ECLI:NL:RBMNE:2026:1144

ECLI:NL:RBMNE:2026:1144

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 22-01-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer 16/118713-18 (herroeping VI)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/118713-18 (herroeping VI)

Zaaksnummer VI: 99/000935-43

Beslissing op grond van artikel 6:6:21, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafvordering (oud) van de meervoudige kamer voor strafzaken van 22 januari 2026

op de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren op [1993] in [geboorteplaats] (Marokko),

ingeschreven op het adres: [adres] in [woonplaats] ,

momenteel gedetineerd in [verblijfplaats] ,

(hierna: de veroordeelde).

1. De procedure

Bij onherroepelijk geworden vonnis van het Landgericht te Essen in Duitsland van 14 juli 2017 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 11 jaar. De tenuitvoerlegging van deze veroordeling is op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: WETS) op 13 april 2018 overgenomen door Nederland en omgezet naar een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar.

De veroordeelde is, gelet op artikel 6:2:11 van het Wetboek van Strafvordering (oud), op 25 november 2021 feitelijk voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zou maken aan een strafbaar feit en daarnaast onder enkele bijzondere voorwaarden.

Het besluit, waarin aan de veroordeelde deze voorwaarden zijn opgelegd, is aan hem betekend op 5 oktober 2021.

De proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidsstelling en het strafrestant bedroegen 974 dagen.

De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 17 november 2025, strekt ertoe dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling volledig herroept voor een periode van 974 dagen. De officier van justitie legt daaraan ten grondslag dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde die aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling is verbonden. De veroordeelde heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan overtreding van de algemene voorwaarde door nieuwe strafbare feiten te plegen, te weten het plegen van twee plofkraken en deelname aan een criminele organisatie., Hiervoor is hij op 24 juli 2024 door het Landgericht in Bamberg (Duitsland) veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en drie maanden. Dit vonnis is onherroepelijk.

Het strafrestant bedraagt ten tijde van het geven van deze beslissing 974 dagen gevangenisstraf.

2. Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de openbare zitting van 8 januari 2026. Daarbij zijn gehoord:

- de officier van justitie, mr. F.B. Koolhof;

- de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. W. Hendrickx.

3. Het toepasselijk recht

Op 1 juli 2021 is de Wet straffen en beschermen in werking getreden. Gelet op het toepasselijk overgangsrecht is in deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 juli 2021 (vgl. HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:984).

4. De standpunten

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat het openbaar ministerie in de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet-ontvankelijk is, omdat de vordering tot herroeping niet onverwijld is ingediend. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de zaak aan te houden om het openbaar ministerie opdracht te geven een schrijven van de Duitse Staatsanwalt op te vragen (Duitse officier van justitie) waarin wordt uitgelegd welke deal de Staatsanwalt voorafgaand aan de veroordeling op 24 juli 2024 met de veroordeelde heeft gesloten en of de veroordeelde ook mondeling iets is toegezegd over de gevolgen van de deal voor de voorwaardelijke invrijheidstelling in Nederland na zijn eerdere veroordeling en omzetting op grond van de WETS. De Duitse Staatsanwalt zou volgens de veroordeelde aan hem de mondelinge toezegging hebben gedaan dat hij in Nederland niet geconfronteerd zou worden met een herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Meer subsidiair verzoekt de raadsman om de vordering slechts gedeeltelijk toe te wijzen.

5. Het oordeel van de rechtbank

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie de vordering niet onverwijld heeft ingediend en dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op grond van artikel 15i, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (oud) moet het openbaar ministerie, indien het van oordeel is dat de veroordeelde een aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd, onverwijld een schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling indienen bij de rechtbank. Aan een dergelijk oordeel van het openbaar ministerie gaat een beoordeling vooraf. Naar het oordeel van de rechtbank is beslissend voor de aanvang van de termijn van onverwijldheid het moment waarop de beoordeling van de stukken is afgerond (zie hiervoor ECLI:NL:PHR:2014:1523).

De officier van justitie heeft toegelicht – en dit blijkt ook uit de stukken in het dossier – dat het openbaar ministerie, en meer in het bijzonder de afdeling Centrale Voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling, pas op 3 november 2025 de vertaalde versie van het Duitse vonnis heeft ontvangen. Pas vanaf dat moment kon worden beoordeeld of de veroordeelde in de proeftijd de aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling verbonden algemene voorwaarde heeft overtreden. Zonder vertaald vonnis is immers niet ondubbelzinnig vast te stellen of de veroordeelde daadwerkelijk nieuwe strafbare feiten heeft begaan gedurende zijn proeftijd. De termijn van onverwijldheid begon dan ook te lopen vanaf de ontvangst van het vertaalde vonnis.

Gelet op het feit dat de vordering tot herroeping twee weken na ontvangst van het vertaalde vonnis is ingediend bij de rechtbank, namelijk op 17 november 2025, is de rechtbank van oordeel dat deze vordering onverwijld is ingediend. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vordering.

Daarbij merkt de rechtbank ten overvloede op dat het niet-onverwijld indienen van de vordering niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (ECLI:NL:HR:2014:2647).

