ECLI:NL:RBMNE:2026:1177

ECLI:NL:RBMNE:2026:1177

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 16.060152.26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Veroordeling voor het negeren van een zwaar inreisverbod, art. 197 Sr. Ambtshalve Unierechtelijke toets van het inreisverbod. Beoordeling beroep op overmacht m.b.t. de strafbaarheid van de verdachte. Beoordeling van de vraag of een gevangenisstraf de doelen van de Terugkeerrichtlijn doorkruist. Algemene overwegingen over de rol van de strafrechter bij het negeren van een inreisverbod.

Uitspraak

2. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 11 maart 2026. Op de zitting waren aanwezig de officier van justitie, mr. R. Ockeloen, en de advocaat van de verdachte, mr. J. Zaim. De verdachte zelf was niet aanwezig en wilde geen gebruik maken van het recht om bij zijn zitting te zijn.

3. Wat is de beschuldiging?

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij:

feit 1:

op 26 februari 2026 in Amersfoort als vreemdeling in Nederland verbleef, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd;

feit 2:

op 4 februari 2026 in Amersfoort [slachtoffer] heeft mishandeld.

De volledige tekst van de beschuldiging (tenlastelegging) staat in de bijlage bij dit vonnis.

4. Kan de beschuldiging worden bewezen?

De standpunten van de officier van justitie en van de advocaat De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de beide feiten uit de beschuldiging heeft gepleegd.

De advocaat verzoekt de politierechter om de verdachte vrij te spreken van het negeren van het inreisverbod, omdat hij daarvan niet op de hoogte was. De advocaat voert geen verweer over de mishandeling.

De bewijsmiddelen

De politierechter gebruikt voor zijn oordeel de volgende bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit waarover deze gaan.

1. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , voor zover daar in staat, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 4 februari 2026 was ik op de Stadsring in Amersfoort. Ineens voelde ik een harde klap op mijn linker slaap en linker oogkas. Die klap deed mij ontzettend veel pijn en ik viel direct voorover op de grond. Ik voelde dat ik achter elkaar 9 of 10 vuistslagen op mijn hoofd kreeg. Ik hoorde de aanvaller roepen en herkende de stem meteen als [verdachte] .

2) Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , voor zover daar in staat, zakelijk weergegeven:

Ik was samen met [verdachte] . Ik zag een man aan komen lopen. Ik kon zien dat dit [slachtoffer] betrof. Ik zag dat [verdachte] meerdere slaande bewegingen maakte met zijn hand op het hoofd van [slachtoffer] . Ik zag dat [verdachte] met zijn rechter arm grote slagen maakte en [slachtoffer] op zijn hoofd bleef slaan. Ik zag dat [slachtoffer] door de klappen die hij van [verdachte] kreeg op de grond viel. Ik zag dat [verdachte] door bleef slaan op het hoofd van [slachtoffer] terwijl [slachtoffer] op de grond lag.

3) Een beschikking van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 28 december 2023, voor zover daar in staat:

Betreft: [verdachte]

geboren op [1990]

nationaliteit: Somalische

U krijgt een inreisverbod van 10 jaar.

4) Een proces-verbaal van aanhouding van de verdachte, voor zover daar in staat, zakelijk weergegeven:

Op 26 februari 2026 troffen wij in Amersfoort de voor ons bekende [verdachte] aan.

De bewijsoverwegingen van de politierechter

De politierechter oordeelt dat de beide feiten uit de beschuldiging zijn bewezen. Voor de mishandeling volgt dat direct uit de bewijsmiddelen 1) en 2). Dat de verdachte een inreisverbod had en dat hij op 26 februari 2026 desondanks in Nederland was, volgt uit de bewijsmiddelen 3) en 4). In aanvulling hierop overweegt de politierechter over dat feit het volgende.

