ECLI:NL:RBMNE:2026:1082

ECLI:NL:RBMNE:2026:1082

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 19-03-2026
Datum publicatie 20-03-2026
Zaaknummer 16.220351.25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Zedenzaak. Aanranding 7-jarig meisje in de speeltuin.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.220351.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 19 maart 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1974 in [geboorteplaats] (België),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [plaats]

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 5 maart 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

seksuele handelingen heeft verricht bij de 7-jarige [slachtoffer] op 31 juli 2025 te Utrecht door haar vagina aan te raken;

feit 2

in het bijzijn van de 7-jarige [slachtoffer] op 31 juli 2025 te Utrecht zijn penis heeft betast en/of zijn penis aan haar heeft getoond.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van beide feiten. De advocaat voert hiertoe kort gezegd aan dat sprake is van onvoldoende bewijs. Voor zover van belang voor de beoordeling wordt dit hierna besproken onder paragraaf 3.3.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen feiten 1 en 2

De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen (waarbij de bewijsmiddelen alleen gebruikt worden voor het feit of de feiten waarover deze gaan):

Aangifte van de vader van [slachtoffer]

Ik doe aangifte namens mijn dochter [slachtoffer] , zij is 7 jaar oud.

We waren in het Griftpark te Utrecht. Hier is een kinderboerderij en speeltuin. Achterin is ook een blotevoeten pad. De kinderen deden daar een verstoppertje-tikkertje spel. Op een gegeven moment kwam mijn zoon bij mij en zei dat er iemand op hun ‘buut-vrij’ plek lag en dat mijn dochter met hem aan het praten was. Ik zag een man zitten tegen een muurtje. Even later kwam mijn zoon en zei dat er iets geks was. Mijn dochter zei dat we ‘pinkie’ moesten doen, dat betekent bij ons dat je elkaar in iets moet vertrouwen. Ze zei dat ik niets mocht doorvertellen aan ‘die man’. Ze zei tegen mij: ‘die man prikte op mijn punani’. Dat is in ons gezin een ander woord voor vagina. Ze zei dat hij prikjes op haar broek gaf. Ze zei dat het in haar punani was. Ze zei ook dat de man aan zijn eigen pielemuis zat. Pielemuis is bij ons hetzelfde als piemel. Ze bleef herhalen dat ik het niet mocht vertellen.

Studioverhoor van [slachtoffer]

We waren bij het Griftpark. Toen kwam er een vreemde man.

En toen ging hij ineens eerst aan mijn piepie zitten. Dat betekent voor mij mijn poenani en toen ook nog aan zijn eigen piepie, zijn piemel.

Maar die man ging ook echt helemaal in mijn poenani. Maar wel de buitenkant, niet

gelukkig in.

Wel best lang maar ook een paar keer deed -ie het. Iets van 4 keer. In 10 seconden.

Eerst gingen we tikkertje spelen en toen mocht je je verstoppen en toen zag ik die oude man en toen gingen we samen kletsen. Een beetje over welke school ik zat en hoe ik heet mijn naam.

Ik zat en hij ging de hele tijd mij een beetje knuffelen zo.

Ik ging gewoon zelf zitten maar kijk hij ging mij steeds naar hem toe trekken kijk en dit was ik (ze wijst naar de Husky en pakt hem en zet hem links naast zich) en dit (wijst naar zichzelf) was die oude man. En toen ging het zo (ze verplaatst de Husky een paar keer wild van links naar haar schoot en terug) zo ging het een beetje het was best een beetje grappig maar

toen ging die ineens aan mijn poenani.

De man was aan het zitten (verbetert zichzelf) liggen een beetje zo (doet het voor en gaat onderuit in zit-lig houding in haar stoel zitten).

Hij had mij vast met zijn handen, hij had eerst hier vast (doet haar beiden handen onder haar oksel) maar toen zei ik auw en toen houdt hij hier vast (brengt beide handen rond haar middel ter hoogte van haar buik). Vijf keer. Ik probeerde me terug te doen, ik ging tegenwerken omdat ik weer terug wou. En hij stopte niet want ik durfde niet ik durf niet tegen oude mannen stop te zeggen.

Hij prikte een beetje onder m'n kleding (ze doet voor en brengt haar hand tussen haar

been en haar broekspijp) bij mijn onderbroek en een beetje bij m’n schaamlippen. Ik had een korte broek aan. Op mijn schaamlippen en ook een beetje hier onder (wijst bij zichzelf de binnenkant van haar been aan ter hoogte van haar kruis). En ook een beetje wrijven, zo tikken (maakt met haar wijsvinger een tikkende beweging in de lucht).