Toezegging Staatsanwalt in Duitsland

De raadsman heeft aangevoerd dat de veroordeelde in Duitsland een schikking heeft getroffen met de Staatsanwalt over de strafzaak in het buitenland. Daarbij zou door de Staatsanwalt een mondelinge toezegging zijn gedaan aan de veroordeelde. Deze toezegging zou inhouden dat de veroordeelde in Nederland niet geconfronteerd zou worden met een herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling in onderhavige zaak. Het is volgens de raadsman van belang dat deze toezegging wordt uitgezocht en dat kan alleen door een schrijven van de Staatsanwalt, waardoor de zaak moet worden aangehouden.

De rechtbank stelt voorop dat zij het hoogst onwaarschijnlijk vindt dat de Duitse Staatsanwalt aan de veroordeelde dergelijke toezeggingen zou hebben gedaan met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidsstelling in een ander land. De Duitse Staatsanwalt was daartoe immers niet bevoegd.

Zelfs als de Staatsanwalt deze mondelinge toezegging aan de veroordeelde zou hebben gedaan, had de veroordeelde daar nooit op mogen en kunnen vertrouwen. De voorwaardelijke invrijheidsstelling speelde immers in Nederland, Nederlandse regelgeving is van toepassing en daar gaat het openbaar ministerie in Nederland over. Dit moet voor een veroordeelde duidelijk zijn. Bovendien moet het voor een veroordeelde die voorwaardelijk in vrijheid is gesteld duidelijk zijn dat als hij (opnieuw) veroordeeld wordt wegens een strafbaar feit dat in de proeftijd is begaan, in beginsel altijd een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling zal worden ingediend. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden zou daarvan kunnen worden afgeweken.

Gelet op deze omstandigheden mocht de veroordeelde, als daadwerkelijk een toezegging zou zijn gedaan, nooit op een toezegging van de daartoe niet bevoegde Duitse Staatsanwalt vertrouwen. Dat de veroordeelde dit wel heeft gedaan, zonder zich te laten informeren door bevoegde instanties in Nederland die daarover gaan of door een Nederlandse advocaat, komt voor rekening van de veroordeelde.

De rechtbank ziet onder deze omstandigheden geen reden om de zaak aan te houden en nadere stukken op te vragen over deze kwestie en wijst de onderzoekswensen van de verdediging hieromtrent af.

De raadsman heeft ter zitting verzocht om in geval van een aanhouding van de behandeling voor het opvragen van de nadere stukken over deze kwestie ook de stukken aan het dossier te voegen welke het openbaar ministerie ter beschikking stonden bij de WETS-procedure, en de heer Dragtenstein, toezichthouder van de reclassering, op te roepen. Gelet op het hiervoor overwogene is dat niet meer van belang en de rechtbank gaat daar dus aan voorbij.

Inhoudelijke beoordeling

De voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd.

Veroordeelde is in 2017 veroordeeld tot een lange gevangenisstraf voor ernstige strafbare feiten, welke veroordeling op grond van de WETS door Nederland is overgenomen en omgezet. Uiteindelijk had de veroordeelde recht op voorwaardelijke invrijheidstelling. Het besluit tot voorwaardelijke invrijheidstelling is op 5 oktober 2021 in persoon aan de veroordeelde betekend. Uit dit besluit blijkt onder meer dat de veroordeelde zich met ingang van de voorwaardelijke invrijheidstelling op 25 november 2021 moet houden aan de algemene voorwaarde om geen strafbare feiten te plegen, met de waarschuwing dat anders de invrijheidstelling kan worden herroepen. De veroordeelde wist dus dat er een langdurige straf boven zijn hoofd hing. Desondanks is de veroordeelde in de proeftijd opnieuw veroordeeld voor vergelijkbare ernstige strafbare feiten als waarvoor hij eerder was veroordeeld en waarvoor hem voorwaardelijke invrijheidsstelling werd verleend. Het gaat hier dus om een zeer kwalijke en ernstige overtreding van de algemene voorwaarde die aan de voorwaardelijke invrijheidstelling was verbonden. De rechtbank vindt het noodzakelijk dat de veroordeelde de consequenties van zijn handelen ondervindt en ziet gelet op de ernst van de feiten aanleiding om de vordering in zijn geheel toe te wijzen.

De verdediging heeft aangevoerd dat de veroordeling waarop de herroeping is gebaseerd van lange tijd geleden is. Voor het voortduren van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is echter naleving van de voorwaarden gedurende de gehele proeftijd vereist. Bovendien kan ook niet worden gezegd dat de veroordeelde zich gedurende geruime tijd aan de voorwaarden heeft gehouden, aangezien hij zich op 17 en 18 mei 2023, ongeveer anderhalf jaar na zijn feitelijke invrijheidsstelling, weer schuldig heeft gemaakt aan ernstige (en soortgelijke) strafbare feiten.

Gelet op de ernst van deze nieuwe strafbare feiten, legt ook het feit dat de veroordeelde gedurende een periode van ongeveer zes maanden bezig zou zijn met resocialisatie geen gewicht in de schaal.

Tot slot overweegt de rechtbank dat er weliswaar sprake is van enig tijdsverloop tussen de buitenlandse veroordeling en de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, maar dat dit tijdsverloop geen invloed heeft op de beslissing, omdat de veroordeelde hiervan geen nadeel ondervindt. De veroordeelde zat immers al in detentie.

6. De beslissing

De rechtbank:

- wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe;

- gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 974 dagen;

Deze beslissing is genomen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mr. L.C. Michon en mr. T.C.P. Christoph, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 22 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. N.P.J. Janssens
  • mr. L.C. Michon
  • mr. T.C.P. Christoph

Griffier

  • mr. G.S.M. van Duinkerken

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?