RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11834018 \ UC EXPL 25-6605 RvdH/1037
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vesitigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. M.C. Blok,
tegen
[gedaagde] ,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. O. Saaliti.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 6,- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte van [gedaagde] met productie 4,
- de mondelinge behandeling van 5 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] huurt een woning van [eiseres] . Op 21 april 2025 heeft de politie samen met de Explosieven Opruimingsdienst de woning ontruimd, omdat er meerdere handgranaten en een grote hoeveelheid illegaal vuurwerk werden aangetroffen. [eiseres] wil daarom dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde] de woning verlaat. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] zeer ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen als huurder, maar dat de omstandigheden van dit geval ertoe leiden dat het niet gerechtvaardigd is dat de overeenkomst wordt ontbonden. [gedaagde] mag in de woning blijven.
3. De beoordeling
Het uitgangspunt is dat [gedaagde] zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat [gedaagde] zich moet houden aan haar verplichtingen uit de huurovereenkomst, de algemene voorwaarden en de wet. Als [gedaagde] deze verplichtingen niet nakomt (een tekortkoming), kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
[gedaagde] heeft zich niet als een goed huurder gedragen: zij is tekortgeschoten
[gedaagde] huurt de woning alleen. Toen de woning op maandag 21 april 2025 werd ontruimd, was zij niet thuis. [gedaagde] was sinds zondag 20 april 2025 (Eerste Paasdag) bij haar ouders. Voordat zij naar haar ouders ging, waren de handgranaten en het illegale vuurwerk nog niet aanwezig in de woning. [gedaagde] heeft daarover verteld dat zij een relatie had met een man en dat hij af en toe bij haar sliep. Hij was op 21 april 2025 wel in de woning en vast staat dat hij ervoor heeft gezorgd dat de handgranaten en het illegale vuurwerk daar aanwezig waren. [gedaagde] is daarvoor echter als huurder verantwoordelijk. Dat de illegale en zeer gevaarlijke goederen in haar woning zijn aangetroffen, is daarom in beginsel voldoende om de huurovereenkomst te ontbinden omdat het – vanzelfsprekend – zeer gevaarlijk is en niet is toegestaan om handgranaten en illegaal vuurwerk in een woning te hebben. De vondst heeft er dan ook toe geleid dat de burgemeester de woning voor de duur van twee weken heeft gesloten.
Ontbinding van de overeenkomst en ontruiming van de woning zijn niet gerechtvaardigd
De kantonrechter moet echter bij de beoordeling rekening houden met alle omstandigheden van dit geval, met de belangen van [gedaagde] als huurder en met die van [eiseres] als verhuurder.
[eiseres] heeft [gedaagde] pas begin augustus 2025 – ruim 3,5 maand na het incident – gedagvaard, vanwege personele omstandigheden. De woning was toen al geruime tijd niet meer gesloten (de sluiting door de burgemeester is nooit verlengd). De kantonrechter is van oordeel dat de algemene stelling van [eiseres] dat zij moet zorgen voor een veilige leefomgeving aan kracht heeft verloren doordat zij zo lang heeft gewacht met het uitbrengen van de dagvaarding. [eiseres] heeft niet toegelicht waarom dat belang nu nog steeds zó zwaar weegt, dat het belang van [gedaagde] bij behoud van haar woning daarvoor moet wijken. Dat er op dit moment sprake is van concrete aanwijzingen dat [gedaagde] (al dan niet door het ter beschikking stellen van haar woning) opnieuw zal zorgen voor een onveilige situatie, is niet gebleken. [gedaagde] heeft sinds het incident geen overlast veroorzaakt in de woning of het complex. Zij heeft haar relatie en het contact met de man verbroken. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat het incident een (zeer ernstige) eenmalige gebeurtenis was. Meer dan de gebruikelijke onzekerheid over wat een huurder in de toekomst in zijn woning zal doen, is daarom niet aan de orde.
De kantonrechter weegt daarbij mee dat het Openbaar Ministerie de rol van [gedaagde] bij het incident heeft onderzocht. Haar telefoon is in beslag genomen voor onderzoek en [gedaagde] is verhoord. De conclusie van het Openbaar Ministerie is dat er geen bewijs is dat [gedaagde] betrokken was c.q. op de hoogte was van de aanwezigheid van de handgranaten en het illegale vuurwerk in haar woning. Het Openbaar Ministerie heeft besloten [gedaagde] niet te vervolgen.
[eiseres] stelt ook dat zij de plicht heeft om een signaal af te geven dat dit gedrag in de huurwoning niet wordt getolereerd. De kantonrechter erkent de noodzaak om dergelijke signalen uit te dragen, maar het hanteren van een afschrikkend zero tolerance beleid vraagt meer voortvarendheid. Dit belang van [eiseres] is daarom inmiddels – door het verstrijken van de tijd – van ondergeschikte aard.
De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen
De kantonrechter is gelet op al deze omstandigheden van oordeel dat de tekortkoming (hoewel die zeer ernstig is) een ontbinding van de huurovereenkomst en als gevolg daarvan de ontruiming, niet rechtvaardigen. De vorderingen van [eiseres] worden daarom afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
542,50
4. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.