Dat was wel een beetje pijnlijk maar ik durfde geen stop te zeggen. Ik zat naast hem.

Hij deed een beetje rrrrr zoiets als een auto.

Oh ja, uh toen hij dat vier keer bij mij had gedaan toen ging hij aan zijn eigen piemel zitten maar hij ging niet meer aan mijn poenani zitten.

Toen kwam mijn broer eraan en toen deed die man net alsof ie sliep.

Toen hij aan zijn eigen piepie zat deed hij een beetje zo (gaat met haar hand via haar broekspijp naar haar kruis). Hij ging zo in zijn benenpijp met z'n hand erin, hij had een korte broek aan. Ik zag dat ie daaraan zat ik zag een beetje dat uiteinde dat rooie wat in je

piemel zit. Ik zag de bovenkant en hij liet eigenlijk zijn piemel zien.

Die oude man zat gewoon aan zijn eigen piemel te laten zien te friemelen (haar hand bij haar kruis alsof ze iets vasthoudt) was wel een beetje raar.

Studioverhoor van [minderjarige]

We waren in het Griftpark en we deden een spelletje bij het blotevoeten pad en toen kon ik mijn zusje niet meer vinden en toen was ze met iemand aan het praten. En toen roepte ik haar en toen kwam ze naar mij toe en toen zei ze dat die man met vinger in haar vagina had geprikt.

Ik riep waar ben je en toen zei ze ik ben hier en toen ging ik een beetje op het geluid af en

toen zat ze bij die meneer. Die meneer zat zo tegen de muur en mijn zusje zat naast die meneer met zand te spelen op haar hurken.

Toen gingen we afspreken welke kant we op gingen en toen zei ze het tegen mij.

Ze zei: nou ik heb iets heel geks meegemaakt die meneer ging een soort van aan mijn vagina prikken en toen ging die ook aan zijn eigen piemel zitten.

Bevindingen van verbalisant [verbalisant 1]

Op 31 juli 2025 kregen wij, verbalisanten, de opdracht om te gaan naar de Blauwkapelseweg in Utrecht. In het Griftpark zag ik dat de melder naar een persoon wees die aan de rand van de speeltuin op een stenen bankje zat. Deze persoon bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1974. Ik zag dat hij zijn broek vasthield zodat deze niet af zou zakken.

Bevindingen van verbalisant [verbalisant 2]

Ik, verbalisant, stelde mij voor aan de slachtoffers en gaf hen een hand. Ik wilde een hand geven aan [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] bang was. Ik zag dat namelijk aan haar blik.

Ik zag dat zij vervolgens naar beneden keek en zich verschool achter de benen van

haar vader.

Bevindingen van verbalisant [verbalisant 3]

Ter plaatse probeerde ik, verbalisant, direct contact te maken met het meisje [slachtoffer] door op mijn knieën met haar te praten. Ik zag dat het meisje zich verschuilde achter de benen van haar vader. Ik zag dat het meisje schichtig om zich heen keek. Ik zag dat het meisje een gesloten houding had, door haar lichaam klein te maken en haar schouders hoog op te trekken. Ik kreeg moeilijk contact met haar.

Ik zag het meisje wijzen naar de stenen muur en zeggen dat de man hier net lag. Ik zag bovenop het stenen muurtje een zwarte korte joggingsbroek liggen.

Ik stelde het meisje veel ‘normale’ vragen, waardoor ik een vertrouwensband met haar opbouwde. Ik merkte dat zij uit haar schulp kwam en begon te kletsen tegen mij. Ik stelde haar tussen ons gesprek door een aantal vragen over de gebeurtenis van net. Ik hoorde haar zeggen in woorden van gelijke strekking:

- Ik was net met mijn broer verstoppertje aan het spelen;

- Er lag daar een man, hij begon tegen mij te praten;

- Hij heeft mij met zijn hand aangeraakt beneden;

- Hij ging ook aan zijn eigen piemel zitten;

- Ik vond het echt niet fijn dat hij aan mij ging zitten;

Ik zag dat, terwijl zij mij bovenstaande vertelde, haar houding weer erg veranderde. Haar houding werd gesloten. Ze maakte haar lichaam klein. Ze drukte haar gekregen traumabeertje dicht tegen haar lichaam aan. Ze ging op haar nagels bijten. Toen wij hierna weer aan het kletsen waren over ‘normale’ dingen, zag ik dat haar houding opener en vrolijker werd. Samen met de vader, broer en het meisje reden wij naar politiebureau. Ik hoorde het meisje tijdens de autorit zeggen: "Die man komt daar toch niet heen? Ik ben bang voor hem."

