ECLI:NL:RBMNE:2026:1178

ECLI:NL:RBMNE:2026:1178

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer UTR 26/1131 en UTR 26/1479
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Omgevingswet. Twee verzoeken om een voorlopige voorziening. Omgevingsvergunning voor het bouwen van een aanbouw. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af. De bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning (over o.a. privacy, verstening, geluidsoverlast, bezonning en parkeren) hebben geen redelijke kans van slagen, omdat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het vergunde bouwplan in strijd is met het omgevingsplan. De bezwaren van verzoekers die zijn gericht tegen een telefoonnotitie hebben geen kans van slagen, omdat die telefoonnotitie geen besluit is. Nu de bouwwerkzaamheden voor 90% gereed en niet onomkeerbaar zijn, ontbreekt het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Uitspraak

[verzoeker 1] ,

[verzoeker 2] ,

[verzoeker 3]

[verzoeker 4] ,

allen uit [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. J.L.J. Leijendekker),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder

(gemachtigde: H. Schuit).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel:

[vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2], uit [woonplaats] , vergunninghouders

(gemachtigde: mr. S. Sabur).

Inleiding

Vergunninghouders breiden hun woning aan de [adres 1] in [woonplaats] (de woning) aan de zijkant uit met een aanbouw van één bouwlaag met een kap. Hiervoor heeft het college aan hen drie omgevingsvergunningen verleend. De eerste omgevingsvergunning dateert van 22 april 2020. Hiertegen zijn destijds geen rechtsmiddelen ingesteld. Met omgevingsvergunningen van 13 november 2025 en 5 februari 2026 heeft het college aan vergunninghouders toestemming verleend om een aantal wijzigingen op het bouwplan uit 2020 aan te brengen.

Verzoekers wonen naast en achter vergunninghouders aan de [adres 2] en de [adres 3] in [woonplaats] . Zij willen niet dat vergunninghouders de aanbouw (op deze wijze) realiseren. Zij hebben bij het college drie bezwaarschriften ingediend over de uitbreiding van de woning. Omdat vergunninghouders de aanbouw ondertussen aan het realiseren zijn, hebben verzoekers de voorzieningenrechter ook drie keer gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Op 29 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak gedaan op het eerste verzoek van verzoekers om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning van 13 november 2025. Dit verzoek is vanwege het ontbreken van spoedeisend belang afgewezen.

Vervolgens hebben verzoekers bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen een door verzoekers zelf opgestelde notitie van een telefoongesprek met de gemachtigde van het college op donderdag 29 januari 2026 (de telefoonnotitie). Het laatste bezwaar en verzoek om een voorlopige voorziening is gericht tegen de omgevingsvergunning van 5 februari 2026 (de omgevingsvergunning).

In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening tegen de telefoonnotitie en de omgevingsvergunning.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:

verzoekers en hun gemachtigde;

de gemachtigde van het college met behulp van een beeldverbinding;

vergunninghouders en de gemachtigde van vergunninghouders.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesbeslissing voorafgaand aan de zitting

3. Op de zitting hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen de deelname van de gemachtigde van het college aan de zitting met behulp van een beeldverbinding. Als toelichting op dit bezwaar gaven zij aan een kopie te hebben ontvangen van een afwijzing van het verzoek van het college om aan de zitting deel te nemen met behulp van een beeldverbinding.

4. Het is juist dat de voorzieningenrechter een eerste ongemotiveerd verzoek van het college om met behulp van een beeldverbinding aan de zitting deel te nemen heeft afgewezen. Op dinsdagavond 17 maart 2026 heeft het college echter nogmaals een verzoek ingediend om aan de zitting deel te nemen met behulp van een beeldverbinding. Dit verzoek was wel gemotiveerd. De voorzieningenrechter heeft dit tweede verzoek gelet op de motivering daarvan, op woensdag 18 maart 2026 toegewezen. Dat het eerste ongemotiveerde verzoek door hem is afgewezen maakt niet dat de voorzieningenrechter het tweede verzoek dat wel is gemotiveerd opnieuw moest afwijzen. Een toewijzing van het verzoek gebeurt door het toezenden van een link voor de beeldverbinding aan degene die daarom heeft verzocht.

Wat toetst de voorzieningenrechter?

5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

6. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.

7. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij voorlopige voorzieningen zal treffen of de bezwaren van verzoekers een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de telefoonnotitie of de omgevingsvergunning te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers. Daarna zal de voorzieningenrechter beoordelen of de belangen van verzoekers om de telefoonnotitie en de omgevingsvergunning te schorsen totdat het college op hun bezwaren heeft beslist al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het college en vergunninghouders om de telefoonnotitie en de omgevingsvergunning in stand te laten. Hoe minder kans van slagen de bezwaren van verzoekers hebben, hoe minder ruimte er is voor hun belangen.

8. De voorzieningenrechter zal deze beoordeling hierna voor de telefoonnotitie en de omgevingsvergunning afzonderlijk doen.

De telefoonnotitie

9. Verzoekers hebben de telefoonnotitie zelf opgesteld, omdat zij vinden dat een uitspraak die de gemachtigde van het college tijdens het telefoongesprek heeft gedaan kan worden aangemerkt als een besluit waartegen zij bezwaar kunnen instellen.

10. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat de telefoonnotie geen schriftelijke beslissing van het college is en ook geen publiekrechtelijke rechtshandeling van het college inhoudt. Dus is de telefoonnotie geen besluit waartegen verzoekers bezwaar kunnen maken.

11. Dit betekent dat het college het bezwaar van verzoekers tegen de telefoonnotitie om die reden niet-ontvankelijk moet verklaren. Het bezwaar van verzoekers tegen de telefoonnotitie heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus geen kans van slagen. Gelet op deze conclusie is er geen ruimte voor de belangen van verzoekers bij het treffen van een voorlopige voorziening tegen de telefoonnotitie. De voorzieningenrechter zal dit verzoek afwijzen.

De omgevingsvergunning

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat de besluitvorming van het college voor het realiseren van de aanbouw rommelig is verlopen. De omgevingsvergunning uit 2020 werd op 22 januari 2026 ingetrokken. Die intrekking is vervolgens met een besluit op het bezwaar van vergunninghouders van 5 februari 2026 weer herroepen. Daarmee is de omgevingsvergunning uit 2020 weer herleefd. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de omgevingsvergunning een herstelbesluit is op de omgevingsvergunning van 13 november 2025, omdat daarin fouten zouden staan. Zo’n rommelige besluitvorming is voor zowel verzoekers als vergunninghouders vervelend, maar dat maakt de omgevingsvergunning nog niet onrechtmatig. De rommelige besluitvorming is voor de voorzieningenrechter daarom geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.

13. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college het bouwplan waarvoor vergunninghouders met hun aanvraag van 25 juli 2025 een omgevingsvergunning hebben aangevraagd, heeft beoordeeld als niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. In dat geval moet het college de omgevingsvergunning verlenen. Als het bouwplan niet in strijd is met de regels uit het omgevingsplan heeft het college geen beleidsruimte voor het maken van een belangenafweging.

14. De gronden van verzoekers geven de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat het college het bouwplan zoals dat door vergunninghouders is aangevraagd ten onrechte in overeenstemming heeft geacht met de regels van het omgevingsplan en het bestemmingsplan ‘Naardereiland’ dat daarvan deel uitmaakt. De gronden van verzoekers over bijvoorbeeld de onevenredigheid van de aanbouw ten opzichte van de perceelgrootte, de verdichting van het perceel, de aantasting van privacy, de vermindering van daglichttoetreding en bezonning en de toename van geluidsoverlast zien op een door het college te maken belangenafweging. Als het college geen beleidsruimte heeft om een belangenafweging te maken, dan hebben deze gronden dus geen kans van slagen. Op de zitting heeft het college toegelicht dat door het realiseren van de aanbouw de parkeernorm voor de woning niet wijzigt. De toepasselijke parkeernorm is niet afhankelijk van de omvang (het bruto vloeroppervlak) van een woning. Dus ook de grond van verzoekers over het niet voldoen aan de parkeerverplichting op eigen terrein heeft geen kans van slagen.

15. Op de zitting hebben verzoekers aangevoerd dat de aanbouw zoals die op dit moment door vergunninghouders wordt gerealiseerd groter is dan de oppervlakte die door het college is vergund en op grond van het omgevingsplan is toegestaan en dat het rieten dak op een afstand van minder dan de toegestane afstand van 1 meter van de erfgrens is gerealiseerd. Het is niet aan de voorzieningenrechter om daarover in deze procedure over het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verleende omgevingsvergunning een oordeel te geven. Als vergunninghouders inderdaad in afwijking van de aan hen verleende omgevingsvergunning hebben gebouwd, dan maakt dat niet dat de omgevingsvergunning onrechtmatig is verleend en in bezwaar zal moeten worden herroepen. Dat is dan een kwestie van handhaving met de daarbij behorende procedure.

