ECLI:NL:RBMNE:2026:1176

ECLI:NL:RBMNE:2026:1176

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 16/028404.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Acht jaar gevangenisstraf voor medeplichtigheid poging moord op sportschoolhouder. Veroordeelde heeft de schutter vervoerd. Ook wapen en valse identiteitskaart voorhanden. Vordering benadeelde partij deels toegewezen, inkomstenderving te complex voor strafzitting.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/028404-25 (P); 16/339139-25 (t.t.z. gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 25 maart 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 11 maart 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlasteleggingen

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

parketnummer 16/028404-25:

feit 1 primair

op 24 december 2024 te Amsterdam, Almere, althans in Nederland, samen met anderen, heeft geprobeerd [slachtoffer] te vermoorden;

dit feit is subsidiair ten laste gelegd als medeplichtigheid aan deze poging;

feit 2

op 24 december 2024 te Almere een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

parketnummer 16/339139-25:

feit 1

op 26 maart 2025 te Amsterdam een valse identiteitskaart voorhanden heeft gehad.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16/028404-25 en 16/339139-25 ten laste gelegde feiten respectievelijk als de feiten 1, 2 en 3.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 heeft gepleegd.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 1 en 2. Over het bewijs voor feit 3 heeft de advocaat geen verweer gevoerd.

Ten aanzien van feit 1 voert de advocaat onder meer aan dat er geen sprake van poging tot moord dan wel doodslag was, omdat niet gericht op de aangever is geschoten. Bovendien heeft de verdachte zich uitdrukkelijk gedistantieerd van de situatie, door weg te rijden op het moment dat er schoten werden gelost. Hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte geen opzet had op het gronddelict.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1 primair

De rechtbank oordeelt dat feit 1 primair (medeplegen van poging tot moord) niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank oordeelt dat er onvoldoende bewijs is voor de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte(n). De bijdrage van de verdachte is daarvoor van onvoldoende gewicht. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

Bewijsmiddelen feiten 1 subsidiair, 2 en 3

De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 subsidiair en 2 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. De bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

De rechtbank oordeelt dat ook feit 3 is bewezen. De verdachte bekent dat hij feit 3, namelijk het voorhanden hebben van een vals identiteitsbewijs, heeft gepleegd zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom in bijlage II alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert.

Bewijsoverwegingen feit 1 subsidiair

Inleiding

De rechtbank gaat op basis van de bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. In de avond van 24 december 2024 heeft er een schietpartij plaatsgevonden op de parkeerplaats bij de sportschool [locatie] aan de [adres 2] te [plaats] . Op het moment dat de sportschoolhouder buiten stond, zag hij hoe een man op hem afkwam en iets op hem richtte, waarna hij meerdere schoten hoorde. De sportschoolhouder (hierna: het slachtoffer) werd niet geraakt. Die avond is de verdachte in een gehuurde Opel Corsa met het kenteken [kenteken] van [plaats] naar [plaats] gereden. De verdachte was op het moment van de schietpartij in de nabije omgeving van de sportschool. De schutter (hierna: de medeverdachte) was een passagier van de verdachte en nadat er schoten waren gelost, is de medeverdachte weer in de gehuurde Opel Corsa gestapt en is de verdachte met hem weggereden van de plaats delict.

Voorbedachte raad Voor een bewezenverklaring van ‘voorbedachte raad' is nodig dat de dader zich enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en deze te overzien. Aangezien de rechtbank hierna tot een bewezenverklaring van medeplichtigheid concludeert, dient de voorbedachte raad niet bij de verdachte te worden gevonden, maar bij de schutter: de medeverdachte.

De rechtbank oordeelt dat de medeverdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad en legt uit waarom.