Bevindingen van verbalisant [verbalisant 4]

Op 31 juli 2025 was ik, verbalisant, belast met toezicht op [slachtoffer] geboren [geboortedatum 2] 2017. Ik zag dat [slachtoffer] een tekening met bloemen had gemaakt. Ook zag ik dat zij een soort waslijn had getekend waaraan vijf voorwerpen hingen. De voorwerpen zijn gelijkend aan de letter L. Boven de waslijn stond het woord ‘Piemel’ geschreven.

Verklaring van de verdachte ter terechtzitting (voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven)

Op 31 juli was ik in het Griftpark. Toen kwam er een meisje in mijn omgeving, ze was met haar broertje verstoppertje aan het spelen. Ik sprak haar aan om bij mij te zitten en even te praten. Het klopt dat ik haar toen ook heb verteld dat mijn ouders zijn overleden.

Ik heb haar naar mij toe getrokken.

Het klopt dat ik mij seksueel aangetrokken voel tot kinderen, in de leeftijd van 8 tot 12 jaar.

Ze heeft misschien mijn piemel gezien.

Ik had een keer mijn hand bij mijn piemel.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken (zoals ook deze zaak) bij de beoordeling van het bewijs zich vaak de situatie voordoet dat alleen het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader aanwezig zijn geweest bij de bewuste handelingen. Als de verdachte ontkent, is het het woord van de één (het slachtoffer) tegen het woord van de ander (de verdachte).

Alleen een betrouwbare verklaring van een aangeefster kan als uitgangspunt dienen voor de verdere beoordeling van het aan de verdachte ten laste gelegde feit. Bij de beoordeling van een verklaring op haar betrouwbaarheid gaat het onder andere om consistentie, authenticiteit, spontaniteit en tot slot waargenomen emoties.

Volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar vindt. Daar staat tegenover dat – op grond van vaste rechtspraak – in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van de aangeefster voldoende wettig bewijs kan opleveren. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat het steunbewijs geen betrekking hoeft te hebben op de tenlastegelegde gedragingen, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangever op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.

Betrouwbaarheid

In zedenzaken dient de rechtbank eerst te toetsen of de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar zijn en bruikbaar zijn voor het bewijs.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] over wat er op 31 juli 2025 is gebeurd. Haar verklaring is spontaan afgelegd, consistent en gedetailleerd. Zowel tegen haar broer, als tegen haar vader en tegen de politie heeft zij meteen gezegd dat de verdachte haar bij haar vagina had aangeraakt en dat verdachte daarna zijn eigen piemel had aangeraakt. Ook daarna in het studioverhoor vertelt zij hetzelfde verhaal. Daarbij is zij specifiek en duidelijk over de gedragingen van de verdachte en verklaart zij gedetailleerd, bijvoorbeeld over wat zij precies heeft gezien ‘dat rooie wat in je piemel zit’. Ook valt bijvoorbeeld op dat zij steeds herhaalt dat de verdachte ‘gelukkig geen vieze handen had’ en dat zij een paar keer zegt dat zij geen ‘stop’ durfde te zeggen en dat zij niet wilde dat de verdachte wist dat zij het incident ‘verklapt’ had. Bovenstaande omstandigheden maken haar verklaring authentiek en betrouwbaar en de rechtbank zal daarom haar verklaring als uitgangspunt nemen voor de bewijsvoering.

Steunbewijs

Als de rechtbank de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar oordeelt, moet de rechtbank, om tot een veroordeling te komen, vervolgens beoordelen of die verklaring voldoende steun vinden in het overige bewijs.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer] op verschillende onderdelen steun in de andere bewijsmiddelen. Zo vindt haar verklaring over de omstandigheden en aanloop van het incident steun in de verklaringen van haar broer en vader, namelijk dat zij achter het muurtje bij de verdachte zat en een praatje met hem maakte. Vervolgens wordt haar verklaring dat er ‘iets geks’ en ‘iets niet fijns’ heeft plaatsgevonden, ondersteund door de bevindingen van de verbalisanten die haar kort daarna zien en spreken. Verbalisant [verbalisant 3] ziet een schichtig meisje dat haar lichaam klein maakt, een gesloten houding heeft en op haar nagels gaat bijten, terwijl zij opener en vrolijker is als ze over ‘normale’ dingen praten. Zodra het gesprek weer over het incident gaat verandert de houding van het meisje weer (gesloten, klein en ze drukt het gekregen traumabeertje dicht tegen haar lichaam aan). Ook verbalisant [verbalisant 2] is kort na het incident ter plaatse en ziet dat het meisje bang is. Steun voor de verklaring van het meisje ziet de rechtbank bovendien in de tekening die het meisje kort na het incident op het politiebureau heeft gemaakt waarboven door het meisje het woord ‘piemel’ is geschreven. Tot slot wordt de verklaring van het meisje ten aanzien van bepaalde onderdelen ook ondersteund door de verklaring van de verdachte zelf: dat hij met haar een gesprekje had (waarbij hij onder meer heeft verteld dat zijn ouders overleden waren), dat hij haar naar zich toe heeft getrokken en dat zij (misschien) zijn piemel heeft gezien (omdat hij geen onderbroek aanhad en hij zijn piemel op een bepaald moment tijdens hun gesprek heeft aangeraakt).