Uit het dossier volgt dat het inreisverbod in 2023 aan de verdachte is uitgevaardigd omdat hij volgens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een actueel gevaar vormde voor de openbare orde. Er is sprake van een ‘zwaar inreisverbod’ voor de duur van 10 jaar, waarvan het rechtsgevolg is dat hij geen rechtmatig verblijf heeft. Dat volgt uit artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000, dat is opgenomen in de beschuldiging. Tegen het inreisverbod kon worden geprocedeerd bij de vreemdelingenrechter. De verdachte heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt en heeft geen gelijk gekregen: het inreisverbod is in beroep in stand gelaten door de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2024:5213) en in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2024:4016). Het inreisverbod gold ook nog op 26 februari 2026.

Was het inreisverbod rechtmatig?

Het inreisverbod maakt onderdeel uit van de beschuldiging, zodat bewezen moet worden dat het rechtmatig is opgelegd.

De nationale wetgeving over het opleggen van een inreisverbod is een omzetting van Unierechtelijke terugkeerbeleid. De strafbaarstelling van het negeren van een inreisverbod in artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht heeft als doel dat het effect van dat terugkeerbeleid wordt gewaarborgd. Om deze reden moet de rechter in een strafzaak zelf (‘ambtshalve’) onderzoeken of het inreisverbod uit die zaak in overeenstemming is met het Unierecht. Daarbij maakt het niet uit dat de advocaat hierover geen verweer heeft gevoerd en ook niet dat over het inreisverbod al is geprocedeerd bij de vreemdelingenrechter. De politierechter verwijst naar arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 december 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:3632). In dit arrest is het beoordelingskader voor het bewijs van de rechtmatigheid van een inreisverbod uitgebreid opgenomen, met verwijzingen naar de relevante rechtspraak van de Hoge Raad.

Het inreisverbod mocht worden opgelegd, als er op het moment dat het werd uitgevaardigd met betrekking tot de verdachte sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (het openbare-ordecriterium). De toets die de politierechter in de strafzaak nu nog uitvoert, is of het inreisverbod inhoudelijk evident niet voldoet aan het openbare-ordecriterium.

Aan het inreisverbod van de verdachte is destijds onder meer het volgende ten grondslag gelegd:

De politierechter oordeelt dat hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte, toen het inreisverbod werd uitgevaardigd, een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Er is geen sprake van een situatie waarin evident niet aan het Unierechtelijke openbare-ordecriterium wordt voldaan. Daarmee is in strafrechtelijke zin wettig en overtuigend bewezen dat ten aanzien van de verdachte een inreisverbod gold zoals in de beschuldiging staat.

Wist de verdachte van het inreisverbod?

De advocaat heeft aangevoerd dat de verdachte niet wist dat hij een inreisverbod had en dat dit tot vrijspraak moet leiden. Hij was op de hoogte van zijn afgewezen asielaanvraag en van de procedures daarover bij de vreemdelingenrechter. Het inreisverbod was echter een enigszins verholen onderdeel van de besluitvorming en zijn advocaat in die procedures heeft hem daarover nooit ingelicht.

De politierechter volgt dit verweer niet en oordeelt dat de verdachte wist dat hij een inreisverbod had. Uit het besluit blijkt dat namens hem een zienswijze is gegeven op het voornemen om het inreisverbod op te leggen. Hij heeft bovendien over het besluit geprocedeerd, ook al lag het zwaartepunt in die procedure op de asielaanvraag. De verdachte was zelf aanwezig op de zitting van de rechtbank Den Haag van 1 maart 2024, waarop het beroep werd behandeld. Het voornemen is op 24 mei 2023 genomen en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 7 oktober 2024 uitspraak gedaan op het hoger beroep. De politierechter gelooft niet dat de verdachte zich al die tijd niet heeft laten voorlichten over het inreisverbod en de betekenis daarvan.

Bewezenverklaring

De politierechter verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1 op 26 februari 2026 te Amersfoort in Nederland als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

feit 2 op 4 februari 2026 te Amersfoort [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meerdere keren te slaan tegen het hoofd.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5. Welke strafbare feiten levert dit op?

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1: als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

feit 2: mishandeling.