16. Op de zitting hebben eisers ook gewezen op de aanwezigheid van een veranda/overkapping in de tuin van vergunninghouders. Ook dit brengt de voorzieningenrechter niet tot het voorlopige oordeel dat dit aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat. Op grond van artikel 22.36 biedt het omgevingsplan, aanvullend op de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan ‘Naardereiland’ biedt, nog vergunningsvrije bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken. Gelet op de omvang van het bebouwingsgebied bij de woning van vergunninghouders is het niet aannemelijk dat deze vergunningsvrije bouwmogelijkheden volledig zijn opgebruikt met de vergunde uitbreiding van de woning.

17. De rechtbank stelt ten slotte vast dat de bouwwerkzaamheden inmiddels nagenoeg gereed zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de bouwwerkzaamheden weer ongedaan worden gemaakt als het college in het kader van de heroverweging naar aanleiding van de door verzoekers ingediende bezwaren de omgevingsvergunning zou herroepen. Dit betekent dat er nu geen onomkeerbare situaties ontstaan die moeten leiden tot schorsing van de omgevingsvergunning. Verder is naar het oordeel van de voorzieningenrechter tussen nu en de te nemen beslissing op bezwaar ook geen sprake van zodanige hinder dat op grond daarvan een voorlopige voorziening moet worden getroffen. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat de omgevingsvergunning van 22 april 2020 het bouwplan al grotendeels mogelijk maakt en dat vergunninghouders na informeel overleg met verzoekers hebben ingestemd met achterwege laten van de dakramen in het zijdakvlak van de uitbreiding.

18. Op de zitting hebben verzoekers aangevoerd dat een bouwwerk dat nog niet geheel af is, makkelijker kan worden verwijderd dan wanneer een bouwwerk al geheel gereed en in gebruik genomen is. Deze nadere onderbouwing van hun spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening leidt niet tot een ander oordeel. Zolang de omgevingsvergunning niet onherroepelijk is, bouwen vergunninghouders voor eigen rekening en risico. Op de zitting hebben zij toegelicht dat zij zich hiervan bewust zijn. Het komt dus voor hun rekening en risico dat als de omgevingsvergunning wordt herroepen zij de aanbouw, ook als deze al in gebruik is genomen, alsnog in overeenstemming zullen moeten brengen met de omgevingsvergunning van 22 april 2020 of zullen moeten verwijderen. De veronderstelling van verzoekers dat dit gevolgen heeft voor de te maken afweging bij een eventueel handhavend optreden is derhalve niet juist. Voor de beoordeling van de spoedeisendheid is het verder niet relevant of de omgevingsvergunning op de gehele aanbouw ziet of alleen op een wijziging van de omgevingsvergunning van 22 april 2020. Daarover kan het college in de te nemen beslissing op bezwaar duidelijkheid aan partijen verschaffen. Overigens merkt de voorzieningenrechter in dit verband nog op het voor de hand liggend te achten dat de twee later in de tijd verleende omgevingsvergunningen slechts zien op wijzigingen die zijn aangebracht op het oorspronkelijke, met de omgevingsvergunning van 22 april 2020 vergunde, bouwplan. In het verlengde van die lijn geeft de voorzieningenrechter het college mee dat het dus niet voor de hand ligt om die oorspronkelijke omgevingsvergunning in te trekken na voltooiing van de bouw en het onherroepelijk worden van de twee later verleende omgevingsvergunningen.

19. De conclusie van het voorgaande is dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben bij het treffen van de gevraagde voorziening en dat de omgevingsvergunning niet evident onrechtmatig is. Ook hier is er daarom geen ruimte voor de belangen van verzoekers bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal ook dit verzoek daarom afwijzen.

Conclusie en gevolgen

Beslissing

20. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat vergunninghouders in ieder geval zolang het college nog niet op de bezwaren van verzoekers heeft beslist voor eigen rekening en risico gebruik mogen maken van de aan hen verleende omgevingsvergunningen en de activiteiten waarvoor deze zijn verleend mag uitvoeren.

21. Omdat de verzoeken worden afgewezen bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?