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft begaan.

Verweer van de verdediging

Emoties van het meisje kwamen onder andere door de politie

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat er een alternatieve verklaring kan worden gegeven voor de bij het meisje waargenomen emoties na het incident. De raadsman stelt dat de veranderde houding van het meisje voortkwam uit het feit zij boos en verdrietig was dat haar vader de belofte om niks over het incident te zeggen had verbroken en dat zij overweldigd was door de sirenes en aanwezigheid van de politie. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de bevindingen van de politie komt duidelijk naar voren dat de houding en het gedrag van het meisje veranderen op het moment dat zij met de verbalisant praat óver het incident zelf. Zodra over ‘normale’ dingen wordt gesproken, is zij open en blij, maar zodra het over het incident gaat, sluit zij zich af en maakt zij zich klein. Daar komt bij dat verbalisant [verbalisant 3] haar in de auto op weg naar het politiebureau hoort zeggen "Die man komt daar toch niet heen? Ik ben bang voor hem." Op basis hiervan acht de rechtbank aannemelijk dat de door de verbalisanten waargenomen emoties bij het meisje voortkwamen uit angst voor de verdachte en niet samen hingen met het breken van zijn belofte door haar vader.

Seksuele handelingen bij het meisje door de verdachte praktisch niet mogelijk

De raadsman van de verdachte heeft gesteld dat het, gelet op de kleding die het meisje droeg, namelijk een vrij strakke onderbroek en korte broek, voor de verdachte niet mogelijk was (of slechts met heel veel moeite) om met zijn hand te wrijven en te tikken op de vagina van het meisje (feit 1). De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit het dossier volgt dat het meisje op de dag van het incident een korte broek aanhad, lijkend op een sportbroekje (p. 26 van het dossier). Uit het dossier volgt verder dat zij tijdens het studioverhoor een vergelijkbare korte broek aanhad (p. 73 van het dossier) en het meisje doet dan voor aan de verbalisant hoe de verdachte haar aanraakte en waar. Blijkbaar was dit dus geen enkel probleem. Nergens staat ook in het dossier dat het om strakke kleding ging. Bovendien zat het meisje tijdens het incident naast de verdachte (op haar hurken), zodat de rechtbank in het geheel niet inziet dat het praktisch onmogelijk zou zijn geweest om haar vagina aan te raken. Dat geen DNA-sporen van de verdachte bij het meisje of op haar onderbroek zijn aangetroffen, doet hier niet aan af. Het ging immers met name om ‘tikken’ met de vinger(nagel) op de huid (rond) de vagina.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1.

op 31 juli 2025 te Utrecht, met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten meermalen:

- die [slachtoffer] bij haar middel heeft vastgepakt en naar zich toe heeft getrokken en

- ( vervolgens) die [slachtoffer] heeft geknuffeld en

- met zijn vingers over/op de vagina van die [slachtoffer] heeft gewreven en/of

getikt;

2.

op 31 juli 2025 te Utrecht, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten

[slachtoffer] , getuige heeft doen zijn van een handeling met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door zijn, verdachtes, penis te betasten en zijn, verdachtes, penis aan die [slachtoffer] te tonen.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1

aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren

feit 2

een kind beneden de leeftijd van zestien jaren getuige doen zijn van een handeling met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf en/of maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De advocaat van de verdachte heeft de rechtbank verzocht om aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van zijn voorlopige hechtenis. De verdachte is op 31 juli 2025 aangehouden en verblijft sindsdien in voorlopige hechtenis. Op de datum van de uitspraak van dit vonnis (19 maart 2026) zal hij dan bijna acht maanden gedetineerd zitten. Indien de rechtbank een langere gevangenisstraf nodig acht, verzoekt de advocaat daarom om dat deel dat langer dan het voorarrest zal zijn voorwaardelijk op te leggen, zodat de verdachte niet langer hoeft vast te zitten.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van een 7-jarig meisje door over/op haar vagina te wrijven/prikken en vervolgens zijn piemel vast te pakken en aan haar te tonen. Het incident gebeurde in een speeltuin, nadat hij een gesprekje met het meisje was begonnen toen zij verstoppertje aan het spelen was met haar broertje. De verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het meisje. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen in deze levensfase zich nog in de voorfase van de ontwikkeling van hun seksualiteit bevinden. Dergelijke delicten maken een forse inbreuk op hun integriteit en kunnen een gezonde seksuele ontwikkeling doorkruisen. Slachtoffers van dit soort delicten kunnen nog lang psychische gevolgen ondervinden van wat hen is overkomen. Ook levert aanranding van jonge kinderen onrust en gevoelens van onveiligheid op in de directe omgeving en in bredere kring van de samenleving. Daarbij heeft de verdachte misbruik gemaakt van de onschuld en het vertrouwen van het meisje door een gesprekje met haar aan te gaan waarbij hij zielige dingen over zichzelf vertelde waarmee hij haar medelijden heeft opgewekt. De verdachte heeft ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens de verantwoordelijkheid die hij als een volwassene ten opzichte het meisje had, verwaarloosd.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Uit het strafblad van de verdachte van 9 oktober 2025 en het strafblad van de verdachte uit België van 5 augustus 2025 blijkt dat de verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld. In België is verdachte veroordeeld voor soortgelijke feiten, maar dit betreffen oude feiten (2015 en ouder). De rechtbank zal daarmee niet in strafverzwarende zin rekening houden.

Strafkader

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd binnen de rechtspraak.

Gelet op de aard en ernst van de feiten is de oplegging van een vrijheidsbenemende straf gerechtvaardigd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het gaat om een minderjarige die door het handelen van de verdachte in haar vertrouwen is geschaad. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte niet volledig zijn verantwoordelijkheid heeft genomen door (pas) ter terechtzitting een verklaring af te leggen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest, een passende en geboden reactie is. De rechtbank wijkt daarbij af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank wel ziet dat de verdachte zich bewust is van zijn seksuele voorkeur voor minderjarigen, daar open over is geweest en daarvoor eerder ook hulp heeft gezocht. Nu niet helemaal duidelijk is geworden welk strafrechtelijk of civielrechtelijk kader aan de orde is in België, maar België wel om uitlevering heeft gevraagd, acht de rechtbank het zinvol dat de verdachte zijn behandeling in België zo spoedig mogelijk kan voortzetten, juist om herhaling te voorkomen. De rechtbank acht het echter, gezien de aard en ernst van de feiten, niet passend om, zoals de raadsman heeft betoogd, in dit geval te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de straf

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal, gelet op de op te leggen straf, het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

6. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige [slachtoffer] hebben zich als benadeelde partij gevoegd en hebben mr. T.C. Cooman, advocaat te De Meern, gemachtigd om hen in dit kader te vertegenwoordigen. Namens de benadeelde partij is gevorderd de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000,- vermeerderd met de wettelijke rente, voor de schade die [slachtoffer] heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. Dit bedrag bestaat geheel uit vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Daarnaast is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Verder is verzocht om een contactverbod op te leggen tussen de verdachte en de benadeelde partij.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De advocaat van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering (bij vrijspraak van de verdachte). Subsidiair heeft de advocaat van de verdachte zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij van € 1.000,- daarom geheel toe.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 31 juli 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Veroordeling verdachte in de proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Oplegging schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van

€ 1.000,- aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

Geen contactverbod

De rechtbank ziet geen aanleiding om, naast de op te leggen straf en schadevergoeding, een contactverbod aan de verdachte op te leggen. Te meer nu de verdachte gesignaleerd staat om uitgeleverd te worden aan België.

7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- 36f, 57, 249 en 251 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1 en 2): € 1.000,- aan immateriële schade

- wijst de vordering van [slachtoffer] geheel toe, te weten een bedrag van € 1.000,-;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat

€ 1.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Edgar, voorzitter, mr. C.S.K. Fung Fen Chung en

mr. L.L. Veendrick, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Wijkstra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.

Bijlage: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 juli 2025 te Utrecht, met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten meermalen, althans eenmaal:

- die [slachtoffer] bij haar middel heeft vastgepakt en naar zich toe heeft getrokken en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] heeft geknuffeld en/of

- met zijn vingers/hand over/op de vagina van die [slachtoffer] heeft gewreven en/of getikt;

2

hij op of omstreeks 31 juli 2025 te Utrecht, een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer] , getuige heeft doen zijn van een handeling van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voorkinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door zijn, verdachtes, penis te betasten en/of zijn, verdachtes, penis aan die [slachtoffer] te tonen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?