6. Is de verdachte strafbaar?

De standpunten van de officier van justitie en van de advocaat

De advocaat stelt zich op het standpunt dat de verdachte voor het negeren van het inreisverbod niet strafbaar is, omdat sprake is van overmacht. De verdachte kan niet terugkeren naar Somalië omdat hij de reis niet kan betalen en omdat hij geen reisdocumenten heeft.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een situatie van overmacht niet aannemelijk is.

Het oordeel van de politierechter

De politierechter stelt voorop dat de verdachte niet gedwongen kan worden om terug te keren naar Somalië, omdat de Somalische autoriteiten al langere tijd niet meewerken aan gedwongen terugkeer. Het is wel mogelijk om als afgewezen asielzoeker zelfstandig en vrijwillig naar Somalië terug te keren en dat gebeurt ook in beperkte mate. Een vreemdeling die wil vertrekken uit Nederland kan daarbij hulp kan krijgen van de Dienst Terugkeer en Vertrek, die bijvoorbeeld een vliegticket kan boeken, kan bemiddelen bij het verkrijgen van reisdocumenten of geld kan geven voor de terugreis. Als de vreemdeling zich met dit doel meldt, kan hij met een regievoerder bespreken welke hulp nodig en mogelijk is.

Het is de verantwoordelijkheid van de verdachte om alles te doen wat tot zijn vertrek kan leiden. Pas als hij aannemelijk maakt dat hij al het mogelijke heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden met het oog op zijn vertrek uit Nederland, kan sprake zijn van een situatie van overmacht. In dit geval heeft de verdachte in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat hij er alles aan heeft gedaan om zelf uit Nederland te vertrekken. Hij heeft niet toegelicht of hij (financiële) hulp heeft gezocht bij het verkrijgen van reisdocumenten of bij het regelen van een vliegticket. In tegendeel: hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in Nederland wil blijven en het lijkt er sterk op dat de verdachte zelf geen enkele poging tot vertrek heeft gedaan.

Het beroep op overmacht slaagt niet. De verdachte is strafbaar.

7. Wat is een passende straf?

De eis van de officier van justitie en het standpunt van de advocaat

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 weken, met aftrek van het voorarrest.

De advocaat stelt zich op het standpunt dat de verdachte geen gevangenisstraf kan krijgen voor het negeren van het inreisverbod en dat voor de mishandeling moet worden volstaan met een straf die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

Het oordeel van de politierechter

Wat kan de strafrechter doen tegen illegaal verblijf?

Zowel in de samenleving als in de politiek is er een breed gedragen wens voor een streng asielbeleid. Er is een wetsvoorstel in behandeling dat de strafbaarstelling van illegalen in Nederland uitbreidt, waardoor ieder illegaal verblijf strafbaar wordt en niet alleen het negeren van een inreisverbod zoals in deze zaak. Wat daarmee ook gebeurt: de overheid kan alleen een geloofwaardig asielbeleid voeren, als ook sprake is van het daadwerkelijk vertrekken van mensen die afgewezen en uitgeprocedeerd zijn. Als iemand daaraan niet meewerkt en als met een inreisverbod bovendien is vastgesteld dat diegene een gevaar vormt voor de samenleving, dan is het in de huidige wetgeving de strafrechter die daartegen kan optreden.

Het doel van een straf is in de eerste plaats de straf zelf (‘vergelding’). Het doel dat iemand niet opnieuw de fout in gaat, speelt in dit soort zaken minder. Het negeren van een inreisverbod is naar zijn aard immers een voortdurend delict: zolang iemand nog in Nederland is, pleegt hij dit misdrijf. Ook als diegene in de gevangenis zit. In een zaak over een inreisverbod moet een straf daarom verder vooral tot doel hebben dat iemand geprikkeld wordt om, na die straf, wél uit Nederland te vertrekken. En omdat het vanwege de situatie in veel herkomstlanden vaak aantrekkelijker is om als uitgeprocedeerde asielzoeker illegaal in Nederland te blijven dan om legaal naar dat land terug te keren, moet die prikkel zwaar genoeg zijn. Om die reden hanteren strafrechters relatief zware straffen bij het negeren van een inreisverbod: als uitgangspunt geldt een gevangenisstraf van 2 maanden.