De handelingen van de medeverdachte duiden op meerdere momenten van beraad. De medeverdachte is vanuit [plaats] door de verdachte vervoerd naar de sportschool in [plaats] . Uit de camerabeelden blijkt dat tussen het moment dat de huurauto in de [straat] aankwam en het schietincident ongeveer vijf kwartier zijn verstreken. In de tussentijd hebben de verdachte en de medeverdachte rondjes in de directe nabijheid van de sportschool gereden. Zo blijkt de auto vanaf 21:31 uur ongeveer 20 minuten op de [straat] te [plaats] te hebben stilgestaan, waarna om 21:51 uur een portier openging, waaruit de rechtbank afleidt dat de medeverdachte is uitgestapt. Daarna verplaatste de auto, met verdachte als bestuurder, zich naar de [straat] te [plaats] waar weer werd gewacht. Omstreeks 22.14 uur reed de auto langzaam met een geopend portier, welk portier omstreeks 22.15.20 weer gesloten werd. Dit is volgens de rechtbank het moment dat de medeverdachte weer is ingestapt. In de tussentijd vond omstreeks 22:15 uur het schietincident plaats. Gelet op deze bewegingen is de rechtbank ervan overtuigd dat de verdachte en de medeverdachte geruime tijd bewust hebben gewacht tot het slachtoffer de sportschool zou verlaten.

In die periode heeft de medeverdachte de tijd gehad om na te denken over de voorgenomen daad. Dat heeft de medeverdachte er niet van weerhouden om uiteindelijk – gericht – op de aangever te schieten. Toen het slachtoffer de sportschool verliet, zaten de verdachte en de medeverdachte in de huurauto die op dat moment bij de sportschool stond. De medeverdachte stapte uit en schoot, blijkens de verklaring van de aangever, gericht op de aangever. Daarna reed de verdachte met de medeverdachte weg.

Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van de medeverdachte en de (ruime) tijdspanne concludeert de rechtbank dan ook dat er sprake was van een vooropgezet plan om het slachtoffer dood te schieten. Niet is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en ook is niet gebleken van enige contra-indicaties voor voorbedachte raad.

Medeplichtigheid

Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat de verdachte opzet had op zijn handelingen als medeplichtige, maar ook, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij het vaststellen van medeplichtigheid wordt uitgegaan van de handelingen van de dader, ook als het opzet van de medeplichtige alleen betrekking heeft op een deel van die handelingen. Het is niet noodzakelijk dat de medeplichtige opzet heeft gehad op de precieze wijze waarop het gronddelict is begaan. Opzet van de medeplichtige hoeft niet op een deelnemingsvorm te zijn gericht, in dit geval het medeplegen.

De rechtbank oordeelt dat de verdachte wist van het plan om het slachtoffer te doden en daaraan ook een bijdrage heeft willen leveren. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De verdachte heeft voorafgaand aan het schietincident in [plaats] een huurauto geregeld en met die huurauto de medeverdachte naar de sportschool in [plaats] vervoerd.

Verder blijkt uit het onderzoek van de telefoon van de verdachte dat hij op 24 december 2024 om 21:25 uur – ongeveer vijftig minuten voor het schietincident – een foto heeft geüpload naar de applicatie Snapchat. Op de foto is te zien dat er twee personen in een auto zitten en dat er een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op een been van de bestuurder ligt. Ook blijkt dat de foto in de buurt van de plaats van het schietincident is geüpload. De rechtbank overweegt dat het vuurwapen op de foto op het oog een zelfde soort vuurwapen is als het vuurwapen waarmee met een hoge mate van waarschijnlijkheid op het slachtoffer blijkt te zijn geschoten, namelijk een (semi-) automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum, merk Glock, Gen 5. De rechtbank komt op basis van de bewijsmiddelen tot de overtuiging dat het vuurwapen op de foto het vuurwapen is waarmee nog geen uur na het uploaden van de foto op het slachtoffer is geschoten.

Daar komt bij dat de verdachte, nadat de medeverdachte schoten had gelost in de richting van het slachtoffer, heeft gefaciliteerd dat de medeverdachte kon wegkomen van de plaats delict. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte stapvoets reed, in ieder geval zo langzaam dat de medeverdachte in de rijdende auto kon stappen. De verklaring van de verdachte dat hij twee minuten lang 50 km/u heeft gereden om weg te komen van de medeverdachte, voordat hij afremde om de bijrijdersdeur te sluiten, beoordeelt de rechtbank als ongeloofwaardig. Immers, indien de verdachte werkelijk met een dergelijke snelheid zou hebben gereden, was hij binnen de kortste keren al ver buiten het bereik van de medeverdachte geweest. De rechtbank verwerpt daarmee het verweer van de verdediging dat de verdachte werd verrast door de schoten en zich toen uitdrukkelijk heeft verwijderd van de situatie. De rechtbank merkt het handelen van de verdachte dan ook niet aan als zich uitdrukkelijk distantiëren van de situatie, maar integendeel als het mogelijk maken van de vlucht van de schutter.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte wel degelijk wist van het plan om het slachtoffer te doden, dat hij wist van de aanwezigheid van een vuurwapen en zich niet op cruciale momenten heeft gedistantieerd. Door een huurauto te regelen en de medeverdachte naar de sportschool in [plaats] te vervoeren heeft hij op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit plan ook daadwerkelijk zou worden uitgevoerd. Bovendien heeft hij na het schieten (dat hij naar eigen zeggen had gehoord) de vlucht mogelijk gemaakt.

