, p. 98-99 en video 25-12-2024, p. 101-102);

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?