De politierechter overweegt hierbij wel dat de mogelijkheden van de strafrechter ook niet overschat moeten worden. De ervaring leert namelijk dat illegale vreemdelingen ook na lange gevangenisstraffen vaak nog steeds in Nederland blijven. En als gedwongen uitzetting niet mogelijk is zoals in deze zaak, kan daarop strafrechtelijk vervolgens enkel gereageerd worden door iemand opnieuw te vervolgen en weer, en nog langer, naar de gevangenis te sturen.

De inzet van het strafrecht bij illegaal verblijf vraagt bovendien om goed doordacht vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie. In deze zaak is na het uitvaardigen van het inreisverbod niet actief ingezet op strafrechtelijke vervolging, terwijl de verdachte wel in beeld is geweest bij de politie en ook al eerder bij de strafrechter is geweest (zie de beslissing over de taakstraf hierna). Het lijkt erop dat de beschuldiging in deze zaak is ‘meegelift’ met de beschuldiging van de mishandeling. Dat verklaart ook waarom deze zaak naar de snelrechtzitting van de politierechter is gegaan, ondanks alle complexe Unierechtelijke materie waarvoor die zitting zich niet goed leent.

Hoe erg is het wat de verdachte heeft gedaan?

De verdachte heeft zonder enige aanleiding een medebewoner van de opvang voor alcoholverslaafde daklozen in elkaar geslagen. Tegen de getuige zou de verdachte hebben gezegd dat hij dit deed omdat hij slecht had geslapen. De begeleiders van de opvang hebben tegen de politie gezegd dat de verdachte voor veel overlast zorgt.

De verdachte mag bovendien helemaal niet in Nederland zijn. In december 2023 is zijn laatste asielaanvraag afgewezen en is een inreisverbod opgelegd. In dat besluit is erop gewezen dat de verdachte niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten en dat hij terug moet keren naar Somalië. Daarbij is vermeld dat het een strafbaar feit is om in Nederland te blijven in weerwil van het inreisverbod.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte hieraan voorafgaand sinds 2004 een verblijfsvergunning had en hij heeft dus langere tijd als statushouder legaal in Nederland verbleven. Een verblijfsvergunning geeft echter niet dezelfde rechten als de Nederlandse nationaliteit en kan worden ingetrokken als iemand zich in de samenleving ernstig misdraagt. Dit is bij de verdachte gebeurd in 2019, nadat hij meerdere malen strafrechtelijk was veroordeeld voor het plegen van misdrijven. Het verschil tussen de rechten van Nederlanders en statushouders brengt tot uitdrukking dat er grenzen zijn aan het gastvrij ontvangen van vluchtelingen in de Nederlandse samenleving. De verdachte respecteert die grenzen in het geheel niet. Hij is na het intrekken van zijn verblijfsvergunning in Nederland gebleven en heeft opnieuw ernstige strafbare feiten gepleegd, waaronder het verrichten van seksuele handelingen met een minderjarig meisje terwijl zij in staat van verminderd bewustzijn verkeerde en een poging om dat minderjarige meisje te verkrachten. Het zware inreisverbod dat daarop volgde, respecteert de verdachte ook niet. Sterker nog: hij blijft voor overlast zorgen en hij blijft strafbare feiten plegen zoals de mishandeling in deze zaak.

De verdachte was niet op de zitting van de politierechter om zijn persoonlijke situatie toe te lichten. Dat heeft hij wel gedaan bij de rechter-commissaris, in het kader van het voorarrest. Hij zei toen dat zijn leven hier is. Hij wil er zijn voor zijn twee in Nederland geboren minderjarige kinderen, die hij soms naar school brengt en in het weekend soms meeneemt. De verdachte heeft gezegd dat hij in Nederland opnieuw asiel wil aanvragen.

De verdachte moet echter beseffen dat zijn toekomst juist níet in Nederland ligt. Hij had er al langere tijd alles aan moeten doen om ervoor te zorgen dat hij kan terugkeren naar Somalië.