De pas op de zitting afgelegde verklaring van de verdachte dat hij dacht dat de medeverdachte op hem schoot, en dat hij de medeverdachte vervolgens vanaf de plaats delict heeft vervoerd omdat hij bang was, oordeelt de rechtbank ongeloofwaardig, gezien het hierboven overwogene. Bovendien heeft de verdachte, op de plaats delict en naderhand onderweg, op meerdere momenten de gelegenheid gehad om te vluchten.

Conclusie

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de verdachte zowel opzet heeft gehad op behulpzaam zijn en het verschaffen van gelegenheid, als (voorwaardelijk) opzet op het doden van de aangever. De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde daarmee bewezen.

Bewijsoverweging feit 2

Zoals onder paragraaf 3.3.3. is overwogen, komt de rechtbank tot de overtuiging dat het op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de foto die is aangetroffen in de telefoon van de verdachte, het vuurwapen betreft waarmee op het slachtoffer is geschoten. De rechtbank komt op basis van de bewijsmiddelen vervolgens ook tot de overtuiging dit een vuurwapen van categorie III in de zin van de Wet Wapens en Munitie betreft. De verdachte heeft dit vuurwapen voorhanden gehad. De rechtbank oordeelt dan ook het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1. subsidiair

(een) dader(s) op 24 december 2024 te Almere, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door die dader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven

een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en

met dat vuurwapen meermalen (een) kogel(s) in de richting van die [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 24 december 2024 te Amsterdam en Almere en elders in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en waartoe hij opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door

een voertuig (te weten een personenauto van het merk Opel, type Corsa gekentekend [kenteken] ) te laten huren en daar gebruik van te maken en

met dat voertuig die dader(s) op te halen in Amsterdam en te vervoeren naar Almere alwaar het misdrijf heeft plaatsgevonden en

vervolgens die dader(s) naar elders te vervoeren;

2op 24 december 2024 te Almere, tezamen en in vereniging met een of meer anderen een (vuur)wapen van categorie III, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

3

hij op 26 maart 2025 te Amsterdam een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een Nederlandse identiteitskaart met documentnummer [nummer] , op naam van [A] , geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] , waarvan hij, verdachte, wist dat deze vals of vervalst was, voorhanden heeft gehad.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

1 subsidiair: medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot moord

2: medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

3: een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is

Strafbaarheid feiten en de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar, met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt rekening te houden met de rol die de verdachte gehad in het geheel. De verdachte heeft niet de schoten gelost, maar was bestuurder, wat zijn rol kleiner maakt. Verder verzoekt de advocaat rekening te houden met het feit dat de detentie de verdachte zwaar valt, maar hij desondanks een positieve invulling heeft gegeven aan zijn tijd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 8 jaren op.

Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft een bijdrage geleverd aan de poging tot moord op het slachtoffer. De verdachte heeft daartoe een huurauto geregeld en is vanuit [plaats] naar [plaats] gereisd voor een ‘klus’, die neerkwam op een liquidatie. De verdachte heeft niet zelf op het slachtoffer geschoten, maar heeft de schutter naar de locatie waar het slachtoffer zich bevond vervoerd. Samen met de schutter heeft de verdachte de komst van de verdachte afgewacht, ofwel in een hinderlaag gelegen. Nadat de medeverdachte meerdere schoten in de richting van het slachtoffer heeft gelost, is de verdachte met de medeverdachte weggereden. Dat het slachtoffer niet is geraakt door de schoten is een gelukkige omstandigheid en is niet aan het handelen van de verdachte te danken.

Moord is één van de ergste feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent en dat geldt dus ook voor een poging daartoe. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een dergelijk feit – ook als het bij een poging is gebleven, zelfs als niemand gewond is geraakt – nog geruime tijd psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Uit de op de zitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt welke gevolgen de poging tot moord heeft gehad voor het slachtoffer. Hij voelt zich niet meer veilig op straat, leeft iedere dag met de angst dat iemand hem wil vermoorden en kan zijn kinderen niet meer thuis ontvangen omdat hij nu wordt beveiligd. Ook leiden dit soort gewelddadige feiten tot onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent het de verdachte in hoge mate aan dat hij hieraan een bijdrage heeft geleverd en dat hij geen enkele blijk heeft gegeven inzicht te hebben in het kwalijke van zijn handelen.

Ook heeft de verdacht zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en een valse identiteitskaart.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 9 februari 2026 (hierna: het strafblad);

- een reclasseringsadvies van 27 februari 2026, uitgebracht door Reclassering Nederland (hierna: de reclassering);

- een psychologisch rapport van 26 mei 2025, uitgebracht door de GZ-psycholoog (hierna: de GZ-psycholoog).

Strafblad

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit verder niet mee in het bepalen van de straf.

Reclasseringsadvies

De reclassering ziet bij de verdachte problemen op een aantal leefgebieden die in algemene zin risicoverhogend kunnen werken. De verdachte heeft geen zinvolle, structurele dagbesteding, geen startkwalificaties voor de arbeidsmarkt en een instabiele financiële situatie. Er is nauwelijks sprake van een steunende factor op emotioneel vlak vanuit zijn familiair of sociaal netwerk. Wel heeft de verdachte zelf initiatief genomen om gesprekken met een inrichtingspsycholoog aan te vragen.

Psychologisch rapport

De GZ-psycholoog constateert dat er bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis. Echter, de GZ-psycholoog acht weinig aannemelijk dat deze stoornis een rol heeft gespeeld in het handelen van de verdachte.

Strafoplegging

Gelet op de ernst van (met name) het eerste feit kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur zonder meer op zijn plaats is. Daarbij geldt wel dat de verdachte wordt veroordeeld voor medeplichtigheid en niet voor het medeplegen van een poging tot moord. Rekening houdend met straffen die voor een vergelijkbaar misdrijf, gepleegd onder vergelijkbare omstandigheden, doorgaans worden opgelegd oordeelt de rechtbank dat een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging van de straf

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

6. In beslag genomen voorwerpen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de inbeslaggenomen telefoon, identiteitskaart en laptop dienen te worden verbeurd verklaard.

Standpunt van de verdediging

De advocaat neemt geen standpunt in over het beslag.

Oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten 1 STK Telefoontoestel (voorwerpnummer: 3502954), verbeurd verklaren. Met behulp van dit voorwerp is het onder feit 1 primair bewezen verklaarde feit voorbereid/begaan.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten 1 STK Identiteitsbewijs (voorwerpnummer: 3502991), onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met betrekking tot dit voorwerp is bovendien het onder 3 bewezen verklaarde feit begaan

Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal teruggave gelasten aan verdachte van het in beslag genomen voorwerp, te weten 1 STK Computer (voorwerpnummer: 3502994).

7. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van €93.933,48 of €70.647,48 of €49.833,59 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit €81.933,48 of €58.647,48 of €37.833,59 voor vergoeding van materiële schade en €12.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

kosten GZ- psycholoog € 395,59;

gederfde winst/ doorlopende kosten vaste kosten bedrijf € 79.659,89 of € 56.373,89 of € 35.560,00.

hotelovernachtingen € 1.324,- ;

reiskosten € 554,-;

Tijdens de zitting heeft de benadeelde partij het bedrag onder punt 2 aangepast, in die zin dat de benadeelde partij de gederfde winst vordert na heffing van inkomstenbelasting. De benadeelde partij laat het aan de rechtbank over de hoogte van de schade voor dit deel te schatten.

Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De benadeelde partij vraagt ook een vergoeding van € 500,- voor gemaakte proceskosten. Dit bedrag betreft de kosten voor het eigen risico van rechtsbijstand.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich primair op het standpunt dat de vordering in het geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. De advocaat heeft subsidiair over de hoogte van de gevorderde materiële schade het volgende naar voren gebracht. De kosten van hotelovernachtingen, reiskosten en gederfde winst en doorlopende vaste kosten van de sportschool dienen te worden afgewezen, nu geen sprake is van rechtstreekse schade, dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.

De advocaat betwist de hoogte van de kosten GZ-psycholoog en de hoogte van de gevorderde immateriële schade niet.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Kosten GZ-psycholoog

Het gedeelte van de vordering dat ziet op de kosten voor behandeling bij een GZ-psycholoog is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder 1 bewezen feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.

Gederfde winst/ doorlopende vaste kosten bedrijf

De benadeelde partij wordt ten aanzien van dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De benadeelde partij heeft de hoogte van de gederfde winst aangepast op de zitting. De rechtbank dient als gevolg van die wijziging in de vordering te berekenen wat het netto inkomstenverlies is na heffing van inkomsten belasting. De rechtbank oordeelt dat dit, zeker binnen de beperkte kaders van het strafproces, op zichzelf al een vergaande en complexe beoordeling is. Daar komt nog bij dat namens de benadeelde partij is aangevoerd dat sprake is van alternatieve causaliteit, nu er op verschillende momenten in enkele maanden tijd is geprobeerd zijn leven te ontnemen en niet kan worden bepaald welk incident (en dus welke dader) de schade die uiteindelijk is ontstaan heeft veroorzaakt. Duidelijk is dat de benadeelde partij na het tweede incident op 6 januari 2025, in het stelsel Bewaken en Beveiligen is opgenomen. Ook staat vast dat de sportschool van de benadeelde partij is gesloten per 9 januari 2025, na het tweede incident. De rechtbank oordeelt dat, gelet op de keten van gebeurtenissen die tot de sluiting van de sportschool hebben geleid en het feit dat de verdachte geen medepleger is, maar een medeplichtige, de beoordeling van de redelijke toerekening aan de verdachte als onevenredig belastend moet worden beschouwd en niet binnen het strafproces dient plaats te vinden.

De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog wel aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Hotelovernachtingen en reiskosten

Ook ten aanzien van de kosten van hotelovernachtingen en reiskosten bepaalt de rechtbank dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. Ook dit onderdeel van de vordering is, gelet op het hiervoor overwogene, te complex om te behandelen binnen de strafprocedure en levert daarom een te grote belasting op van de strafprocedure.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt. De hoogte van de vordering is bovendien niet betwist. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.

Conclusie

Concluderend wijst de rechtbank de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 12.395,59, bestaande voor € 395,59 uit vergoeding van materiële schade en voor € 12.000,- uit vergoeding van immateriële schade. Voor het overige deel van de vordering bepaalt de rechtbank dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank begroot de kosten van de benadeelde partij op dit moment op € 500,-.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van

€ 12.395,59 aan de Staat moet betalen.

Wettelijke rente

De vergoeding van de materiële schade (€ 395,59) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 september 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

De vergoeding van de immateriële schade (€ 12.000,-) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2024, omdat is komen vast te staan dat de immateriële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald,

Gijzeling

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 86 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Dit geldt niet voor de toegewezen proceskosten. Voor zover de mededader/een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

8. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart feit 1 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

beslag

- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:

1 STK Telefoontoestel (voorwerpnummer: 3502954);

- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:

1 STK Identiteitsbewijs (voorwerpnummer: 3502991);

- gelast de teruggave aan verdachte van het volgende voorwerp:

1 STK Computer (voorwerpnummer: 3502994);

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 subsidiair)

proceskosten

- veroordeelt de verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 500,-;

schadevergoedingsmaatregel

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat

€ 12.395,59 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 395,59 met ingang van 10 september 2025;

- over een bedrag van € 12.000,- met ingang van 24 december 2024 tot de dag van volledige betaling,

Dit vonnis is gewezen door mr. V.A. Groeneveld, voorzitter, mr. P.C. Quak en mr. H. den Haan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 16/028404-25:

1hij op of omstreeks 24 december 2024 te Almere , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven- een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft gericht en/of met dat vuurwapen meermalen, althans eenmaal (een) kogel(s) in de richting van die [slachtoffer] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] en/of (een) onbekende mededader(s) op of omstreeks 24 december 2024 te Almere , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door die [medeverdachte] en/of (een) onbekende mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven- een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of met dat vuurwapenmeermalen, althans eenmaal (een) kogel(s) in de richting van die [slachtoffer] heeft/hebben afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 24 december 2024 te Amsterdam en/of Almere en/of elders in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- een voertuig (te weten een personenauto van het merk Opel, type Corsa gekentekend [kenteken] ) te (laten) huren en/of daar gebruik van te maken en/of

- met dat voertuig [medeverdachte] op te halen in Amsterdam en/of te vervoeren naar Almere alwaar het misdrijf heeft plaatsgevonden en/of vervolgens die [medeverdachte] naar elders te vervoeren;

2hij op of omstreeks 24 december 2024 te Almere , tezamen en in vereniging met een of meer anderen een (nog onbekend) (vuur)wapen van categorie II en/of III, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

in de zaak met parketnummer 16/339139-25:

hij op of omstreeks 26 maart 2025 te Amsterdam een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een Nederlandse identiteitskaart met documentnummer [nummer] , op naam van [A] , geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] , waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, voorhanden heeft gehad.

Bijlage II: Bewijsmiddelen feiten 1 en 2

In zijn aangifte heeft [slachtoffer] onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Op 24 december 2024 liep ik omstreeks 22:15 uur de sportschool aan de [adres 2] te [plaats] uit. Ik zag dat er een auto met de bijrijdersdeur open wegreed. Ik zag dat er een man op mij af kwam lopen. Ik zag dat de man iets omhoog trok en het op mij richtte. Ik hoorde een paar knallen. Ik ben niet geraakt.

In een proces-verbaal van verhoor verdachte in de raadkamer van 10 april 2025, is onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende opgenomen:

De verdachte verklaart:

Ik was erbij. Die jongen zei dat hij iemand zag en begon vervolgens te schieten.

In een proces-verbaal van bevindingen resultaat 126nd vordering free2move Opel Corsa [kenteken] is onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

De Opel Corsa met kenteken [kenteken] was op 24 december 2024 rondom het schietincident in de directe omgeving van het incident. Het voertuig werd op dat moment gehuurd door [B] . De huur startte in Amsterdam . De volgende stop van het voertuig was om 20:07 uur tot 20:37 uur op de [straat] in Amsterdam . Hierdoor lijkt het alsof er vanaf 20.35 uur naast de bestuurder nog een of meerdere personen bij het voertuig zijn.

Het voertuig stond tussen 21:31 uur en 21:51 uur stil op de [adres 3] te [plaats] .

Het voertuig stond tussen 21:54 uur en 22:01 uur stil op de [adres 4] te [plaats] .

Het voertuig stond tussen 22:03 uur en 22:12 uur stil op de [adres 5] te [plaats] , een straat in de directe omgeving van de locatie waar omstreeks 22:15 uur het schietincident plaatsvond.

Tijdens het rijden om 22:14:32 uur werd de deur rechts voor of links/rechts achter geopend en omstreeks 22:15:20 uur weer gesloten. Deze tijden komen overeen met de camerabeelden waarop de vermoedelijke schutter als bijrijder in de langzaam voorbijrijdende lichtkleurige auto stapt op de [straat] te [plaats] . Het voertuig kwam na het schietincident voor het eerst tot stilstand op een onbekende locatie om 22:29 uur.

In een proces-verbaal van bevindingen eerste onderzoek iPhone 13, is onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Gelet op de afbeeldingen en video's, gekoppelde accounts, het gekoppelde telefoonnummer, de berichten en e-mails op de telefoon en het feit dat de telefoon bij de aanhouding bij verdachte [verdachte] werd aangetroffen, vermoed ik dat de telefoon tot inbeslagname in gebruik was bij: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] .