De politierechter vind het uitgangspunt van twee maanden gevangenisstraf passend voor het negeren van het inreisverbod. De politierechter weegt daar bovenop in strafverzwarende zin mee dat de verdachte het inreisverbod al lange tijd negeert. Bewezen is dat de verdachte op één dag in Nederland was terwijl hij een inreisverbod had. Het heeft er echter alle schijn van dat de verdachte sinds de oplegging van het inreisverbod in 2023 in Nederland heeft verbleven en dat hij dit misdrijf dus al die tijd heeft gepleegd. Het heeft het er daarnaast alle schijn van dat hij ook vóórdat het inreisverbod werd opgelegd steeds in Nederland is geweest, terwijl zijn verblijfsvergunning al was ingetrokken. Hoewel illegaal verblijf zonder inreisverbod niet strafbaar is en dit dus niet meeweegt bij de straf, laat ook dit zien dat de verdachte zich al die tijd niets aangetrokken van het gezag van de overheid. Door zijn handelen wordt een effectief asielbeleid gefrustreerd.

Hierbij komt nog de mishandeling en daarbij is het uitgebreide strafblad van de verdachte strafverzwarend. Hij is eerder veroordeeld voor geweldsdelicten en liep nog in een proeftijd vanwege een mishandeling die hij in augustus 2025 heeft gepleegd (zie de beslissing over de taakstraf hierna).

Doorkruist gevangenisstraf de terugkeerprocedure?

De politierechter moet nog wel beoordelen of het opleggen van een gevangenisstraf aan de verdachte niet in strijd is met de Europese Terugkeerrichtlijn. De doelen van de Terugkeerrichtlijn zijn het tegengaan van illegale immigratie en het creëren van een doeltreffend terugkeerbeleid. Als een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een vreemdeling die illegaal in Nederland verblijft en die moet vertrekken, kan dat deze doelen doorkruisen. Zo lang iemand in Nederland in de gevangenis zit, is diegene immers nog steeds niet vertrokken.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat lidstaten aan vreemdelingen wél gevangenisstraf mogen opleggen voor strafbare feiten die geen verband houden met illegaal verblijf (arrest van 7 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:408 (Affum), punt 65). De politierechter kan aan de verdachte dus in ieder geval een gevangenisstraf opleggen voor het plegen van de mishandeling.

Uit diezelfde rechtspraak volgt ook dat lidstaten aan vreemdelingen géen gevangenisstraf mogen opleggen vanwege illegaal verblijf, als de stappen uit de terugkeerprocedure van de Terugkeerrichtlijn nog niet helemaal zijn doorlopen (arrest Affum, punt 63). In de nationale rechtspraak is in dit kader voorgeschreven dat de strafrechter zich hiervan moet vergewissen en dat hij dit moet motiveren (bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:242). De politierechter heeft met het oog hierop voor de zitting vragen gesteld over de terugkeerprocedure van de verdachte, die op verzoek van de officier van justitie door de politie zijn beantwoord. Daaruit volgt dat de Dienst Terugkeer en Vertrek met de verdachte vier keer een vertrekgesprek heeft gevoerd, in december 2020, in augustus 2021, in november 2022 en in september 2024. De verdachte is in oktober 2022 gepresenteerd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Somalië, waar is bevestigd dat hij de Somalische nationaliteit heeft. Er is geen vreemdelingenbewaring toegepast, omdat gedwongen uitzetting niet mogelijk was en is.

De advocaat heeft op de zitting het standpunt ingenomen dat de stappen uit de terugkeerprocedure niet volledig doorlopen zijn. Er is slechts één vertrekgesprek geweest nadat het inreisverbod was uitgevaardigd en er is geen vreemdelingenbewaring toegepast.

De politierechter oordeelt dat de Nederlandse Staat de inspanningen heeft geleverd die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om de verdachte naar Somalië te laten vertrekken. De vertrekgesprekken zijn erop gericht iemand te motiveren om vrijwillig te vertrekken en dat is het enige wat nu mogelijk is voor mensen uit Somalië. Deze gesprekken zijn gevoerd sinds het moment waarop de verdachte had moeten vertrekken na de intrekking van zijn verblijfsvergunning. Dat het inreisverbod pas later is uitgevaardigd, is daarbij niet relevant. Vreemdelingenbewaring hoefde naar het oordeel van de politierechter niet te worden toegepast, omdat het niet aannemelijk is dat die maatregel had kunnen bijdragen aan een gedwongen uitzetting naar Somalië. Op dit moment zijn er bovendien geen lopende laissez-passer-aanvragen of andere openstaande vertrekprocedures. Het opleggen van een gevangenisstraf vanwege het negeren van het inreisverbod staat daarom nu niet in de weg aan het verwezenlijken van de doelen van de Terugkeerrichtlijn.

Conclusie

De politierechter vindt de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van 14 weken passend en geboden en zal die straf aan de verdachte opleggen. De tijd die de verdachte al in voorarrest zit (28 dagen op het moment van de uitspraak), wordt van de straf afgetrokken.

8. Moet de verdachte de schade van de mishandeling vergoeden?

De standpunten van de benadeelde partij, de officier van justitie en de advocaat

[slachtoffer] , het slachtoffer van de mishandeling, wil een schadevergoeding van de verdachte. De door hem opgegeven materiële schade bestaat uit niet gespecificeerde kosten van het ambulancevervoer, het verblijf van 5 uur in het ziekenhuis, taxikosten voor de terugreis, stomerijkosten en de kosten van een kapotte rugzak. Hij vraagt daarnaast om vergoeding van niet gespecificeerde immateriële schade (smartengeld).

De officier van justitie en de advocaat verzoeken deze vordering niet-ontvankelijk te verklaren of af te wijzen, omdat er geen onderbouwing is.

Het oordeel van de politierechter

De politierechter overweegt dat de materiële schade niet is onderbouwd en dat de benadeelde partij geen gelegenheid krijgt om dit deel van de vordering alsnog te onderbouwen. Dat leidt namelijk tot een te grote belasting van deze strafzaak. De politierechter bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Over de immateriële schade overweegt de politierechter dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de door de verdachte gepleegde mishandeling. De benadeelde partij heeft geen concreet schadebedrag genoemd, zodat de politierechter dit naar billijkheid zal begroten, en wel op € 400,-. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de mishandeling. De verdachte moet ook de proceskosten van de benadeelde partij betalen, maar die zijn op dit moment nihil.

De politierechter legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De politierechter bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 400,- aan de Staat moet betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de mishandeling. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 4 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen.

9. Moet de verdachte de eerdere voorwaardelijke taakstraf gaan uitvoeren?

De politierechter van deze rechtbank heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16-224546-25 op 13 november 2025 een taakstraf van 20 uur voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft een vordering ingediend om de taakstraf ten uitvoer te leggen.

De standpunten van de officier van justitie en van de advocaat

De officier van justitie en de advocaat hebben op de zitting het standpunt ingenomen dat de taakstraf nu niet ten uitvoer moet worden gelegd, maar dat de proeftijd moet worden verlengd met 1 jaar.

Het oordeel van de politierechter

De verdachte heeft tijdens de proeftijd de strafbare feiten uit deze strafzaak gepleegd. Daarmee heeft hij zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde bij zijn voorwaardelijke straf. De consequentie daarvan is dat hij alsnog de taakstraf moet gaan uitvoeren en de politierechter ziet geen reden om anders te beslissen. Hoewel de verdachte geen vaste woonplaats heeft, was dit geen belemmering om destijds een taakstraf op te leggen en het is de verantwoordelijkheid van de verdachte om die goed uit te voeren. De politierechter wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe.

10. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid

oplegging straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 weken met aftrek van het voorarrest, overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

schadevergoeding

vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-224546-25

Dit vonnis is gewezen door mr. K. de Meulder, politierechter, in aanwezigheid van mr. C.M. Nieuwland als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1hij op of omstreeks 26 februari 2026 te Amersfoort, althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (art. 197 Wetboek van Strafrecht)

2hij op of omstreeks 4 februari 2026 te Amersfoort [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meerdere keren, althans een keer te slaan en/of te stompen tegen het hoofd, althans het lichaam; (art. 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.M. Nieuwland als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?