Op 24 december 2024 werd omstreeks 21.25 uur een met de telefoon gemaakte foto naar Snapchat geüpload. Op de afbeelding zijn twee personen te zien in een auto. De bestuurder draagt een grijze trainingsbroek met opvallende zwarte tekst met witte omlijning ter hoogte van het kruis. Op het bovenbeen van de bestuurder is een zwart op een handvuurwapen gelijkend voorwerp te zien. De bijrijder draagt zwarte kleding met witte Nike tekens. Bij verder onderzoek in de telefoon viel mij op dat verdachte [verdachte] op een grote hoeveelheid video’s en foto's te zien is met een grijs trainingspak. De broek van dit trainingspak komt exact overeen met de grijze trainingsbroek met zwarte tekst met daarop het handvuurwapen zoals te zien op de afbeelding. De door Snapchat geregistreerde locatie betreft een locatie op de [straat] te [plaats] . Deze locatie bevindt zich hemelsbreed op ongeveer 300 meter van het plaats delict op de [adres 2] te [plaats] waar op 24 december 2024, omstreeks 22.15 uur, het schietincident plaatsvond. Op basis van de gegevens van Free2move en camerabeelden is te zien dat bovengenoemde locatie op de [straat] overeen komt met de locatie op de Grindzuigerstraat te [plaats] waar de Opel Corsa deelauto met kenteken [kenteken] voorafgaand aan het schietincident stilstond van 21.18:41 uur tot 21.26:34 uur.

De gebruiker van de telefoon heeft onder andere op enig moment gezocht naar informatie over een Glock 19 gen 5 vuurwapen en [plaats] schietincident.

In een proces-verbaal van bevindingen correctie en aanvulling camerabeelden Opel Corsa rondom incident is onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

21:00:31 uur Cam03-A [adres 6] , [plaats] (Schadenet)

Op de camerabeelden is te zien dat er een grijze Opel Corsa op de [straat] te [plaats] rijdt, globaal uit de richting van de [adres 2] .

22:14:44 uur Cam 04 [adres 7] , [plaats]Op de beelden is te zien dat de Opel Corsa vanaf de [straat] in de richting van de [adres 7] te [plaats] rijdt.

22:15:13 uur Cam 04 [adres 7] , [plaats]Op de beelden is te zien dat eerder genoemde Opel Corsa stapvoets rijdt met een geopende bijrijdersportier. De Opel Corsa komt globaal gereden vanuit de richting van de [straat] .

Tevens is te zien dat een persoon, ter hoogte van de [adres 8] aan komt rennen uit de richting van de [adres 2] , richting het voertuig. Op de camerabeelden zijn vijf minuten vóór en na het schietincident geen andere personen in de omgeving waargenomen.

22:15:16 uur Cam 04 [adres 7] , [plaats]Op de beelden is te zien dat de persoon via het geopende bijrijdersportier in de auto stapt.

In een proces-verbaal forensisch onderzoek d.d. 28 mei 2025, opgenomen op pagina’s 1 tot en met 11 van het FO-dossier van politie eenheid Midden-Nederland met nummer PL0900-2024407721 is door verbalisant Kemp onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 24 december 2024 lagen tussen het voertuig van het slachtoffer en een grijze Citroen C4 drie hulzen op de weg. Op circa vijf meter van deze hulzen lag op de weg een mobiele telefoon die van het slachtoffer bleek te zijn. Op de stoep en voor het inrijhek van het naastgelegen taxibedrijf van de sportschool lagen twee hulzen. (AAQl7062NL, AAQl7063NL, AAQl7064NL, AAQS8302NL, AAQS8303NL). Er werd een gat in de ruit van een achterdeur aangetroffen aan de [adres 9] te [plaats] . Het gat bevond zich op een hoogte van circa 180 centimeter. Op de vloer achter de achterdeur werd een kogel aan getroffen (AARL7222NL).

Het vergelijkend onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd dat de hulzen zijn verschoten met één vuurwapen. Op basis van het vergelijkend onderzoek werd door het NFI de volgende hypotheses opgesteld.

- Hypothese 1: De hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen.

- Hypothese 2: De hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken.

De resultaten van het vergelijkend hulsonderzoek zijn minimaal zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

De afvuursporen in de hulzen [AAQI7062NL, -63NL, -64NL, AAQS8302NL, -03NL] worden verwacht wanneer deze zijn verschoten met een (semi-) automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum, merk Glock, Gen 5. De afvuursporen in de kogel (AARL7222NL) passen eveneens bij dit vuurwapen.

Bewijsmiddelen feit 3

- een proces-verbaal van bevindingen onderzoek identiteitskaart.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?